Rechtbank 's-Gravenhage

Rechtbank te 's-Gravenhage wijst vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling van Kobus L. af

Bron: Rechtbank 's-Gravenhage
Datum actualiteit: 12-02-2003

Eiser is in 1994 geplaatst in de (aanvankelijk tijdelijke) Extra Beveiligde Inrichting (EBI) binnen de penitentiaire inrichting Nieuw Vosseveld te Vught. Thans is hij gedetineerd in de penitentiaire inrichting De Dordtse Poorten in Dordrecht. Hij is op 11 februari 1997 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaren. De datum van zijn vervroegde invrijheidstelling valt in juni 2004. Eiser heeft op in november 1999 een klacht ingediend bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens over zijn detentieomstandigheden in de EBI. Aan de klacht is onder meer ten grondslag gelegd dat eiser, gelet op het zeer strenge regime in deze inrichting, de lange verblijfsperiode van ongeveer zes en een kwart jaar in de EBI en de wekelijkse (en dikwijls nog frequentere) "visitaties" aan het lichaam, een onmenselijke of op zijn minst vernederende behandeling heeft ondergaan.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 4 februari jl. de klacht op dit punt gegrond verklaard. Volgens dit Hof was de combinatie van routinematige "visitatie" en de andere stringente veiligheidsmaatregelen waaraan hij in de EBI was onderworpen, in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verbod van onmenselijke of vernederende bestraffing). Eiser vordert op basis hiervan onmiddellijke staking van de verdere tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf en verval van de aan hem opgelegde geldboete.
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, mr. H.F.M. Hofhuis, oordeelt dat eiser aanspraak kan maken op rechtsherstel wegens deze schending van het verdrag. Volgens de voorzieningenrechter is een genoegdoening die eisers vrijheid betreft - gelet op de aard van de verdragsschending die hier is gegeven - een passender vorm van herstel dan verval van het openstaande deel van de geldboete. De voorzieningenrechter wijst de vordering van eiser tot onmiddellijke invrijheidstelling af, maar is van oordeel dat de ernst van de schending een vermindering van de strafduur rechtvaardigt met een periode gelijk aan 10 procent van het aantal dagen dat eiser aan het regime van EBI onderworpen is geweest. Dit komt neer op een bekorting van de strafduur met ongeveer 7,5 maand. De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zal dus omstreeks november 2003 moeten eindigen.


Ga naar betreffende uitspraak met nummer: AF4438

Voor de volledige uitspraak: Zie het origineel http://www.rechtspraak.nl/act...d=10711&i=43&ti=3 http://www.rechtspraak.nl/act...t_id=10711&i=&ti= . Zie het origineel http://www.rechtspraak.nl/act...d=10711&i=43&ti=3 .

Zoekwoorden:

Deel: ' Vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling Kobus L. afgewezen '




Lees ook