CDA

: Tweede Kamer : Monumentenzorg (230300)

Archief Schriftelijke Vragen Archief Schriftelijke Vragen

Monumentenzorg (230300)

Den Haag, 23 maart 2000

Voorzitter,
Met grote interesse heeft de CDA-fractie de afgelopen jaren deelgenomen aan het debat over de restauratie en het onderhoud van de waardevolle monumenten die ons land telt. Boerderijen, woonhuizen en kerken die bijdragen aan de schoonheid van onze steden en de plattelandsgebieden.
Objecten die mensen niet alleen schoonheid bieden maar hen tevens bewust maken van het historisch verleden en hun nationale identiteit.
Vandaag praten we over de Evaluatie Werkplan Monumentenzorg en over de kanjerregeling.

Met een extra dotatie voor monumentenzorg van 275 miljoen in 1995 heeft het Kabinet Kok I een eerste aanzet gegeven voor het inlopen van de achterstand van 3,7 miljard volgens onderzoek in 1998. Een achterstand die als gevolg van de toename van het aantal jonge monumenten en vervolgschade in enkele jaren zal toenemen tot meer dan
f. 4 miljard, wanneer geen structurele veranderingen in de monumentenzorg zullen plaatsvinden.

Het WPM is ingesteld om de achterstand in te lopen. Belangrijke conclusie uit de evaluatie is dat de achterstand van 3,7 miljard met circa 296 miljoen verminderd is en dat de subsidies een multiplier van 3.11 blijken te hebben.

De nieuwe regeling is zeer complex en er bestaat grote ontevredenheid over de verdeling van de budgetten over de drie categorieën, geeft de evaluatie aan.
Deze boodschap heeft ons in alle toonaarden ook uit het land bereikt.
Teneinde te adviseren bij het hanteren van de complex BRRM-regeling worden provinciale steunpunten ingericht voor de Monumentenzorg. Het lijkt mij dat de decentralisatie mislukt is, wanneer ambtenaren van nationale instellingen op lokaal niveau moeten adviseren. Kunnen de regelingen niet meer vereenvoudigd worden in plaats van weer nieuwe bureaucratie in het leven te roepen?

Wat zijn de kosten zijn van deze steunpunten, en door wie worden deze kosten gedragen?

De CDA-fractie is tevreden met het verwijderen van het schot tussen de categorieën kerken en overige monumenten, en met de maatregel om budgethouders toe te staan maximaal 50% van hun budget woonhuizen/boerderijen over te hevelen naar kerken en overige monumenten.
Dat geeft wat meer beleidsvrijheid, zoals door de betrokkenen is gevraagd.

De staatssecretaris constateert dat voor een aantal restaurerende instellingen het rondkrijgen van financiering moeilijker is geworden door de verlaging van de subsidiepercentages, maar dat er geen signalen zijn dat hierdoor restauraties niet konden worden uitgevoerd.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg die toch de ogen en oren van de staatssecretaris zou moeten zijn, hier tekort is geschoten.

Welllicht is het nuttig op deze plaats een signaal door te geven dat mij bereikte uit Hoorn, de stad met 150 monumenten. Het 16 eeuwse pand Rode Steen 9 met een verzekerde waarde van ruim anderhalf miljoen moet gerestaureerd worden voor 1.7 miljoen. Nu het budget van Hoorn met tweederde is verminderd, moest de Gemeente vaststellen, dat haar bijdrage aan deze restauratie nul gulden zou bedragen.
De koop door de Vereniging Hendrik de Keyser is niet doorgegaan, de restauratie wordt niet uitgevoerd en een bijzonder pand dreigt nu verloren te gaan.
Dergelijke gevallen zijn er meer.
Onder andere in Middelburg waar de Gemeente ook ernstig beknot is op haar budget en de BV Monumentenbeheer moeilijke tijden doormaakt. Graag een reactie van de staatssecretaris op dit feit.
De staatssecretaris heeft de VNG gevraagd om maatregelen om kleinere gemeenten tot actiever monumentenbeleid te stimuleren. Veel kleinere gemeenten voeren al een actief monumentenbeleid, maar hebben problemen met de systematiek en worden belemmerd door de huidige regelingen.
Door het huidige BRRM tellen gerestaureerde monumenten niet mee bij de volgende behoefteraming en zo krijgt een gemeente die eigen middelen in zo'n restauratie steekt, geen geld voor de restauratie terug. Het is van belang het BRRM op dit punt aan te passen door de voorgefinancierde projecten in de behoefteraming te laten blijven meetellen.

Als voorbeeld de gemeente Gaasterland-Sloten.
Haar budget is met 2/3 verminderd.
Er is nu een fonds waarin 2.5 miljoen gestort mag worden door de Gemeenteraad, mits de zekerheid bestaat dat de benodigde gelden die per beschikking van de RDMZ zijn toegezegd, ook werkelijk in een bepaald jaar zullen worden uitbetaald.
Die zekerheid wordt vanuit Zeist niet gegeven.

Zekerheid, de garantie dat het geld echt terugkomt is nodig om met name kleinere gemeenten te stimuleren.
De betrouwbaarheid van de rijksoverheid is hier aan de orde. Voor particuliere eigenaren geldt wellicht nog sterker dan voor gemeenten dat zekerheid en snelheid van belang zijn. Het lijkt er op dat de overheid zich te weinig realiseert dat monumentenbezitters vaak goedwillende amateurs zijn die de zware last van de samenleving te dragen krijgen om hun monument te bewaren, zonder dat daar iets tegenover staat.
De eigenaar wil de zekerheid dat hij het geld voor de restauratie, zoals de beschikking aangeeft, ook daadwerkelijk ontvangt. De korting van 10% heeft het gevoel versterkt dat je niet op de overheid aan kunt.

Ik ken een boerderij in Giessenburg waar de bewoner 6 ton moet investeren op korte termijn vanwege schade door toegenomen wegverkeer. Een tegemoetkoming is hem toegezegd in 2006.
Dat geld moet vooraf dus geleend worden, terwijl voor 2 ton op die plaats een geriefelijke woning kan worden neergezet. Je moet dan wel heel erg gemotiveerd zijn als bejaarde alleenstaande om voor restauratie te kiezen.

Waarom niet de mogelijkheid om bij acute schade het geld naar voren te halen?

Ik heb de indruk dat enige flexibiliteit en meer resultaatgericht werken bij de RDMZ zeer gewenst is. Graag een reactie.

Nog twee practische punten:
Het lijkt mijn fractie gewenst dat de Monumentenwet 88 geëvalueerd wordt. Dat zou al in 1992 gebeuren. Eveneens vinden wij dat het Monumentenregister, opgesteld in 1960, moet worden geactualiseerd naar de inzichten van de huidige tijd.

Voorzitter,
Ik kom aan de grootschalige restauraties.
Mijn fractie heeft in het overleg van 30 november l998 aandacht gevraagd voor de financiële problemen bij kerkgebouwen en daarop zegde de staatssecretaris toe dat een studie zou worden verricht naar de problematiek van grootschalige restauraties.

Nu wil de staatssecretaris een speciale regeling in het leven roepen, namelijk een tijdelijke centrale voorziening van 25 miljoen per jaar gedurende 4 jaar om de meest urgente restauraties uit te voeren. Hiervoor wil hij het bestaande budget gebruiken, waardoor andere dringende restauraties in het gedrang komen.
Dit is toch wel een sigaar uit eigen doos.

Mijn fractie ziet deze oplossing als een noodverband, terwijl met extra budget voor de kanjers een levensreddende operatie zou kunnen worden uitgevoerd.
Het voorstel van mijn fractie is dan ook om uit het uitgavenoverschot bij de voorjaarsnota minimaal 100 miljoen voor de restauratie van grootschalige projecten te gebruiken.
Wij overwegen hierover een motie in te dienen.

Voorzitter,
Er is de laatste jaren meer geld beschikbaar gekomen voor de monumentenzorg, maar het blijft verdelen van de armoede. En dat in een tijd van economische groei.

Er ontbreekt nog steeds een bedrag van 320 miljoen om de geconstateerde achterstanden weg te werken en als dat er niet komt, zal dat bedrag in 2010 zijn verdubbeld tot 700 miljoen.

Het spijt mijn fractie dan ook zeer dat de staatssecretaris niet in staat is gebleken om tegelijk met de evaluatie van de WPM een integraal plan voor restauratie en onderhoud voor te leggen, zoals zijn voorganger nastreefde.
Kan de staatssecretaris al enigszins aangeven hoe de aangekondigde integrale restauratie- en onderhoudsvisie er uit zal gaan zien. Wordt dat simpelweg het samenvoegen van het BROM en BRRM bijvoorbeeld, of gaat dat veel verder en wordt onder integraal verstaan een brede samenhangende visie, zoals bij de nota Belvedere? En komt er ook enige relatie met de nota Belvedère?
Een samenhang van monumentenzorg, plattelandsontwikkeling, stadsontwikkeling en stadsherstel?

Op dit moment is het van belang om de restauratieachterstand van 320 miljoen weg te werken, zodat verder al het geld ingezet kan worden voor het doelmatig onderhoud van onvervangbaar, authentiek erfgoed. Dit is nodig door middel van een instandhoudingsregime dat restaureren overbodig maakt. Een nationaal erfgoedfonds kan dat mogelijk maken. In het CDA-verkiezingsprogramma staat dat wij voorstander zijn van een erfgoedfonds dat beschikt over financiële middelen die niet alleen van de overheid afkomstig zijn.

Het CDA pleit dan ook voor bundeling van krachten in een Nationaal Erfgoedfonds, gevoed door overheid, bedrijfsleven en particulieren. Nu zetten meer dan 700 stichtingen en verenigingen zich in voor het behoud van één of enkele monumenten: de inzet is groot, maar versnipperd.
Stadsherstelorganisaties hebben in de afgelopen decennia tal van monumenten voor verval en sloop behoed. Zij hebben tal van restauraties uitgevoerd van veelal onrendabele monumenten en garanderen bovendien ook op langere termijn het onderhoud en het beheer van deze gerestaureerde monumenten. De formule van stadsherstel blijkt te werken.
Op grond van die ervaring zou een landelijk verband in het leven geroepen moeten worden, met als doelstelling onderhoud en exploitatie van rendabele, minder rendabele en onrendabele monumenten. Kennis, ervaring en financiële middelen van de lokale stadsherstelorganisaties kunnen zo op landelijk niveau worden gebundeld. Uitbreiding tot de categorie niet-woonhuismonumenten kan worden gestimuleerd door vrijstelling van vennootschapsbelasting, waarop van de kant van stadsherstelorganisaties al geruime tijd wordt aangedrongen.
Op die manier kan beter worden ingespeeld op de vraag naar nieuwe oplossingen op het terrein van behoud en hergebruik van de verschillende categorieën monumenten.
De National Trust in Groot-Brittannië biedt een aansprekend voorbeeld.
Zo kunnen het onmisbare enthousiasme en de creativiteit op het plaatselijk vlak worden aangevuld met deskundigheid en de nodige financiële middelen van een regionaal of landelijk niveau. De financiering van het behoud van monumenten moet zo breed mogelijk gedragen worden. Te denken valt aan particulieren, bedrijven en ondernemers, institutionele financiers, overheden (gemeenten, provincies, Rijk), particuliere fondsen en sponsors. Nu al laat het Nationaal Restauratiefonds, als bankier voor de monumentenzorg, een gezonde ontwikkeling zien naar steeds minder afhankelijkheid van overheidsbijdragen.
Alleen met gezamenlijke en gerichte inspanningen kan het culturele erfgoed van Nederland worden veiliggesteld.
Een Nationaal Erfgoedfonds kan daarvoor mensen en middelen bijeenbrengen.
De minimaal 100 miljoen voor de kanjers zouden ook via dit Erfgoedfonds kunnen worden aangewend. Graag een reactie.
Voorzitter,
Het gaat bij zorg voor monumenten niet alleen om economische effecten en bedragen, maar ook om draagvlak en betrokkenheid van de samenleving en de erkenning van het werk van vrijwilligers.
Kamerlid: Visser-van Doorn

Deel: ' Vragen CDA over Monumentenzorg '




Lees ook