Ministerie van Financien

Titel: Vragen en antwoorden inzake de zgn. ruimteregeling

Besluit van 11 september 1999 nr. DB99/2929M

De plaatsvervangend Directeur-generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Inleiding

De publicatie van het besluit van 13 februari 1997, nr. DB96/4135M, inzake de zogenoemde ruimteregeling m.b.t. kosten welke verband houden met deelnemingen heeft tot vragen vanuit de praktijk geleid. Ter uniformering van de uitvoeringspraktijk heb ik de vragen en antwoorden hierna ter publicatie opgenomen.


1. In hoeverre kan, bij gebreke van een evident verband als bedoeld in onderdeel 2.3 van genoemd besluit, de ruimteregeling worden toegepast indien de verwerving van een buitenlandse deelneming wordt gefinancierd uit lopende bank- of groepskredieten, dan wel uit ander vreemd vermogen?

Dienaangaande merk ik op dat de ruimteregeling een regeling van bewijsrechtelijke aard is, die ertoe strekt een antwoord te vinden op de vraag of er een verband bestaat tussen buitenlandse deelnemingswinst en kosten van vreemd vermogen. In de vraagstelling zoals die is voorgelegd is deze vraag al beantwoord en kan de toepassing van de ruimteregeling derhalve niet aan de orde komen.

Indien evenwel een vennootschap volgens de ruimteregeling voldoende beschikbaar eigen vermogen bezit ten behoeve van de verwerving van een (buitenlandse) deelneming en daarbij de intentie heeft om dat vermogen voor de verwerving van die deelneming aan te wenden, ontstaat er volgens de ruimteregeling geen verband tussen de kosten en de deelneming. Een samenloop van omstandigheden, te weten de acquisitie enerzijds en het op enigerlei wijze aantrekken van vreemd vermogen door de vennootschap anderzijds, doet naar mijn mening niet af aan die binnen de ruimteregeling veronderstelde intentie. Ik stel mij op het standpunt dat er slechts sprake is van een evident verband als bedoeld in onderdeel 2.3 van de ruimteregeling, indien de bevoegde inspecteur de intentie van de vennootschap om het beschikbaar eigen vermogen aan te wenden ten behoeve van de acquisitie weerlegt met schriftelijke bescheiden.

Voor de ruimteregeling zijn de feitelijke geldstromen dus niet van belang; daarmee is ook de vraag of die geldstromen traceerbaar zijn in zoverre zonder belang. Wel is van belang, in overeenstemming met de historische methode overigens, de wil van belanghebbende.

Een vergelijkbare benadering, als hiervoor beschreven met betrekking tot de samenloop van de verwerving van een deelneming en het aantrekken van een lening, geldt ook in het geval van een emissie. Onder de ruimteregeling wordt de opbrengst van een emissie in beginsel toegerekend aan de beschikbare ruimte, c.q. aan een nog te delgen tekort aan ruimte. Om desgewenst een 'evident verband' met de verwerving van een buitenlandse deelneming tot stand te doen komen is het in een dergelijk geval aan belanghebbende om schriftelijk te doen blijken dat de normale gang van zaken onder de ruimteregeling opzij wordt gezet.


2. Volgens onderdeel 3.6 van meergenoemd besluit worden de niet-aftrekbare kosten berekend tegen het gemiddeld promessedisconto van de gulden. Hoe dient te worden gehandeld nu deze grootheid vanaf 1 januari 1999 niet meer bestaat?

Dienaangaande heb ik geantwoord dat voor 'het gemiddeld promessedisconto van de gulden' met ingang van 1 januari 1999 dient te worden gelezen: het gemiddeld effectief rendement op staatsleningen, zoals dat ook wordt gepubliceerd in de zogenoemde marktrente-aanschrijving.

Zoekwoorden:

Deel: ' Vragen en antwoorden inzake de ruimteregeling '




Lees ook