ministerie van economische zaken - persbericht 216 datum: 13-12-1999

verkoop overheidsaandeel in gasunie

de leden van de tweede kamer witteveen-hevinga en crone (beiden pvda) hebben aan de minister van economische zaken op 6 december 1999 de volgende schriftelijke vragen gesteld.

1 hoe ziet in de visie van de regering de toekomstige relatie tussen de overheid en de gasunie eruit? 1)

2 acht u het voortbestaan van het kleine-veldenbeleid van essentieel belang voor het nederlands gasbeleid?

3 is het waar dat het verrekenen van de zogenaamde troll-prijs voor de opbrengst van het gas uit de kleinevelden door de europese unie niet meer getolereerd wordt? wat zullen de gevolgen daarvan kunnen zijn voor de opbrengst uit de kleinevelden en wat zullen de gevolgen voor het voortbestaan van de exploitatie van de kleinevelden kunnen zijn?

4 kunt u er zorg voor dragen dat de nota naar aanleiding van het nader verslag betreffende de gaswet resp. mijnbouwwet 2) met spoed aan de kamers worden toegezonden?

5 wilt u toezeggend at u vooruitlopend op de afronding van de behandeling van de mijnbouw- en gaswet geen beleidslijnen ten uitvoer brengt?

toelichting:
deze vragen dienen ter aanvulling van het lid m.b. vos, ingezonden 2 december 1999.

1) "Voortbestaan van de Gasunie in gevaar"en "Na de 'Aardbeving' wacht Gasunie nog een 'stormvloed', in Nieuwsblad van het Noorden 27-11-1999; "Ontwikkelingen bij de Gasunie zijn 'dramatisch", in Nieuwsblad van het Noorden, 29-11-1999.
2) Kamerstuk 26 219, nr. 10.

De Minister van Economische Zaken, A. Jorritsma-Lebbink, heeft deze vragen als volgt beantwoord.

1 In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Gaswet (II, 26 463), u op
2 december jl. aangeboden, merk ik op (zie paragraaf 2.1) dat het wenselijk is om op termijn de overheidsrol in het gasgebouw voor relevante elementen opnieuw te gaan te bezien in het licht van de liberalisering. Anderzijds zullen mogelijk belangrijke elementen van het gasgebouw ook dan in een geliberaliseerde markt in stand kunnen blijven. Een herbezinning en beoordeling in hoeverre de overheidsrol in deze zal (moeten) wijzigen, zal hoe dan ook geruime tijd vergen.

2 Het kleine veldenbeleid acht ik van belang en ik wijs in dit verband op onderdeel H
van de Nota van Wijziging bij de Gaswet, die ik u op 2 december jl. heb aangeboden. In dit verband wijs ik tevens op hetgeen ik u schreef in mijn brief van 7 december jl. inzake het Waddengas. Hierin heb ik er op gewezen dat het kabinet voornemens is de voorwaarden op het continentale plat te verbeteren met het oog op het belang van de opsporing en winning van kleine velden. In het kader van de Mijnbouwwet zal hierop nader worden ingegaan.

3 Neen. Uit contacten met Brussel is mij daar ook niets van gebleken.

4 De Nota naar aanleiding van het verslag bij de Gaswet (II, 26 463) heb ik u op
2 december jl. toegezonden. Ik deel uw behoefte om in deze zaak spoed te betrachten omdat de implementatie van de Europese richtlijn zijn beslag moet krijgen vóór
1 augustus 2000. De Nota naar aanleiding van het verslag bij de Mijnbouwwet
(II, 26 219) zal ik u zo snel als mogelijk toesturen, maar ik wijs er op dat de omzetting van het besluit om de voorwaarden op het continentale plat te verbeteren (zie mijn brief van 7 december jl. inzake het Waddengas), nog enige tijd zal vergen.

5 Nieuwe beleidslijnen in of bij de Gaswet en Mijnbouwwet, zullen niet ten uitvoer
worden gebracht dan nadat daarover met de Tweede Kamer overleg is gepleegd.

Deel: ' Vragen Pvda aan EZ over verkoop overheidsaandeel in Gasunie '




Lees ook