Partij van de Arbeid


Vragen van Gerritjan van Oven (PvdA) aan de minister van Justitie over het niet betekenen (overhandigen) van een rechterlijke uitspraak aan een gedetineerde

Den Haag, 22 februari 2000

VRAGEN VAN HET LID VAN OVEN (PVDA) AAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

1.
Heeft u kennisgenomen van het arrest van de Hoge Raad d.d. 25 januari 2000 waarin is uitgemaakt dat het redelijk termijnbeginsel als bedoeld in art. 6 van het Europese verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM) is geschonden omdat een arrest van het Hof in een strafzaak gedurende een periode van 4 1/2 jaar niet is betekend hoewel de betrokken verdachte in die periode 3 jaar en 5 maanden in een penitentiaire inrichting in Nederland gedetineerd zat? 1)

2.
Is het oordeel van de Hoge Raad, verwoord in het arrest van 16 december 1997, inhoudend dat van een verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats in de samenleving, die gedetineerd is, de penitentiare inrichting als verblijfplaats wordt aangenomen, destijds tot Justitie doorgedrongen?

3.
Kunt u aangeven hoe dit desondanks heeft kunnen gebeuren?

4.
Wordt bij justitie niet de gedragslijn gevolgd dat van een persoon die gedetineerd wordt automatisch wordt nagegaan of aan hem nog gerechtelijke stukken dienen te worden betekend?

5.
Kunt u inschatten hoeveel overheidsgeld (in verband met de voorbereiding van de zaak en zittingstijd in drie termijnen) ten gevolge van deze justitiële blunder over de balk is gegooid?

6.
Wat heeft u ondernomen om herhaling te voorkomen?

1) Nieuwsbrief Strafrecht d.d. 18 februari 1999, nr.20 alsmede het betreffende arrest van de Hoge Raad, nr. 112.029 2) N.J. 1998, nr. 368

Deel: ' Vragen PvdA over niet betekenen rechterlijke uitspraak '




Lees ook