Partij van de Arbeid


20 januari 2000
Schriftelijke inbreng over de notitie schoolboekenprijzen (OCW-99-1252)


Woordvoerder: Sharon Dijksma

1.

Acht de regering het juist om bij mededingingskwesties kritiekloos af te gaan op de opgave van de kostenopbouw zoals producenten (zoals de GEU) deze leveren, of dient deze kostenopbouw ook kritisch tegen het licht te worden gehouden? Op welke wijzen is dit geschied? (blz. 3).

2.

Hoe verklaart de regering dat leden van de PvdA-fractie goed gedocumenteerde overzichten krijgen van ouders waarbij de kosten alleen al van huur van schoolboeken bij het boekenfonds duidelijk de f. 1.000, = overstijgen en deze dus duidelijk meer bedragen dan 25 à 30 % van de gemiddeld f. 1.000,= per jaar die de VVO heeft becijferd? (blz. 5).

3.

De leden van de PvdA-fractie vinden het een belangrijk gegeven dat de gebruikers van leermiddelen zich in de positie bevinden van gebonden gebruikers. Is de regering van oordeel dat destijds bij het verlenen van een ontheffing op het verbod op verticale prijsbinding conform de Mededingingswet recht is gedaan aan deze specifieke positie? Waarom (niet)? (blz. 7).

4.

Waarom noemt de regering de situatie bij het loslaten van de verticale prijsbinding in de schoolboekensector niet bekend, "althans niet in een land dat qua onderwijssysteem, omvang van het taalgebied, etc. volledig met Nederland vergelijkbaar is", terwijl men bijvoorbeeld in Denemarken ruimschoots ervaring heeft met zo'n situatie. Kan de regering systematisch de verschillen en hun betekenis in de vergelijking nader specificeren, opdat ook de Kamer kan beoordelen of de situaties onvoldoende vergelijkbaar zijn? (blz. 9).

Z.0.Z.
5.

Is de regering bereid onderzoek te doen naar de situatie met betrekking tot verticale prijsbinding ten aanzien van schoolboeken en de prijs van leermiddelen in het algemeen in andere Europese lidstaten? (blz. 9).

6.

Hanteert men in Engeland een systeem waarbij op schoolboeken 0 % BTW wordt geheven? Onder welke voorwaarden zou Nederland dit voorbeeld kunnen volgen? Welke stappen is de Nederlandse regering bereid daartoe te zetten? (blz. 10).

7.

Waarom acht de regering forse prijsverhogingen, niet voldoende om zelfs maar te spreken van aanwijzingen dat er andere dan de toegestane concurrentiebeperkende prijsafspraken bestaan in de schoolboekensector? Op grond van welke overwegingen verwijst de regering liever naar het vermeende ontbreken van aanwijzingen, dan de NMA de zaak grondig te laten uitzoeken? (blz. 10).

Deel: ' Vragen PvdA over notitie schoolboekenprijzen '




Lees ook