ministerie van vrom

van 'meer' naar 'beter'
21 september 1999

vrom begroting 2000

veel van wat we vandaag in nederland doen, heeft niet alleen gevolgen voor onze toekomst, maar ook voor andere delen van de wereld. om negatieve gevolgen te vermijden of tot een minimum te beperken is een duurzame ontwikkeling nodig. dat is geen last, maar een uitdaging om vernieuwing te realiseren in technologisch, sociaal en cultureel opzicht. er is een trendbreuk nodig van 'meer' naar 'beter'. dat is een belangrijk uitgangspunt voor het beleid van vrom in 2000 en volgende jaren.

het ministerie van vrom maakt zich sterk voor een mooi, veilig en gezond leefmilieu, waarin het prettig wonen, werken en recreëren is. dat vraagt om een samenhangend beleid, dat in nauwe samenwerking met alle betrokken partijen wordt ontwikkeld en uitgevoerd. in een aantal grote plannen wordt dat beleid voor de komende jaren uitgewerkt: de uitvoeringsnota klimaatbeleid (deel ii) verschijnt rond de jaarwisseling, het ontwerp van de 5e nota ruimtelijke ordening en de ontwerp-nota wonen begin
2000 en het nmp 4 een jaar later. in dit persbericht vindt u een overzicht van de belangrijkste algemene uitgangspunten van het vrom-beleid, gevolgd door de prioriteiten voor 2000 per beleidsterrein.

uitgangspunten
bij de afweging van risico's en effecten staat voorop dat gezondheid en veiligheid nooit in gevaar mogen komen; beleidsvoornemens worden hierop steeds getoetst. verscheidenheid is in allerlei opzichten een belangrijk kwaliteitsaspect van de leefomgeving. naast levendige en dynamische steden moeten er ook plaatsen met rust en ruimte te vinden zijn. verscheidenheid is een voorwaarde voor de keuzevrijheid van de individuele burger. ook mensen met lagere inkomens dienen grotere keuzemogelijkheden te krijgen, bijvoorbeeld op het gebied van wonen. kanttekening daarbij is wel, dat ieders individuele keuzevrijheid wordt beperkt door het algemeen belang en de collectieve verantwoordelijkheid daarvoor; daar ligt een nadrukkelijke taak voor de (rijks)overheid. verder zal de zorg van het rijk voor goede en betaalbare huisvesting voor zwakkere groepen blijven bestaan en waar nodig worden versterkt. een ander belangrijk uitgangspunt is preventie: het aanpakken van oorzaken van problemen heeft altijd voorkeur boven het bestrijden van ongewenste effecten. dat geldt voor milieu (zonne-energie, geluid), maar ook voor volkshuisvesting (rekening houden met vergrijzing) en ruimtelijke ordening (open houden van het groene hart).

samenwerking
beleidsvorming is niet aan de overheid alleen voorbehouden. samenwerking en overleg met betrokken maatschappelijke organisaties hebben een structureel karakter gekregen. daardoor sluit het beleid beter aan bij maatschappelijke ontwikkelingen en kan het draagvlak worden vergroot. in de voorbereiding van de nieuwe plannen vindt uitgebreid overleg plaats met alle betrokkenen, deels in het kader van het groene poldermodel.
ook bij de uitvoering van beleid ligt de verantwoordelijkheid niet alleen bij de rijksoverheid, maar tevens bij het bedrijfsleven, andere overheden en maatschappelijke organisaties. dat vergroot de betrokkenheid en kan stimulansen bieden voor vernieuwing. publiek-private samenwerking (pps) en convenanten met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties zullen meer worden toegepast.

handhaving
het kabinet hecht aan een goed toezicht en goede handhaving. in 2000 zullen de inspecties ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en milieuhygiëne en de dienst recherchezaken nauwer gaan samenwerken. dit zal op termijn uitmonden in een samengaan van de inspecties. begin 2000 gaat het milieu inlichtingen- en opsporingsteam (miot) van start. het miot (een samenwerkingsverband van de inspectie met de dienst recherchezaken en de accountantsdienst), zal zich in samenwerking met de betrokken instanties vooral bezig houden met het uitvoeren van speciale acties bij incidenten, opsporingsonderzoeken en handhavingsacties bij probleembedrijven.

uitgaven
van belang voor het budgettair kader van de vrom-begroting 2000 en volgende jaren is de toedeling van de investeringsbudgetten uit het regeerakkoord. meer middelen zijn beschikbaar voor de vitaliteit van de steden, het milieu- en het kennisbeleid. voor het jaar 2000 gaat het om f. 183 mln., dat besteed wordt aan stedelijke vernieuwing, het tegengaan van lokale milieuhinder, het behoud van rijksmonumenten, de sanering van waterbodems en nmp-3 opties (klimaatbeleid en mest en ammoniakbeleid). de intensiveringen uit het kennispakket richten zich op het nationaal initiatief duurzame ontwikkeling (nido) en de stichting kennisontwikkeling en kennisoverdracht bodem. voorts is jaarlijks f.5 mln. extra beschikbaar voor het versterken van de meetfunctie van het rivm.

het algemene beeld van de rijksuitgaven noopt tot het treffen van maatregelen. om het budgettaire jaar
2000 te ontlasten is een deel van de middelen dat beschikbaar is voor de stedelijke vernieuwing naar een latere periode geschoven. voor de jaren 2000 en
2001 zijn de budgetten met respectievelijk f. 200 en f. 310 mln. verlaagd ten gunste van de periode 2002 tot en met 2004, waardoor het totaal van de gelden voor stedelijke vernieuwing in tact blijft. met ingang van 2000 is f. 10 mln. oplopend tot f. 30 mln. in 2003 minder beschikbaar voor het nemen van geluidswerende maatregelen in het verkeer; de nadruk zal worden gelegd op bronbestrijding. daarnaast zijn de budgetten voor nox en voertuigtechniek met structureel f. 10 mln. beperkt. voorts is gekort op het budget voor bodemsanering.

de afname van het totaal van de vrom-begroting 2000 (f 8,3 mrd) t.o.v. de begroting 1999 (f 8,5 mrd) is vrijwel volledig het gevolg van het aflopen van de bruteringsoperatie (afkoop van de jaarlijkse bijdragen aan volkshuisvestingsinstellingen) in het kader van balansverkorting (niet-actieve deel volkshuisvesting).

in onderstaande tabel zijn per beleidsterrein de uitgaven (in miljoenen guldens) uit de ontwerpbegroting 2000 opgenomen.

begroting 2000 algemeen 258,2
rijkshuisvesting 158,1
volkshuisvesting

- actief deel 5.019,2
- niet actief deel 1.607,4 ruimtelijke ordening100,6
milieubeheer 1.143,5
totaal 8.287,0

milieu
nederland is succesvol in het ombuigen van de trend dat economische groei gepaard gaat met een evenredige groei van de milieudruk. wereldwijd blijft de co2 emissie een punt van zorg. voor verdroging van de bodem en het terugdringen van de uitstoot van zwaveldioxide (so2) worden de gestelde doelen voor 2010 gehaald. er zijn echter ook terreinen waarop het beleid geïntensiveerd moet worden. dit geldt vooral voor klimaatbeleid, maar ook voor verzuring en vermesting is de ingezette dalende lijn onvoldoende om de doelen te bereiken. en het gebruik van landbouwbestrijdingsmiddelen neemt de laatste jaren weer enigszins toe.

het kabinet houdt vast aan zijn ambitie om de absolute ontkoppeling van economische groei en de druk op het milieu, ook voor broeikasgassen, binnen bereik te brengen. de lijn van de nota milieu en economie wordt doorgetrokken: maatregelen moeten, behalve voldoende robuust, ook uit het oogpunt van kosten reëel zijn. marktconforme instrumenten blijven uitgangspunt. waar mogelijk zal het maken van afspraken tussen overheid en sectoren, zoals in de vorm van convenanten, worden voortgezet. voor een aantal belangrijke beleidsonderwerpen is een investeringsimpuls van in totaal circa f 670 miljoen (periode 1999/2010) voorzien:
225 mln. voor de aanpak van de mest- en ammoniakproblematiek,

170 mln. voor maatregelen van de uitvoeringsnota klimaatbeleid,

100 mln. voor schonere en duurzamere industriële productieprocessen,

60 mln. voor de afname van de nox-uitstoot door het verkeer,

35 mln. voor verbetering van bodemsaneringstechnieken,
30 mln. voor geluidsmaatregelen treinverkeer,
28 mln. voor onderzoek naar technologische doorbraken,

22,5 mln. voor de aanpak van verontreinigde waterbodems.

klimaatproblematiek
de uitstoot van co2 in nederland was in 1998 circa
11% hoger dan in 1990. de emissies van de zes in kyoto overeengekomen klimaatgassen laten een stijging zien met 8%. ten opzichte van 1997 is er sprake van een lichte daling voor de zes gassen. dit is met name het gevolg van een daling bij de niet- co2 broeikasgassen. in juni is deel i van de uitvoeringsnota klimaatbeleid naar het parlement gestuurd. deze nota bevat een samenhangend pakket van binnenlandse maatregelen die uiteindelijk een reductie van 25 megaton broeikasgassen in de periode
2008 - 2012 zullen opleveren. rond de jaarwisseling wordt het tweede deel van de nota verwacht met maatregelen die nederland in het buitenland realiseert voor het resterende deel van 25 megaton. hierin zal het gebruik van de zogenaamde flexibele mechanismen als joint implementation, clean development mechanism en emission trading aan de orde komen. bij deze mechanismen kan het investerende land de gerealiseerde reducties mede gebruiken om aan de eigen verplichtingen te voldoen. met deze beide nota's geeft het kabinet invulling aan het nederlandse aandeel in de kyotoafspraken uit
1997, namelijk dat nederland (als onderdeel van de eu-afspraken) ten opzichte van 1990-1995 een emissiereductie van 6% in de periode 2008-2012 zal realiseren.

nox in het verkeer
het verkeer (inclusief scheepvaart en overige mobiele bronnen) mag in 2010 niet meer dan 148 kiloton nox uitstoten. dit betekent een vermindering van ruim 50% ten opzichte van 1995. een deel van de reductie moet worden gerealiseerd door voortzetting van het bronbeleid via de europese unie. de eu milieuraad en het europees parlement zijn het in oktober 1998 eens geworden over eisen aan uitlaatgassen voor personenauto's en bestelwagens en de kwaliteit van brandstoffen in 2005 en 2010. hierdoor zullen auto's die vanaf 2005 nieuw op de markt komen, onder meer 65-70% minder nox en vos (vluchtige organische stoffen) uitstoten dan nu. ook zullen de emissie-eisen voor vrachtwagens en bussen in 2001, 2006 en uiteindelijk 2008 aanzienlijk worden aangescherpt.

vergroening belastingstelsel
de vergroening van het stelsel zal verder zijn beslag krijgen in de aanpassingen van bestaande belastingen zoals de belasting op motorrijtuigen (mrb, bpm) en de belasting op milieugrondslag. de tarieven in de afvalstoffenbelasting, de grondwaterbelasting, de brandstoffenbelasting en de regulerende energiebelasting gaan omhoog. naar verwachting zal nog dit najaar de milieu-investeringsaftrek (mia) gedeeltelijk van kracht worden. in 2000 zal deze aftrek, die met name gericht is op technieken om de uitstoot van bepaalde broeikasgassen te verminderen, een brede werking krijgen. daarnaast worden nieuwe belastingen aangekondigd, onder meer op oppervlakte- delfstoffen en leidingwater. het kabinet zet de opbrengst van de milieubelastingen in voor compenserende maatregelen voor huishoudens en bedrijven. het gaat hier om verlaging van de loon- en inkomstenbelasting en een pakket van fiscale faciliteiten om milieu- en energiebesparend gedrag te stimuleren. de energiepremie van 100 gulden voor energiezuinige huishoudelijke apparatuur, die per 1 november van kracht wordt, maakt deel uit van dit pakket, evenals de differentiatie van de belasting op personenauto's en motorrijwielen ten gunste van zuinige en schone auto's en een verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor lpg-3 auto's. invoering van een duurzame ondernemersaftrek wordt onderzocht in het kader van het belastingplan 2001; het is de bedoeling om hiermee bedrijven te stimuleren voorop te lopen bij zaken als een milieuvriendelijk productieproces, de reductie van uitstoot van emissies en het welzijn van dieren.

genetisch gemodificeerde organismen de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) staat prominent op de agenda van de europese unie. in het najaar van 1999 zal het kabinet een integrale nota biotechnologie aanbieden aan de tweede kamer. de nota bevat een overzicht van wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen en van de ontwikkelingen op het gebied van de ggo-regelgeving sinds 1995. het afwegen van risico's, het voorzorgsbeginsel en de keuzevrijheid zijn belangrijke uitgangspunten bij de ontwikkeling van ggo's. de nota geeft aan hoe aan deze uitgangspunten in de praktijk invulling wordt gegeven.

overheidsaankopen
de verschillende overheden vormen gezamenlijk een grote marktpartij die invloed kan uitoefenen op de milieuprestaties van producten en diensten die de markt aanbiedt. om deze positie te benutten, werkt het programmabureau duurzaam inkopen, waarin vertegenwoordigers van alle overheden deelnemen, sinds een jaar aan informatiepakketten voor de belangrijkste aanschaffingen binnen overheden. het programma duurzaam inkopen gaat in 2000 een nieuwe fase in met het actief werven van overheidsorganisaties voor deelname aan het programma.

internationaal
het inzicht groeit dat de inwoners van nederland de leefomgevingskwaliteit in andere landen beïnvloeden. de 'ecologische voetafdruk' is een aansprekende metafoor om mensen bewust te maken van hun energie- en ruimtegebruik in internationale context en van de wereldwijd grote verschillen daartussen (noord-zuid). in 2000 zal veel aandacht worden geschonken aan de internationale aspecten van het beleid. hiervoor zijn al genoemd klimaat en verzuring. daarnaast gaat het om het behoud van bossen en biodiversiteit, vernieuwing van het (eu-)beleid voor stoffen en chemische producten en de verbetering van de positie van milieu- en consumentenbelangen binnen het internationale handelssysteem. verder zijn van belang de milieu-aspecten in nieuwe lidstaten van de europese unie in midden- en oost-europa en de integratie op eu-niveau in andere sectoren, zoals landbouw, verkeer en vervoer en energie.

tweede wereld water forum
in maart 2000 vindt in den haag op uitnodiging van de nederlandse regering het tweede wereld water forum plaats. het richt zich op publieke bewustwording en is bedoeld om de politieke aandacht voor de zoetwaterproblematiek te versterken. gebrek aan voldoende zoet water van voldoende kwaliteit geldt als een van de grootste milieubedreigingen voor de komende eeuw. parallel aan het forum vindt een tweedaagse ministersconferentie plaats met als doel zo concreet mogelijke acties, zoals samenwerking in internationale stroomgebieden, op gang te brengen.

nmp 4
komend najaar wordt een kabinetsbesluit over de agenda van het nmp 4 verwacht. begin 2001 wordt het nmp 4 uitgebracht. de basis van het nmp 4 is een herijking van het milieubeleid op grond van een analyse van de afgelopen 30 jaar en een vooruitblik op de komende 30 jaar. het nmp 4 richt zich op nieuwe wegen om milieuproblemen die tot nu toe moeilijk oplosbaar bleken het hoofd te bieden. het nmp 4 wordt opgesteld vanuit de ecologische invalshoek, met oog voor sociale en economische ontwikkelingen en meer aandacht voor de internationale context.

milieu en economie
in juni 1997 heeft het kabinet de nota milieu en economie gepresenteerd. in het milieuprogramma
2000-2003 dat jaarlijks als bijlage bij de begroting van het ministerie van vrom verschijnt, is de voortgangsrapportage over de nota verwerkt. de beleidsfilosofie dat milieu en economie samen kunnen gaan heeft duidelijk postgevat in de maatschappij. deze filosofie spreekt aan omdat het creativiteit en innovatie stimuleert en maatschappelijke factoren aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid. vooral de aanpak via concrete acties (zogenaamde 'boegbeelden') is een succes. zo ontstaan er op verschillende bedrijventerreinen samenwerkingsprojecten om de milieukwaliteit te verbeteren en de ruimte efficiënter te gebruiken, bijvoorbeeld doordat bedrijven gebruik maken van elkaars restwarmte of afvalwater.

ruimte
ook voor het ruimtelijk beleid geldt het uitgangspunt: van 'meer' naar 'beter'. inzichten in ecologische, economische, sociale en culturele factoren stellen voorwaarden aan het beleid. er zullen keuzen moeten worden gemaakt. immers niet alles kan overal en altijd tegelijk. daartoe wordt in dit begrotingsjaar:
begin 2000 een vijfde nota ruimtelijke ordening uitgebracht;
de wet op de ruimtelijke ordening (wro) gemoderniseerd en worden de mogelijkheden tot handhaving verbeterd;
de internationale verankering van het ruimtelijk beleid verstevigd;
een interdepartementaal beleidsonderzoek (ibo) over het grondbeleid gestart.

vijfde nota
het kabinet heeft in de startnota ruimtelijke ordening 1999 globaal de richting vastgesteld waarlangs de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van nederland zich zal moeten voltrekken. daarmee is de basis gelegd voor de vijfde nota ruimtelijke ordening. de nota heeft als uitgangspunt: het is druk in nederland, maar het mag niet te vol worden. beleidshorizon van de nota is 2020, met een doorkijk naar 2030. het reeds vastgestelde rijksbeleid voor de periode 2005-2010 (de pkb actualisering vinex) zal in de vijfde nota worden verwerkt. begin 2000 zal de nota naar de tweede kamer worden gestuurd. in de nota zal de te verwachten maximale druk op de ruimte in 2020 voor verschillende functies in kaart worden gebracht. het gaat hier om functies zoals water, landbouw, infrastructuur, economische ontwikkeling, wonen, recreatie en maatschappelijke voorzieningen. als al deze beelden bij elkaar worden gebracht wordt duidelijk waar en welke ruimtelijke keuzes nodig zijn.
in de nota wordt aangesloten bij de nota "Belverdere", die gaat over het bewaren van waardevolle cultuurhistorische elementen zoals gebouwen, stads- en dorpsgezichten en landschappen. Ook de nota "Ruimtelijk Economisch Beleid", waarin het versterken van het economische beleid van provincies en gemeenten aan de orde komt wordt bij de Vijfde Nota betrokken.
De ruimtelijke ordening heeft direct te maken met menselijke activiteiten en keuzes daartussen. Daarom worden in de nota problemen en mogelijke oplossingsrichtingen vanuit verschillende invalshoeken benaderd. Het gaat dan om vragen als: zijn oplossingen duurzaam, economisch, doelmatig en sociaal rechtvaardig? Versterken ze de ruimtelijke kwaliteit en in hoeverre tasten ze de keuzevrijheid van burgers of bedrijven aan?

Herziening WRO
De belangrijkste herziening van wet- en regelgeving in 2000 is de fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Directe aanleiding was de behandeling van een wijziging van de WRO in de Tweede Kamer begin 1999. De WRO raakt na ruim 30 jaar uit balans en is nu onvoldoende toegesneden op de eisen die in de praktijk aan behoorlijke wetgeving worden gesteld. Het doel van deze herziening - naast het verbeteren van de mogelijkheden voor handhaving - is het stroomlijnen van besluitvormingsprocedures en het verbeteren van de rechtsbescherming van burgers. Nog dit jaar zal als eerste stap een discussienota naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Aan de hand van deze nota en het daarover met de Kamer te voeren overleg zal vóór de zomer van 2000 een voorontwerp van wet worden gepubliceerd.

Internationaal
De uitvoering van internationaal ruimtelijk beleid zal in 2000 in toenemende mate een rol gaan spelen. Medio mei 1999 is het eerste Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief (EROP) vastgesteld. In dit EROP hebben 15 landen tezamen met de Europese Commissie een visie op het Europese grondgebied gepresenteerd. In deze visie zijn drie basisdoelstellingen van het Europese beleid vanuit een ruimtelijke invalshoek geïntegreerd: economische en sociale samenhang, duurzame ontwikkeling en een evenwichtig concurrentievermogen. Nederland zal deze visie in de Vijfde Nota verwerken in samenspraak met buurlanden en -regio's.

Nieuwe sleutelprojecten
Het doel van de nieuwe sleutelprojecten (NSP) is de investeringen in de hogesnelheidslijn (HSL) ook te benutten voor stedelijke vernieuwing rond de toekomstige HSL-stations. Deze stedenbouwkundige plannen combineren versterking van de economische structuur en bereikbaarheid met intensief ruimtegebruik. In deze kabinetsperiode zal voor de zes sleutelprojecten (Amsterdam-Zuidas, Rotterdam CS, Den Haag Hoog Hage, Utrecht CS, Arnhem Centraal en Breda Spoorzone) de eventuele rijksbetrokkenheid worden onderzocht. In het Fonds Economische Structuurversterking (FES) is hiervoor f 540 miljoen gereserveerd (f. 105 miljoen tot 2002 en f 435 miljoen voor de periode 2002-2010). Binnen de VROM
-begroting is voor 2000 circa f 4,5 miljoen gereserveerd.

Stimuleringsprogramma intensief ruimtegebruik (StIR) Het stimuleringsprogramma, gericht op een verhoging van de intensiteit én de kwaliteit van het gebruik van de ruimte, is in 1998 gestart en heeft een looptijd van zeven jaar met een totaalbudget van circa f 50 miljoen. Doelgroepen worden ook in 2000 aangemoedigd aan StIR deel te nemen en projecten en ideeën, toegespitst op vastgestelde thema's, in te dienen. Aan de meest belovende en kwalitatief hoogstaande projecten wordt de status "voorbeeldproject" toegekend. In 2000 is binnen de VROM-begroting circa f 9,5 miljoen beschikbaar.

Groene Hart
Het Ontwikkelingsprogramma Groene Hart is het uitgangspunt voor de verdere inrichting van dit gebied. De in dit programma genoemde projecten komen in principe in aanmerking voor een subsidiebijdrage. Dit begrotingsjaar zullen reeds lopende projecten verder worden afgerond.

Wonen
Door het inlopen van het (landelijk) woningtekort en de groeiende welvaart kan ook op het gebied van het wonen de aandacht steeds meer verschuiven van kwantiteit naar kwaliteit. Het beleid op het terrein van het wonen staat het komende begrotingsjaar in het teken van het uitbrengen van de nota Wonen. Deze nota, die begin volgend jaar in concept verschijnt, geeft een brede visie op de rol van de (rijks)overheid, de burgers en andere betrokken partijen bij het wonen in de komende tien jaar. Thema's die nadrukkelijk aan de orde komen zijn onder meer de betaalbaarheid van het wonen voor de lagere inkomensgroepen, de combinatie van wonen en zorg, de kwaliteit van het wonen in de stad, in de plattelandsgemeenten en in de nieuwe Vinex-wijken, en de rol van de woningcorporaties.

Betaalbaarheid
Bij de betaalbaarheid van het wonen gaat het om de vraag hoe de lagere inkomensgroepen kunnen meeprofiteren van het verhogen van de kwaliteit van het wonen en hoe dat voor hen betaalbaar blijft. Dit hangt ook samen met het bredere sociale beleid van het Kabinet en het grotestedenbeleid. Ook de rol van de woningcorporaties is hierbij van groot belang. In 2000 zal een nieuw huurbeleid voor de lange termijn worden vastgesteld als onderdeel van de nota Wonen. Ook wil het Kabinet de betaalbaarheid van koopwoningen voor lage inkomensgroepen verbeteren om hiermee de vrijheid om te kiezen voor een huur- of een koopwoning te vergroten. Het Kabinet staat dan ook op hoofdlijnen positief tegenover een initiatief van de Tweede Kamer om hiervoor een subsidieregeling in het leven te roepen, die naar verwachting op 1 juli 2000 in werking zal treden. Verder zal de uitvoering van de
Huursubsidiewet worden gemoderniseerd. Door nieuwe technieken kunnen de administratieve lasten van de klanten en de uitvoeringsorganisaties worden beperkt, waardoor de klantvriendelijkheid toeneemt en het niet-gebruik verder kan worden teruggedrongen. In 1998 zijn in drie gemeenten proefprojecten gestart om te kijken of door het koppelen van bestanden het niet-gebruik verder kan worden teruggedrongen. De uitkomsten hiervan worden in 2000 verwacht.

Wonen-zorg
Ouderen, maar ook andere zorgbehoevenden (bijvoorbeeld gehandicapten en (ex)psychiatrische patiënten) stellen specifieke eisen aan de woning, woonomgeving, zorg en dienstverlening. Aan deze vier elementen zijn veel organisatievormen, regelingen, wetten en financiële instrumenten verbonden. Zoals vastgelegd in het regeerakkoord zal de totstandkoming van een woon-zorg-stimuleringsfonds worden overwogen. Belangrijk daarbij is de coördinatie van wonen, zorg en dienstverlening op lokaal en regionaal niveau, naast het al eerder in gang gezette beleid van de aanpassing van de bestaande woningvoorraad, nieuwbouw van voor ouderen geschikte woningen en gerichte toewijzing van geschikte woningen aan ouderen.

Kwaliteit leefomgeving
De revitalisering van de steden is een kabinetsprioriteit met economische, sociale en fysieke kanten. Het ministerie van VROM richt zich vooral op de fysieke kant in het besef dat economische en sociale facetten minstens zo bepalend zijn voor de stedelijke vitaliteit. Daarom is het beleid voor de stedelijke vernieuwing goed afgestemd op het grotestedenbeleid. Dit jaar is het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV) tot stand gekomen en is de indicatieve verdeling van het budget over gemeenten en provincies voor de komende vijf jaar vastgesteld. In totaal is voor deze periode f 4,29 miljard beschikbaar. Naast dit bedrag vinden er de komende jaren nog kasbetalingen plaats op grond van subsidieverplichtingen die vóór 1 januari 2000 zijn of worden aangegaan. Dit zijn bijvoorbeeld uitbetalingen voor het stadsvernieuwingsfonds en voor de tijdelijke regeling herstructurering. Bij elkaar gaat het daarbij om f 1,77 miljard. Gemeenten kunnen het komende jaar op basis van integrale en samenhangende ontwikkelingsprogramma's een start maken met de concrete uitvoering van projecten om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren.

Vinex
Het afgelopen jaar is er kritiek geweest op de concrete invulling van de nieuwe Vinex-wijken. Daarbij ging het vooral om het tekort aan verscheidenheid en om twijfels over de toekomstwaarde van sommige wijken. Het Kabinet neemt deze kritiek serieus en wil in samenspraak met alle betrokken partijen bekijken of aanpassing van de convenanten nodig en mogelijk is. Een en ander zal gebeuren in het kader van de evaluatie van de woningbouwafspraken voor de periode 1995 tot 2005 en de uitvoeringsafspraken verstedelijkingsbeleid voor de periode 2005 tot 2010. Belangrijk daarbij is de ontwikkeling van de woningbehoefte en de neerslag daarvan in de nota Wonen.

Toekomst woningcorporaties
Steeds vaker wordt gekeken naar de rol van de overheid en de rol van maatschappelijke organisaties bij de uitvoering van beleid. Zo is ook de positie van de woningcorporaties -private instellingen met een publieke taak- voorwerp van discussie. In het kader van het MDW-project (Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit) wordt deze positie kritisch geëvalueerd. De resultaten daarvan worden betrokken bij de nota Wonen. Verder wordt op basis van het regeerakkoord bekeken hoe de gezamenlijke corporaties kunnen komen tot een systeem van matching van (sociale) investeringsopgaven en de financiële middelen binnen de sociale huursector.

Duurzaam bouwen
Duurzaam bouwen (Dubo) blijft de komende vier jaar hoog op de agenda staan. Samen met de marktpartijen is een beleidsprogramma voor de periode 2000 tot
2004 opgesteld. Doel van dit programma is het verankeren van Dubo in het handelen van overheden en de bouwsector. Na die periode moet Dubo zich zo veel mogelijk op eigen kracht verder kunnen ontwikkelen. Het programma voor de eerste twee jaar werkt langs twee sporen: één gericht op de brede toepassing en verankering van Dubo in de bouwsector en het tweede gericht op extra impulsen op het gebied van stedenbouw, energiebesparing en consumenten.

Bouwregels
In het regeerakkoord is een drastische vereenvoudiging van de bouwregels aangekondigd, rekening houdend met Dubo in het algemeen en hogere energiebesparingseisen in het bijzonder. Dit wordt uitgewerkt in combinatie met het MDW-traject en het beleidsprogramma Dubo 2000-2004. Op het punt van het welstandstoezicht en de procedure voor bouwvergunningen is zeer recent een voorstel voor herziening van de Woningwet bij de Tweede Kamer ingediend. Dit voorstel beoogt het werk van de welstandscommissies objectiever en doorzichtiger te maken en de verantwoordelijkheid van het lokale bestuur voor architectonische kwaliteit te versterken. Daarnaast zal het aantal bouwwerken waarvoor geen vergunning nodig is worden vergroot en zal voor ongeveer 50% van de overige bouwwerken een "lichte" procedure worden ingevoerd die de gemeente binnen vier weken moet afhandelen. De categorie meldingsplichtige bouwwerken zal vervallen.

Rijkshuisvesting
Naar verwachting wordt volgend jaar het Beleidsplan Rijkshuisvesting 2000-2004 uitgebracht. Daarin zal nadrukkelijk de voorbeeldfunctie van het Rijk aan de orde komen als het gaat om de gebouwen van de RGD en om het proces van de totstandkoming daarvan. Accenten worden daarbij gelegd op energiebesparing, architectuur, zorg voor rijksmonumenten, vormen van publiek-private samenwerking en de coördinatie van het bouwbeleid.

Energiebesparing
In 2001 loopt het huidige
Energie-Efficiencyprogramma Rijkshuisvesting (EER) af. Dan zullen er over het algemeen in de rijksgebouwen geen rendabele energiebesparende maatregelen meer te nemen zijn. Om als rijk toch een voorbeeld te kunnen geven voor technieken waarvan (nog) niet bekend is of ze rendabel zijn of worden, zal in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid het programma Innovatieve Technieken Rijkshuisvesting worden opgenomen. Voor de komende vijf jaar is hiervoor gemiddeld f 5 miljoen per jaar beschikbaar.

Architectuur en stedenbouw
Steeds vaker worden voor projecten van de RGD stads- en regio-analyses gemaakt met aandacht voor het verband tussen locatie, kwaliteit en risico's. Waar mogelijk wordt aangesloten bij lokale initiatieven zoals de programma's van gemeenten voor stedelijke vernieuwing. Bijzondere aandacht gaat uit naar de kwaliteit van en de aansluiting op de openbare ruimte nabij de rijksgebouwen. In september volgend jaar zal de derde Architectuurnota aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Het gaat hier om een gezamenlijke nota van de ministeries van OCenW, VROM, LNV en VenW. Algemene doelstelling van de nota is het scheppen van gunstige voorwaarden voor de totstandkoming van architectonische kwaliteit.

Publiek private samenwerking (PPS) De RGD zal ook in de toekomst blijven deelnemen aan PPS-verbanden. In de voortgangsrapportage van het kenniscentrum PPS van het ministerie van Financiën zijn het Schedeldoekshavencomplex in Den Haag en Westerdokseiland in Amsterdam gemeld als projecten met perspectief. Beide projecten zijn goede voorbeelden van hoe de RGD als publieke organisatie een toegevoegde waarde kan leveren aan stedelijke ontwikkelingen.

Coördinatie bouwbeleid
Het Coördinatiepunt Bouwbeleid zal worden versterkt. Dit coördinatiepunt zal vooral een aanspreek- en informatiepunt voor de bouwsector zijn. Verder moet het een bijdrage leveren aan het oplossen en voorkomen van knelpunten die zich in de relatie tussen overheid en bouwsector kunnen voordoen.

Deel: ' VROM begroting 2000 Van 'meer' naar 'beter' '




Lees ook