Tweede Kamer der Staten Generaal

vrom0000.165 brief min vrom inzake problematiek schrotbanden bij edelc hemie

Gemaakt: 2-3-2000 tijd: 9:42


2

de voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 29 februari 2000

Onderwerp:

Reactie op brief Edelchemie

Geachte voorzitter,

In uw brief van 27 januari 2000 vraagt u mijn reactie op de brief van Edelchemie aan de provincie Limburg van 12 januari 2000 over de problematiek van de schrotbanden. Graag voldoe ik dat verzoek.

De aanleiding tot de brief van het bedrijf Edelchemie vormen berichten in de Limburgse pers over de financiële strop die is opgetreden door het faillissement van de bandenopslag TEKA in Nederweert, en de naar aanleiding hiervan gevoerde correspondentie tussen mijn ministerie en de provincie Limburg. In haar brief aan de provincie Limburg stelt het bedrijf een oplossing te hebben voor (ondermeer) de problematiek van de schrotbanden, namelijk verwerking door middel van de nuloptie-technologie. Op beide punten, de problematiek van de schrotbanden en de bijdrage die de nuloptie-technologie kan leveren aan de oplossing hiervan, ga ik in het navolgende in.

Bij de inzameling en verwerking van afgedankte banden is sprake van een aantal ontwikkelingen en problemen. Allereerst moet worden geconstateerd dat de inzameling van autobanden niet volledig «lekvrij» is. Regelmatig worden afgedankte autobanden in de vrije natuur aangetroffen (zwerfbanden); daarnaast komt het ook voor dat malafide bedrijven autobanden tegen betaling inzamelen, deze banden ergens opslaan en vervolgens met de noorderzon vertrekken. Deels heeft dit te maken met de financieringsstructuur. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het Besluit verwijdering wit- en bruingoed en het Besluit verwijdering batterijen kent het Besluit verwijdering personenwagenbanden geen bepaling op grond waarvan producenten en importeurs verplicht zijn afgedankte banden «om niet» in te nemen. Dit betekent dat de ontdoener van afgedankte banden (veelal de garage of het bandendemontagebedrijf) moet betalen voor de afgifte aan een inzamelaar. Er is dus een financiële prikkel om de banden af te geven aan een inzamelaar die het met het milieu niet zo nauw neemt.

Een ander relevante ontwikkeling is dat producthergebruik van banden (afzet van tweedehands banden en loopvlakvernieuwing) afneemt. In combinatie met het thans ontbreken van voldoende mogelijkheden (vanuit zowel technisch als financieel-economisch oogpunt) om de afgedankte banden als materiaal her te gebruiken leidt dit er toe dat een toenemend aantal banden moet worden afgezet naar de cementindustrie. Recentelijk lijken ook de mogelijkheden om schrotbanden (tegen aantrekkelijke prijzen) af te zetten richting cementindustrie af te nemen. Tegen deze achtergrond neemt het risico op het onbeheerd achterlaten van afgedankte banden toe.

Op grond van het Besluit verwijdering personenwagenbanden zijn de producenten en importeurs van autobanden verantwoordelijk voor een milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van de door hen op de markt gebrachte banden. Dit betekent dat het primair aan de producenten en importeurs is om, daar waar de verwijderingsstructuur niet adequaat functioneert, maatregelen te treffen. Voor wat betreft de verwerking van banden en de verwijdering van zwerfbanden wordt momenteel door producenten en importeurs, verenigd in de Vereniging Band en Milieu (BEM) en in de RAI-Vereniging, actief bevorderd dat er in Nederland aanvullende verwerkingscapaciteit voor autobanden wordt gerealiseerd. Zo is de Vereniging BEM doende een verwijderingsbijdrage in te stellen op nieuw op de markt gebrachte banden om daarmee de extra kosten te financieren die moeten worden gemaakt om banden niet in een cementoven te verbranden maar als materiaal her te gebruiken. Deze verwijderingsbijdrage zal ook worden gebruikt voor de financiering van de verwijdering van zwerfbanden.

Dit is echter nog geen oplossing voor de problematiek van het opereren van malafide inzamelaars. Hiervoor zal de handhaving moeten worden geïntensiveerd en/of zal de financiële prikkel voor ongewenst gedrag moeten worden weggenomen. Bijvoorbeeld door het alsnog in de regelgeving opnemen van de verplichting voor producenten en importeurs om afgedankte banden «om niet» in te nemen. Echter, voordat tot een zo vergaande aanscherping van de regelgeving besloten wordt, is het noodzakelijk de omvang van de problematiek goed in beeld te brengen. Ik ben dan ook voornemens om in het kader van de evaluatie van de verschillende amvb's waarin de verwijdering van producten zoals batterijen, land- en tuinbouwfolies, autobanden etc. wordt geregeld, ook de effectiviteit van de verwijdering van autobanden aan een nadere beschouwing te onderwerpen. De resultaten van het door de provincie Limburg uitgevoerde oriënterende onderzoek zullen hiervan onderdeel vormen. Bij de bedoelde evaluatie zullen, naast de producenten, importeurs en bandeninzamelaars ook de provincies betrokken worden. Op grond van de bevindingen hiervan zal ik bezien of een verdere aanscherping van het Besluit verwijdering personenwagenbanden nodig is.

Voor wat betreft de nuloptie-techniek van het bedrijf Edelchemie merk ik op dat deze naar mijn mening thans geen oplossing kan bieden voor de schrotbandenproblematiek. Het bedrijf beschikt thans niet over een vergunning voor het verwerken van deze afvalstroom en de verbrandingscapaciteit van het bedrijf is van een andere orde van grootte dan de hoeveelheid banden die vrijkomt. De milieuhygiënische aspecten van het verwerken van autobanden door Edelchemie zijn niet goed in beeld gebracht en er is geen aanleiding te veronderstellen dat deze verwerkingsoptie in dit opzicht beter scoort dan de inzet van banden als brandstof in de cementindustrie.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

De minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' VROM over problematiek schrotbanden bij edelchemie '




Lees ook