WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 11 tot 15 oktober 1999

nr. 26/99


I. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-379/97

Pharmacia & Upjohn SA, voorheen Upjohn SA/Paranova A/S

Vrij verkeer van goederen

Zaak C-213/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland

Vennootschapsrecht

Zaak C-104/97 P

Atlanta AG/Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door 1) Raad van de Europese Unie en 2) Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

Zaak C-223/98

Adidas AG

Vrij verkeer van goederen

Zaak C-439/97

Sandoz GmbH/Finanzlandesdirektion für Wien, Niederösterreich und Burgenland

Vrij verkeer van kapitaal

Zaak C-229/98

G. Vander Zwalmen, E. Massart/Belgische Staat

Voorrechten en immuniteiten

Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-216/96

Conserve Italia Soc. Coop. arl (voorheen Massalombarda Colombani)/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

Zaak T-48/96

Acme Industry Co. Ltd/Raad van de Europese Unie

Handelspolitiek

Gevoegde zaken T-191/96 en T-106/97

CAS Succhi di Frutta SpA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

Zaak T-309/97

The Bavarian Lager Company Ltd/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Institutioneel recht

II. CONCLUSIES

Zaak C-196/98

R. V. Hepple e.a./Adjudication Officer

Zaak C-138/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Groothertogdom Luxemburg

Zaak C-251/98

C. BAARS jr./Inspecteur der Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Gorinchem

Zaak C-47/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Groothertogdom Luxemburg

III. NIEUWE ZAKEN

Nieuwe zaken bij het Hof

IV. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

1. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-379/97

Pharmacia & Upjohn SA, voorheen Upjohn SA/Paranova A/S

Vrij verkeer van goederen

12 oktober 1999

Prejudiciële zaak

"Merkenrecht · Geneesmiddelen · Parallelimport · Vervanging van merk"

(Voltallig Hof)

Bij beschikking van 31 oktober 1997 heeft het Sø- og Handelsret drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG) alsmede van artikel 7 van de Eerste richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988.

Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen Pharmacia & Upjohn SA, voorheen Upjohn SA (hierna: "Upjohn"), een Deense vennootschap behorend tot de internationale Upjohn-groep (hierna: "Upjohn-groep"), en Paranova A/S (hierna: "Paranova") over de verkoop van geneesmiddelen, geproduceerd door de Upjohn- groep en via parallelinvoer in Denemarken geïmporteerd door Paranova.

Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding bracht Upjohn het antibioticum clindamycine in verschillende vormen in de Gemeenschap op de markt . Daartoe gebruikte zij in Denemarken, Duitsland en Spanje het merk Dalacin, in Frankrijk het merk Dalacine en in de overige lidstaten het merk Dalacin C.

Paranova kocht in Frankrijk capsules clindamycine, verpakt in doosjes van 100 stuks en door de Upjohn-groep op de markt gebracht onder het merk Dalacine, en verkocht deze vervolgens in Denemarken onder het merk Dalacin. Voorts kocht Paranova in Griekenland ampullen clindamycine voor injectie, die door de Upjohn- groep op de markt waren gebracht onder het merk Dalacin C. Na ompakking door Paranova werd dit product in Denemarken verkocht onder het merk Dalacin.

De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen, of de voorwaarde van kunstmatige afscherming van de markten van de lidstaten betekent, dat bij de beoordeling of de merkhouder zich op grond van het nationale recht ertegen kan verzetten, dat een parallelimporteur van geneesmiddelen het door de merkhouder in de lidstaat van uitvoer gebruikte merk vervangt door het door de merkhouder in de lidstaat van invoer gebruikte merk, moet worden gelet op

· hetzij omstandigheden die het bestaan en het gebruik van verschillende merken in de lidstaten verklaren, met name het feit dat de merkhouder zijn verschillende merken gebruikt met de bedoeling de markten af te schermen,

· hetzij omstandigheden die bestonden op het tijdstip dat het product in de lidstaat van invoer op de markt werd gebracht, en die de vervanging van het oorspronkelijke merk door het in de lidstaat van

invoer gebruikte merk noodzakelijk maken, wil de parallelimporteur het betrokken geneesmiddel in die lidstaat op de markt kunnen brengen.

Bovendien vraagt de nationale rechter, of de verenigbaarheid van het verzet van de merkhouder met het gemeenschapsrecht moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 7 van de richtlijn dan wel de artikelen 30 en 36 van het Verdrag.

Dit betekent, dat artikel 7 van de richtlijn van toepassing is, wanneer het oorspronkelijke merk na ompakking van het product opnieuw wordt aangebracht. Het is echter niet van toepassing, wanneer de parallelimporteur het oorspronkelijke merk vervangt door een ander merk. In dat geval worden de rechten van respectievelijk de merkhouder en de parallelimporteur bepaald door de artikelen 30 en 36 van het Verdrag.

Er moet aan worden herinnerd, dat de bevoegdheid van de merkhouder zich op grond van het nationale recht tegen dergelijke gedragingen te verzetten, gerechtvaardigd moet worden geacht in de zin van artikel 36 van het Verdrag, tenzij komt vast te staan, dat een dergelijk optreden onder meer tot kunstmatige afscherming van de markten van de lidstaten zal bijdragen.

Bij de toepassing van deze voorwaarde dient niet te worden onderscheiden naar gelang het oorspronkelijke merk na ompakking opnieuw wordt aangebracht dan wel wordt vervangen, tenzij een verschillende behandeling gerechtvaardigd zou zijn door objectieve verschillen tussen deze beide situaties.

In dit verband moet worden opgemerkt dat tussen het opnieuw aanbrengen van het merk na ompakking en vervanging van het oorspronkelijke merk door een ander merk geen objectief verschil bestaat dat een verschillende toepassing van de voorwaarde van het kunstmatig afschermen in beide gevallen zou rechtvaardigen.

Immers, het gebruik van verschillende verpakkingen en het gebruik van verschillende merken voor hetzelfde product draagt evenzeer bij aan de afscherming van de gemeenschappelijke markt en brengt daarmee dezelfde aantasting van de handel binnen de Gemeenschap teweeg. Bovendien vormt zowel het opnieuw aanbrengen van het oorspronkelijke merk op het omgepakte product als het vervangen door een ander merk een gebruik door de parallelimporteur van een merk waarop hij geen recht heeft.

Voor zover derhalve het merkenrecht van de lidstaat van invoer de merkhouder zich toestaat te verzetten tegen het opnieuw aanbrengen van het merk na ompakking van het product of tegen de vervanging van het merk, en voor zover de ompakking met het opnieuw aanbrengen of vervangen van het merk noodzakelijk is voor de parallelimporteur om de producten in de lidstaat van invoer te kunnen verkopen, zijn dit belemmeringen van de handel tussen de lidstaten die leiden tot kunstmatige afscherming van de markten van de lidstaten, en wel ongeacht of het oogmerk van de merkhouder op die afscherming gericht is geweest.

Derhalve kan de voorwaarde van afscherming van de markten tussen de lidstaten ook worden toegepast op het geval, waarin een parallelimporteur het oorspronkelijke merk vervangt door het door de merkhouder in de lidstaat van invoer gebruikte merk.

De nationale rechter moet derhalve onderzoeken, of de omstandigheden ten tijde van de verkoop de vervanging van het oorspronkelijke merk door dat van de lidstaat van invoer objectief noodzakelijk maakten voor de parallelimporteur om het product in die lidstaat op de markt te kunnen brengen. Aan deze noodzakelijkheidsvoorwaarde is voldaan, indien in een bepaald geval het verbod aan de importeur om het merk te vervangen, de effectieve toegang tot de markt belemmert. Dit is het geval, wanneer wettelijke bepalingen of praktijken in de lidstaat van invoer de verkoop van dit product op de markt van die lidstaat onder het merk dat het in de lidstaat van uitvoer draagt, beletten. Hetzelfde geldt voor een voorschrift van consumentenbescherming, waarbij het gebruik in de lidstaat van invoer van het in de lidstaat van uitvoer gebruikte merk wordt verboden, omdat dit bij de consument tot verwarring zou kunnen leiden.

Het is aan de nationale rechter om in het concrete geval te beoordelen, of het voor de parallelimporteur objectief noodzakelijk was, gebruik te maken van het in de lidstaat van invoer gevoerde merk om de ingevoerde producten op de markt te kunnen brengen.

Het Hof verklaart voor recht:

"De voorwaarde van kunstmatige afscherming van de markten tussen de lidstaten, voortvloeiend uit de arresten van 23 mei 1978, Hoffmann-La Roche (102/77, Jurispr. blz. 1139), en 11 juli 1996, Bristol-Myers Squibb e.a. (C-427/93, C-429/93 en C-436/93, Jurispr. blz. I-3457), betekent, dat bij de beoordeling of een merkhouder zich op grond van het nationale recht ertegen kan verzetten, dat een parallelimporteur van geneesmiddelen het in de lidstaat van uitvoer gebruikte merk vervangt door het door de merkhouder in de lidstaat van invoer gebruikte merk, de omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen die zich voordeden ten tijde van de verkoop in de lidstaat van invoer, op grond waarvan de vervanging van het oorspronkelijke merk door het in de lidstaat van invoer gebruikte merk objectief noodzakelijk was voor de parallelimporteur om het product in die staat op de markt te kunnen brengen. "

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van het Hof van 19 november 1998 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"De artikelen 30 en 36 van het Verdrag en artikel 7, leden 1 en 2, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, hebben tot gevolg, dat wanneer een importeur in een lidstaat farmaceutische producten invoert, die in een andere lidstaat met toestemming van de merkhouder in de handel zijn gebracht, en het merk waaronder de producten in de lidstaat van uitvoer in de handel waren gebracht, vervangt door het merk waaronder identieke producten in de lidstaat van invoer in de handel worden gebracht, de merkhouder zich kan beroepen op zijn merkrecht om zich ertegen te verzetten, dat de importeur deze producten in het land van invoer in de handel brengt, tenzij:

· het gebruik van het merkrecht door de merkhouder zou bijdragen tot kunstmatige afscherming van de markten van de lidstaten; deze voorwaarde betekent echter niet, dat moet worden aangetoond dat de merkhouder opzettelijk heeft getracht de markten van de lidstaten af te schermen;

· de merkwijziging noodzakelijk is voor de verhandeling van het product in de lidstaat van invoer, zodat een verbod voor de importeur om een nieuw merk aan te brengen zijn daadwerkelijke toegang tot de markt van het land van invoer zou belemmeren;

· de presentatie van het product de reputatie van het merk en van de merkhouder niet kan schaden;

· de importeur de merkhouder van het aanbrengen van een nieuw merk in kennis stelt vóór dat het van een nieuw merk voorziene product op de markt wordt gebracht, en hem desgevraagd een exemplaar daarvan levert; en

· de door het Hof in zijn arrest van 11 juli 1996, Bristol-Myers Squibb e.a. (C-427/93, C-429/93 en C-436/93, Jurispr. blz. I-3457) geformuleerde voorwaarden voor de ompakking in acht worden genomen."


Zaak C-213/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland

Vennootschapsrecht

12 oktober 1999

"Niet-nakoming · Richtlijn 92/100/EEG"

(Derde kamer)

Bij verzoekschrift, op 9 juni 1998 ter griffie van het Hof neergelegd, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht vast te stellen dat Ierland, door niet de wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te nemen en/of aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992, de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Omdat zij door Ierland van geen enkele implementatiemaatregel in kennis was gesteld, nodigde de Commissie die lidstaat bij aanmaningsschrijven van 20 januari 1995 uit, zijn opmerkingen binnen twee maanden kenbaar te maken.

De Ierse autoriteiten deelden de Commissie mee, dat in 1994 een complete herziening van de Copyright Act was aangevat en dat er een nieuw gedetailleerd ontwerp van wet ter modernisering van het Ierse auteursrecht en ter uitvoering van de bepalingen van de richtlijn in voorbereiding was.

Het Hof, rechtdoende, verstaat:

"1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, is Ierland de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Ierland wordt verwezen in de kosten van de procedure."

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Derde kamer van 8 juli 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging uitspraak te doen als volgt:

"1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige

rechten op het gebied van intellectuele eigendom, is Ierland de krachtens het EG-Verdrag en artikel 15 van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Ierland wordt verwezen in de kosten van de procedure."


Zaak C-104/97 P

Atlanta AG/Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door 1) Raad van de Europese Unie en 2) Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

14 oktober 1999

"Hogere voorziening · Beroep tot schadevergoeding · Gemeenschappelijke ordening der markten · Bananen · Invoerregeling"

(Vijfde kamer)

Bij een op 10 maart 1997 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Atlanta AG (hierna: "Atlanta") hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 december 1996, Atlanta e.a./Europese Gemeenschap (hierna: "bestreden arrest"), waarbij het Gerecht Atlanta's beroep tot veroordeling van de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Raad en de Commissie, tot vergoeding van de schade voortvloeiend uit de vaststelling van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 heeft verworpen.

Met haar zesde middel verwijt Atlanta het Gerecht, dat het geen standpunt heeft ingenomen over haar grief inzake de onwettige delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Commissie die hierin zou zijn gelegen, dat de Raad het begrip marktdeelnemer in de zin van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen niet zelf in verordening nr. 404/93 heeft gedefinieerd.

Uit punt 75 van het bestreden arrest blijkt, dat verzoeksters volgens het Gerecht in wezen hebben aangevoerd, dat de Raad bij de vaststelling van verordening nr. 404/93 het initiatiefrecht van de Commissie en het recht van het Europees Parlement om te worden geraadpleegd, niet heeft geëerbiedigd. Uit die formulering kan niet worden geconcludeerd, dat het Gerecht rekening heeft gehouden met de grief inzake onwettige delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Commissie.

In de punten 77 en 78 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de afwijzing van de grieven inzake schending van de bepalingen betreffende de procedure tot vaststelling van verordening nr. 404/93 afgewezen onder verwijzing naar de punten 27 tot en met 43 van het arrest Duitsland/Raad (C-280/93). Uit die punten blijkt echter, dat daarmee enkel werd geantwoord op de argumenten inzake de schending van het initiatiefrecht van de Commissie, het gebrek aan motivering en het ontbreken van een nieuwe raadpleging van het Parlement.

Ten slotte blijkt uit punt 34 van het bestreden arrest, dat verzoeksters voor het Gerecht hebben verklaard, dat zij zich weliswaar op bepaalde middelen concentreerden, doch de andere middelen, waaronder het

middel inzake de gestelde onwettige delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Commissie, handhaafden.

Bijgevolg verwijt rekwirante het Gerecht terecht, dat het niet heeft geantwoord op het middel inzake de onwettige delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Commissie.

Derhalve is dit middel gegrond.

Het Hof, rechtdoende:

"1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 december 1996, Atlanta e.a./Europese Gemeenschap (T-521/93), voor zover daarbij het beroep tot schadevergoeding van Atlanta AG is verworpen zonder dat is geantwoord op het middel inzake de onwettige delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Commissie.

2) Verwerpt het beroep tot schadevergoeding van Atlanta AG.

3) Bevestigt de punten 2 en 3 van het dictum van het reeds aangehaalde arrest van het Gerecht Atlanta e.a./Europese Gemeenschap.

4) Verwijst Atlanta AG in de kosten betreffende deze instantie.

5) Verstaat dat de Franse Republiek haar eigen kosten betreffende deze instantie zal dragen."

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 6 mei 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging:

"· het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 december 1996, Atlanta e.a./Europese Gemeenschap (T-521/93) te vernietigen, voor zover daarbij het beroep van Atlanta AG wordt verworpen;

· het beroep tot schadevergoeding van Atlanta AG tegen de Europese Gemeenschap te verwerpen;

· Atlanta AG te verwijzen in de kosten."


Zaak C-223/98

Adidas AG

Vrij verkeer van goederen

14 oktober 1999

Prejudiciële zaak

"Vrij verkeer van goederen · Verordening (EG) nr. 3295/94 · Verbod op het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen · Nationale bepaling inzake de geheimhouding van de namen van de geadresseerden van zendingen die op basis van de verordening door de douaneautoriteiten zijn tegengehouden · Verenigbaarheid van de nationale bepaling met verordening (EG) nr. 3295/94"

(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 16 juni 1998 heeft Kammarrätten i Stockholm een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994.

Die vraag is gerezen in een beroep dat Adidas AG, die in Zweden merkhouder is van verschillende sportartikelen en sport- en vrijetijdskleding, heeft ingesteld tegen de weigering van het Zweedse douanekantoor Arlanda om haar de identiteit te onthullen van de geadresseerde van door dit kantoor onderschepte goederen waarvan werd vermoed, dat het om namaakproducten van het merk Adidas ging.

De verordening heeft tot doel, het in de handel brengen van nagemaakte en van door piraterij verkregen goederen zo veel mogelijk te verhinderen en daartoe maatregelen te nemen waarmee de illegale handel in dergelijke goederen doeltreffend kan worden bestreden.

Daartoe stelt de verordening vast, onder welke voorwaarden de douaneautoriteiten optreden wanneer goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen, voor het vrije verkeer, voor uitvoer of wederuitvoer worden aangegeven of worden aangetroffen bij een controle op goederen die geplaatst zijn onder een schorsingsregeling en welke maatregelen de bevoegde autoriteiten ten aanzien van deze goederen dienen te nemen wanneer wordt vastgesteld dat zij inderdaad zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen.

Op 16 februari 1998 besloot het douanekantoor Arlanda (Stockholm) krachtens artikel 4 van de verordening, het in het vrije verkeer brengen van bepaalde goederen op te schorten, en stelde het Adidas AG ervan op de hoogte, dat het om namaakproducten van het gedeponeerd merk Adidas kon gaan.

Op grond van de verordening konden de goederen tot en met 17 maart 1998 worden tegengehouden. Na die datum achtten de douaneautoriteiten zich niet meer gerechtigd de goederen tegen te houden, aangezien Adidas AG de zaak niet aan een gewone rechterlijke instantie had voorgelegd.

Daar Adidas AG noch de aangever noch de geadresseerde van de goederen kende, verzocht zij om inlichtingen over zijn identiteit, teneinde een actie tegen hem te kunnen instellen. Dit verzoek werd door het douanekantoor Arlanda krachtens artikel 2 van hoofdstuk 9 van de sekretesslag afgewezen.

Er moet worden opgemerkt, dat de verordening de houder van het recht een essentiële rol toebedeelt om het op de markt brengen van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen zo veel mogelijk te verhinderen. Uit de artikelen 3 en 4 van de verordening blijkt immers, dat het tegenhouden van goederen door de douaneautoriteiten in beginsel afhangt van een verzoek van die houder. Voorts is de definitieve veroordeling van dergelijke praktijken door de nationale autoriteit die bevoegd is ten principale te beschikken, slechts mogelijk nadat deze door de houder van het recht is ingeschakeld. Laat de houder van het recht dit achterwege, dan verliest de opschorting van de vrijgave of de tegenhouding van de goederen overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de verordening op korte termijn haar gevolgen.

Een doeltreffende toepassing van de verordening is dus rechtstreeks afhankelijk van de informatie die aan de houder van het intellectuele-eigendomsrecht wordt verstrekt. Kan de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde van de goederen hem niet worden meegedeeld, dan kan hij in de praktijk immers niet de bevoegde nationale autoriteit inschakelen.

Vervolgens kan de houder van het recht de door het douanekantoor verstrekte gegevens alleen gebruiken om de zaak voor te leggen aan de nationale autoriteit die bevoegd is ten principale te beschikken. Worden die gegevens voor andere doeleinden gebruikt, dan kan de houder van het recht overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de verordening aansprakelijk worden gesteld op basis van het recht van de lidstaat waar de goederen zich bevinden.

Ten slotte wordt de vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatig gebruik van de gegevens of van elke andere schade die de aangever of de geadresseerde van de goederen eventueel heeft geleden, vergemakkelijkt doordat de lidstaten op grond van artikel 3, lid 6, van de verordening van de houder van het recht een zekerheidstelling kunnen verlangen.

Het Hof verklaart voor recht:

"Verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden, moet aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan de identiteit van de aangever of van de geadresseerde van ingevoerde goederen waarvan de merkhouder heeft vastgesteld dat het namaakproducten zijn, aan laatstgenoemde niet kan worden meegedeeld."

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 10 juni 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden, verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling die in beginsel verbiedt of slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toestaat, dat aan de houder van het merkrecht inlichtingen worden verstrekt over naam en adres van de aangever en van de geadresseerde van aan douanecontrole onderworpen goederen; deze inlichtingen moeten hem in staat stellen, te verlangen dat de bevoegde nationale autoriteiten beslissen, of deze goederen nagemaakte dan wel door piraterij verkregen goederen zijn."


Zaak C-439/97

Sandoz GmbH/Finanzlandesdirektion für Wien, Niederösterreich und Burgenland

Vrij verkeer van kapitaal

14 oktober 1999

Prejudiciële zaak

"Leningovereenkomsten · Zegelrecht · Heffingvoorwaarden · Discriminatie"

(Zesde kamer)

Bij beschikking van 18 december 1997 heeft het Verwaltungsgerichtshof twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 73 B en 73 D EG-Verdrag (thans artikelen 56 EG en 58 EG) alsmede van de artikelen 1 en 4 van richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988.

Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen Sandoz GmbH (hierna: "Sandoz"), gevestigd te Wenen, en de Finanzlandesdirektion für Wien, Niederösterreich und Burgenland, over de vraag of een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de fiscus een belasting mag heffen ter hoogte van 0,8 % van de waarde van de door een ingezetene bij een niet-ingezetene aangegane lening, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.

Op 20 januari 1995 sloot Sandoz bij Sandoz Management Services SA, gevestigd te Brussel, een lening af ten belope van 220 miljoen ATS. Van deze lening werd geen akte opgemaakt, maar Sandoz voerde haar wel in de boeken op.

De Finanzlandesdirektion für Wien, Niederösterreich und Burgenland heeft betaling van zegelbelasting gevorderd van Sandoz ten belope van 0,8 % van het leningbedrag.

Sandoz voert onder meer aan, dat de genoemde bepaling een belemmering vormt van het vrij verkeer van kapitaal tussen een op het nationale grondgebied ingezeten lener en een in een andere lidstaat gevestigde uitlener en dat deze belemmering de lener ervan zal weerhouden zich tot een dergelijke uitlener te wenden.

De tweede vraag

De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen, of de artikelen 73 B, lid 1, en 73 D, leden 1, sub b, en 3, van het Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan de heffing van belasting over in een andere lidstaat aangegane leningen.

Een wettelijke regeling als in het hoofdgeding aan de orde is, ontneemt de ingezetenen van een lidstaat de mogelijkheid, in het genot te komen van een belastingvrijheid die zou kunnen bestaan voor buiten het nationale grondgebied aangegane leningen. Een dergelijke maatregel schrikt die ingezetenen derhalve af van het aangaan van leningen bij in andere lidstaten gevestigde personen.

Een dergelijke wettelijke regeling vormt dus een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 73 B, lid 1, van het Verdrag.

Vervolgens moet worden onderzocht, of een wettelijke regeling als de onderhavige kan worden beschouwd als een maatregel die nodig is in de zin van artikel 73 D, lid 1, sub b, van het Verdrag.

Een wettelijke regeling als de onderhavige, die zonder onderscheid naar de nationaliteit van de contractspartijen of de plaats waar de leningovereenkomst wordt aangegaan, alle in Oostenrijk ingezeten natuurlijke en rechtspersonen treft die bij een dergelijke overeenkomst partij zijn, heeft als belangrijkste doel de gelijkheid van deze personen voor de belastingheffing te verzekeren. Door een dergelijke maatregel, die deze personen verplicht het zegelrecht te betalen, kan worden voorkomen dat de belastingplichtigen zich door de uitoefening van de bij artikel 73 B, lid 1, van het Verdrag gegarandeerde vrijheid van kapitaalverkeer onttrekken aan de verplichtingen op grond van het nationale belastingrecht. Een wettelijke

regeling als die van het hoofdgeding is dan ook nodig om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften op fiscaal gebied tegen te gaan in de zin van artikel 73 D, lid 1, sub b, van het Verdrag.

Het volstaat vast te stellen, dat de ingevoerde belasting zonder onderscheid van toepassing is op alle in Oostenrijk ingezeten leners, ongeacht hun nationaliteit of de plaats waar de lening is aangegaan.

De eerste vraag

Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 73 B, lid 1, en 73 D, lid 3, van het Verdrag alsmede de artikelen 1, lid 1, en 4 van de richtlijn aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale bepaling als § 33 TP 8, lid 4, eerste volzin, GebG.

Zoals reeds uiteengezet, brengt deze bepaling mee, dat wanneer een in Oostenrijk ingezeten natuurlijke of rechtspersoon in het buitenland een lening aangaat zonder dat ter zake een akte wordt opgemaakt, en de lening wel wordt opgevoerd in de boeken en financiële bescheiden van de lener, het in lid 1 van deze bepaling bedoelde recht van toepassing is.

Een in Oostenrijk aangegane lening waarvan geen akte wordt opgemaakt, moet volgens de Oostenrijkse wetgeving in de boeken worden opgevoerd. Blijkens de stukken en de opmerkingen van de Oostenrijkse regering ter terechtzitting is voor een dergelijke lening echter geen zegelrecht verschuldigd ingevolge § 33 TP 8, lid 1, GebG.

Deze bepaling houdt derhalve een discriminatie in op grond van de plaats waar de lening wordt aangegaan. Een dergelijke discriminatie zal de ingezetenen ervan weerhouden, leningen aan te gaan bij personen die in andere lidstaten gevestigd zijn, en vormt dus een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 73 B, lid 1, van het Verdrag.

De in geding zijnde bepaling gaat in tegen het nagestreefde doel · namelijk de gelijkheidvan in Oostenrijk gevestigde natuurlijke of rechtspersonen voor de belastingheffing te verzekeren ongeacht de plaats waar de lening wordt aangegaan ·, aangezien zij Oostenrijkse ingezetenen discrimineert naar gelang zij zonder opmaking van een akte een lening zijn aangegaan in Oostenrijk of in een andere lidstaat.

Bijgevolg kan een bepaling als § 33 TP 8, lid 4, eerste volzin, GebG niet als maatregel in de zin van de in artikel 73 D, lid 1, sub b, van het Verdrag gerechtvaardigd zijn.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) De artikelen 73 B, lid 1, en 73 D, leden 1, sub b, en 3, EG-Verdrag (thans artikelen 56, lid 1, EG en 58, leden 1, sub b, en 3, EG), moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan de heffing van belasting over in een andere lidstaat aangegane leningen op de voet van een nationale bepaling als § 33 Tarifpost 8, lid 1, van het Gebührengesetz.

2) De artikelen 73 B, lid 1, en 73 D, lid 1, sub b, van het Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale bepaling als § 33 Tarifpost 8, lid 4, eerste volzin, van het Gebührengesetz."

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 20 mei 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Een nationale wettelijke regeling die een recht heft gelijk aan een percentage van de waarde van de leningen die in de vorm van een schriftelijke akte door ingezeten leners bij niet-ingezeten uitleners worden aangegaan, moet worden beschouwd als een beperking van het vrije kapitaalverkeer in de zin van artikel 56, lid 1, EG (ex artikel 73 B, lid 1) die:

· valt onder de in artikel 58, lid 1, sub b, EG (ex artikel 73 D, lid 1, sub b) geformuleerde afwijkingen, die de lidstaten toestaat alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied, voor zover zij strekt ter verzekering van de samenhang van een natopnaal belastingstelsel die onder de aan de lidstaten voorbehouden bevoegdheid valt;

· het evenredigheidsbeginsel niet schendt;

· geen middel van willekeurige discriminatie in de zin van artikel 58, lid 1, EG vormt, aamgezien de betrokken fiscale regeling de ingezeten leners niet ongelijk behandelt op grond van hun nationaliteit of die van hun wederpartijen of wel van de plaats van sluiting van de overeenkomst.

2) De artikelen 56 EG, lid 1, 58 EG, lid 1, sub b, alsmede artikel 4, tweede alinea, van richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die ingezeten leningnemers die een lening bij een niet-ingezeten uitlener aangaan in de vorm van een document gelijk aan een schriftelijke akte, verplicht tot betaling van een recht gelijk aan een percentage van de waarde van de lening wanneer de ingezeten leningnemers die een dergelijke lening bij een ingezeten uitlener aangaan, een dergelijk recht niet verschuldigd zijn.

De verenigbaarheid van een dergelijke wettelijke regeling met artikel 58, lid 3, EG behoeft derhalve niet te worden onderzocht."


Zaak C-229/98

G. Vander Zwalmen, E. Massart/Belgische Staat

Voorrechten en immuniteiten

14 oktober 1999

Prejudiciële zaak

"Ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen · Inkomstenbelasting voor natuurlijke personen · Belastingheffing bij echtgenoot van gemeenschapsambtenaar"

(Zesde kamer)

Bij arrest van 12 juni 1998 heeft het Hof van Beroep te Brussel een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 13 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (hierna: "protocol").

Vander Zwalmen is in België onderworpen aan de personenbelasting. Zijn echtgenote is ambtenaar bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen en heeft haar fiscale woonplaats in België. Onbetwist is, dat haar beroepsinkomsten ingevolge artikel 13 van het protocol in België geheel zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting, zonder progressievoorbehoud.

Voor de belastingjaren 1991 en 1992 werd het voordeel van het huwelijksquotiënt aan de echtgenoten Vander Zwalmen niet meer toegekend, omdat zij als gevolg van de wet van 28 december 1990 fiscaalrechtelijk niet meer als gehuwd, maar als alleenstaanden moesten worden behandeld. Er werden dus twee afzonderlijke aanslagen gevestigd, en de belasting werd voor elk van hen vastgesteld op basis van hun eigen inkomsten en die van de kinderen, waarvan zij het wettelijk genot hadden.

Vander Zwalmen diende in 1992 en in 1993 bezwaarschriften in tegen de hem opgelegde aanslag personenbelasting en bijkomende belastingen. Op 22 mei 1995 werd zijn bezwaarschrift door de regionale directeur van de directe belastingen van Brussel II verworpen. Vander Zwalmen stelde daarop tegen deze uitspraak hoger beroep in voor het Hof van Beroep te Brussel.

Voor het Hof van Beroep betoogden verzoekers, dat de wetgever, door de gehuwden waarvan er één als ambtenaar van de Europese Gemeenschappen bij overeenkomst vrijgestelde beroepsinkomsten geniet van meer dan 270 000 BEF, welke niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de belasting op de andere inkomsten van het gezin, als alleenstaanden aan te merken en elk van beide echtgenoten afzonderlijk te belasten op basis van zijn eigen inkomsten en die van zijn kinderen waarvan hij het wettelijk genot heeft, via artikel 21 van de wet van 28 december 1990 een deel van de bij overeenkomst vrijgestelde inkomsten indirect belastte en aldus in strijd met artikel 13 van het protocol handelde.

In die omstandigheden besloot het Hof van Beroep te Brussel de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof een prejudiciële vraag te stellen.

Met het eerste onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 13 van het protocol zich ertegen verzet, dat een lidstaat die een belastingverlichting toekent aan gezinnen met één inkomen en gezinnen met twee inkomens waarvan het tweede lager is dan het geïndexeerde bedrag van 270 000 BEF, dit voordeel ontzegt aan gezinnen waarin een der echtgenoten de hoedanigheid bezit van ambtenaar of ander personeelslid van de Europese Gemeenschappen en een salaris ontvangt dat hoger is dan dat bedrag.

In de eerste plaats blijkt uit het dossier in het hoofdgeding, dat het voordeel van het huwelijksquotiënt niet wordt onthouden aan de echtgenoot die ambtenaar is en over wiens vrijgestelde inkomsten geen directe belasting wordt geheven, maar aan de andere echtgenoot, die geen ambtenaar is en waarvan niet wordt betwist dat hij aan de Belgische belastingwet is onderworpen.

Er zij aan herinnerd, dat artikel 13 van het protocol niet alleen geldt voor nationale belastingen die rechtstreeks zijn gebaseerd op de door de Gemeenschappen aan hun ambtenaren en overige personeelsleden betaalde salarissen, lonen en emolumenten, maar dat de vrijstelling zich ook uitstrekt tot iedere indirecte belasting.

De draagwijdte van het begrip "vrijgesteld van nationale belastingen", in de zin van artikel 13 van het protocol, moet worden onderzocht.

Ofschoon het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat een ambtenaar zwaarder wordt belast over zijn niet-vrijgestelde inkomsten omdat hij een salaris van de Gemeenschap ontvangt, verplicht artikel 13 van het protocol de lidstaten niet, aan ambtenaren dezelfde subsidies toe te kennen als aan rechthebbenden

in de zin van de betrokken nationale wettelijke bepalingen. Artikel 13 verlangt enkel, dat wanneer de daarin bedoelde personen aan bepaalde belastingen zijn onderworpen, zij in aanmerking moeten komen voor elk belastingvoordeel waarop belastingplichtigen normaal recht hebben, om te vermijden dat zij zwaarder zouden worden belast, doch deze bepaling schrijft geen voorkeursbehandeling voor.

Hieruit volgt, dat de voorwaarden die recht geven op een belastingvoordeel, op niet-discriminerende wijze moeten worden toegepast zowel op de rechthebbenden van gemeenschapsambtenaren als op alle overige belastingplichtigen.

Uit de in het hoofdgeding van toepassing zijnde bepalingen volgt echter, dat de Belgische belastingwetgeving aan de toekenning van het voordeel van het huwelijksquotiënt de objectieve voorwaarde verbindt, dat de echtgenoot van de belastingplichtige geen of slechts geringe beroepsinkomsten geniet, tot een geïndexeerd maximumbedrag van 270 000 BEF. Bij hogere beroepsinkomsten kan het voordeel van het huwelijksquotiënt niet worden toegekend en worden de echtgenoten afzonderlijk belast over hun inkomsten.

Dat de Belgische wetgever sinds 1990 de fictie hanteert, dat gehuwden als alleenstaanden zijn aan te merken indien een der echtgenoten krachtens het protocol vrijgestelde beroepsinkomsten heeft die hoger zijn dan 270 000 BEF, betekent niet, dat een extra voorwaarde is ingevoerd die in strijd is met artikel 13 van het protocol. De reden voor uitsluiting van het voordeel is immers niet gelegen in de hoedanigheid van gemeenschapsambtenaar met een salaris van meer dan 270 000 BEF; die uitsluiting vloeit voort uit de algemene voorwaarde die zonder onderscheid geldt zowel voor gehuwden wier echtgenoot ambtenaar is, als voor iedere andere belastingplichtige, namelijk de hoogte van de inkomsten die bepalend is voor het recht op het betrokken voordeel. Is aan die voorwaarde voldaan, dan kan de echtgenoot van de gemeenschapsambtenaar dus evengoed als ieder ander aan de Belgische belastingwet onderworpen persoon voor dit belastingvoordeel in aanmerking komen.

Met het tweede onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of een vergelijking nodig is van de fiscale consequenties van de status van alleenstaande met die van de status van gehuwde, om te kunnen uitmaken of de kwalificatie van alleenstaande in het onderhavige geval al dan niet toelaatbaar is.

Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel van de vraag, behoeft dit onderdeel van de vraag niet meer te worden beantwoord.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 13 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen verzet zich er niet tegen, dat een lidstaat die een belastingverlichting toekent aan gezinnen met één inkomen of met twee inkomens waarvan het tweede lager is dan het geïndexeerde bedrag van 270 000 BEF, dit voordeel ontzegt indien één der echtgenoten de hoedanigheid bezit van ambtenaar of ander personeelslid van de Europese Gemeenschappen en zijn salaris hoger is dan genoemd bedrag."

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 25 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 13 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, waarbij de vrijstelling wordt ingevoerd van nationale belastingen op de door de Gemeenschappen aan hun ambtenaren en personeelsleden betaalde salarissen, lonen en emolumenten, verzet zich ertegen, dat een nationale wet deze ambtenaren en personeelsleden of hun echtgenoten een belastingvermindering of -voordeel onthoudt, enkel omdat zij die inkomsten ontvangen of ten belope van een bepaald bedrag ontvangen. Deze conclusie is van toepassing op een nationale wet die om tot hetzelfde resultaat te komen, echtelieden (waarvan één dergelijke inkomsten ontvangt), als 'alleenstaand` en niet als 'gehuwd` beschouwt; aan de tegenspraak tussen het gemeenschapsrecht en deze bepaling wordt niet afgedaan door het feit dat de afzonderlijke belasting in bepaalde gevallen leidt tot een verlaging van het eindbedrag van de belasting."


Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-216/96

Conserve Italia Soc. Coop. arl (voorheen Massalombarda Colombani)/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

12 oktober 1999

"Landbouw · Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw · Intrekking van financiële steun · Verordening (EEG) nr. 355/77 · Verordening (EEG) nr. 4253/88 · Verordening (EEG) nr. 4256/88 · Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 · Beginsel van wettigheid van sanctie · Gewettigd vertrouwen · Misbruik van bevoegdheid · Evenredigheidsbeginsel · Motivering"

(Derde kamer)

(Nederlandse vertaling van het arrest nog niet beschikbaar)

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verstaat dat verzoekster haar eigen kosten alsmede die van verweerster zal dragen."


Zaak T-48/96

Acme Industry Co. Ltd/Raad van de Europese Unie

Handelspolitiek

12 oktober 1999

"Dumping · Artikel 2, lid 3, sub b, ii, en 2, lid 10, sub b, van verordening (EEG) nr. 2423/88 · Toepassing met terugwerkende kracht van verordening (EG) nr. 3283/94 · Aangenomen normale waarde · Vaststelling van V&AA-uitgaven en van winstmarge · Betrouwbaarheid van gegevens · Behandeling van invoerrechten en indirecte belastingen"

(Vijfde kamer · uitgebreid)

(Nederlandse vertaling van het arrest nog niet beschikbaar)

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst verzoekster in haar eigen kosten en in die van de Raad.

3) Verstaat dat de Commissie en de Franse Republiek hun eigen kosten zullen dragen."


Gevoegde zaken T-191/96 en T-106/97

CAS Succhi di Frutta SpA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

14 oktober 1999

"Gemeenschappelijk landbouwbeleid · Voedselhulp · Openbare inschrijving · Betaling aan opdrachtnemers bestaande uit andere dan de in het bericht van verkoop gepreciseerde vruchten"

(Tweede kamer)

(Nederlandse vertaling van het arrest nog niet beschikbaar)

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verklaart nietig beschikking C(96)2208 van de Commissie van 6 september 1996.

2) Verklaart het beroep in zaak T-106/97 niet-ontvankelijk.

3) Verwijst de Commissie in de kosten in zaak T-191/96; verstaat dat in zaak T-191/96 R elke partij haar eigen kosten zal dragen; verwijst verzoekster in de kosten van zaak T-106/97."


Zaak T-309/97

The Bavarian Lager Company Ltd/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Institutioneel recht

14 oktober 1999

"Doorzichtigheid · Toegang tot informatie · Besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom van de Commissie inzake de toegang tot documenten van de Commissie · Draagwijdte van de uitzondering betreffende de bescherming van het algemeen belang · Ontwerp van met redenen omkleed advies in het kader van artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG)"

(Vierde kamer)

Rechtskader

Op 6 december 1993 hechtten de Raad en de Commissie hun goedkeuring aan een gezamenlijke gedragscode betreffende de toegang van het publiek tot documenten van de Raad en de Commissie (hierna: "gedragscode").

Ter verzekering van de nakoming stelde de Commissie op 8 februari 1994 besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom inzake de toegang tot documenten van de Commissie (hierna: "besluit 94/90") vast.

De gedragscode bevat het volgende algemene beginsel:

"Het publiek zal zo ruim mogelijk toegang krijgen tot documenten die bij de Commissie en de Raad berusten. (...)"

De omstandigheden die door een instelling als grond voor afwijzing van een verzoek om toegang tot documenten kunnen worden ingeroepen, worden in de gedragscode omschreven.

De feiten

De verzoekende vennootschap is opgericht met als doel Duits bier te importeren voor verkoop in cafés en bars in het Verenigd Koninkrijk, hoofdzakelijk in het noorden van Engeland.

Verzoekster kon haar product evenwel niet verkopen, doordat een groot aantal cafés en bars in het Verenigd Koninkrijk gebonden zijn door exclusieve afnameovereenkomsten op grond waarvan zij hun bier moeten betrekken van bepaalde brouwerijen.

Krachtens de Britse regeling inzake levering van bier zijn de Britse brouwerijen, die een belang hebben in meer dan 2 000 pubs, evenwel gehouden de houders van die pubs de mogelijkheid te bieden, bier van een andere brouwerij te betrekken, mits het overeenkomstig artikel 7, lid 2, sub a, van deze Order is gefust en een alcohol-volumegehalte van meer dan 1,2 % heeft. Deze bepaling staat algemeen bekend als de "Guest Beer Provision" (hierna: "GBP").

Volgens deze Order is "bier op fust", "bier dat blijft gisten in het vat waaruit het voor consumptie wordt getapt". Het meeste buiten het Verenigd Koninkrijk geproduceerde bier wordt voor het eind van het brouwproces gefilterd, zodat het het niet meer gist wanneer het op vat wordt gedaan. Bijgevolg kan dit niet meer als "bier op fust" in de zin van de GBP worden beschouwd, zodat het niet onder de werkingssfeer ervan valt.

Van oordeel dat de GBP een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking oplevert, diende verzoekster een klacht in bij de Commissie.

Na haar onderzoek besloot de Commissie op 12 april 1995 een procedure krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) tegen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland in te leiden. Op 26 juni 1996 besloot de Commissie het Verenigd Koninkrijk een met redenen omkleed advies te doen toekomen en op 5 augustus 1996 maakte zij dit via een perscommuniqué bekend.

Op 15 maart 1997 kondigde het Ministerie van Handel en Industrie van het Verenigd Koninkrijk een ontwerp tot wijziging van de GBP aan, volgens welke flessenbier evenals bier op fust kon worden wederverkocht als bier van een andere oorsprong. De Commissie deelde verzoekster daarop bij brief van 21 april 1997 mede, dat de procedure van artikel 169 van het Verdrag in verband met de voorgestelde wijziging van de GBP was geschorst en dat het met redenen omkleed advies niet aan de regering van het Verenigd Koninkrijk was betekend. Hij wees erop, dat deze procedure zou worden beëindigd, zodra de gewijzigde GBP in werking trad. De nieuwe versie van de GBP trad in werking op 22 augustus 1997. Bijgevolg is het met redenen omkleed advies nooit aan het Verenigd Koninkrijk toegestuurd en heeft de Commissie ten slotte op 10 december 1997 besloten in de inbreukprocedure van verdere stappen af te zien.

Verzoeksters raadsman verzocht de directeur-generaal van het betrokken directoraat-generaal om een afschrift van het "met redenen omkleed advies" overeenkomstig de gedragscode. De directeur-generaal weigerde dit verzoek in te willigen.

Verzoeksters raadsman herhaalde zijn verzoek, dat opnieuw werd geweigerd.

Verzoekster diende daarop bij de secretaris-generaal van de Commissie een confirmatief verzoek in overeenkomstig de in de gedragscode geregelde procedure.

Bij brief van 18 september 1997 (hierna: "litigieuze beschikking") bevestigde de secretaris-generaal van de Commissie de afwijzing van het verzoek.

Ten gronde

Het enige middel: schending van besluit 94/90

Er zij aan herinnerd, dat besluit 94/90 beoogt uitvoering te geven aan het beginsel van een zo ruim mogelijke toegang van de burger tot informatie, teneinde het democratische karakter van de instellingen en het vertrouwen van het publiek in het bestuur te versterken.

In de door haar in haar besluit 94/90 goedgekeurde gedragscode worden evenwel twee categorieën van uitzonderingen op het algemeen beginsel van toegang van de burgers tot de documenten van de Commissie genoemd. De eerste categorie, waaronder de in casu door de Commissie aangevoerde uitzondering valt, is in de navolgende dwingende bewoordingen gesteld: "de instellingen weigeren de toegang tot een document als de verspreiding daarvan schade kan toebrengen (met name) aan de bescherming van het algemeen belang (openbare veiligheid, internationale betrekkingen, monetaire stabiliteit, gerechtelijke procedures, inspectie- en enquêteactiviteiten)".

De uitzonderingen op de toegang tot documenten moeten eng worden uitgelegd en toegepast.

In de litigieuze beschikking verklaart de Commissie, dat verspreiding van het met redenen omkleed advies "schade kan toebrengen aan de bescherming van het algemeen belang, in het bijzonder de inspectie- en enquêteactiviteiten van de Commissie".

Anders dat de Commissie stelt, vloeit uit de rechtspraak, met name het arrest van 5 maart 1997, WWF UK/Commissie (hierna: "arrest WWF"), evenwel niet voort, dat alle met niet-nakomingsprocedures verband houdende documenten door de uitzondering betreffende de bescherming van het algemeen belang worden gedekt. Volgens dit arrest rechtvaardigt de vertrouwelijkheid die de lidstaten in dergelijke gevallen van de Commissie mogen verwachten, uit hoofde van de bescherming van het algemeen belang, dat geen toegang wordt verleend tot documenten met betrekking tot onderzoeken die eventueel tot een niet-nakomingsprocedure zouden kunnen leiden, zelfs indien na sluiting van die onderzoeken geruime tijd is verstreken.

Dienaangaande zij vastgesteld, dat het document waartoe verzoekster toegang wenst te hebben, rechtens en feitelijk ten onrechte als een "met redenen omkleed advies" is gekwalificeerd. Het betrokken document is door de diensten van de Commissie opgesteld om als met redenen omkleed advies aan het Verenigd Koninkrijk te worden toegezonden. Vervolgens heeft de Commissie haar beslissing om het Verenigd Koninkrijk een met redenen omkleed advies te doen toekomen opgeschort en uiteindelijk is dit document nooit ondertekend door het bevoegde lid van de Commissie, noch is het aan deze lidstaat betekend. De krachtens artikel 169 van het Verdrag ingeleide procedure heeft dus niet de fase bereikt, waarin de Commissie een "met redenen omkleed advies" uitbrengt; dit document is louter een voorbereidend document gebleven.

Het vraagstuk van de toegang tot het onderhavige document moet bijgevolg worden onderzocht met inachtneming van het feit dat het om een voorbereidend document gaat, waarbij eraan zij herinnerd, dat volgens mededeling 94/C 67/03 van de Commissie van 4 maart 1994 inzake de verbeterde toegang tot documenten "eenieder (...) een verzoek kan indienen om toegang tot documenten van de Commissie, bijvoorbeeld documenten die betrekking hebben op de voorbereiding van initiatieven of relevant achtergrondmateriaal".

Aangezien het hier om een voorbereidend document ging en de Commissie ten tijde van het verzoek om toegang tot dit document haar beslissing om het met redenen omkleed advies uit te brengen had opgeschort, bevond de procedure krachtens artikel 169 van het Verdrag zich nog in de inspectie- en onderzoeksfase. Zoals het Gerecht in zijn arrest WWF heeft verklaard, mogen de lidstaten van de Commissie verwachten, dat zij de onderzoeken die eventueel tot een niet-nakomingsprocedure zouden kunnen leiden, vertrouwelijk afhandelt. Wanneer documenten betreffende de onderzoeksfase tijdens het overleg tussen de Commissie en de betrokken lidstaat worden openbaar gemaakt, zou namelijk het goede verloop van de niet-nakomingsprocedure kunnen worden belemmerd, aangezien afbreuk kan worden gedaan aan het doel ervan, namelijk de lidstaat in staat te stellen, zich vrijwillig te voegen naar de vereisten van het Verdrag, of hem in voorkomend geval de gelegenheid te bieden, zijn standpunt te rechtvaardigen. De

bescherming van dit doel rechtvaardigt uit hoofde van de bescherming van het algemeen belang, dat toegang wordt geweigerd tot een voorbereidend document betreffende de onderzoeksfase van de procedure krachtens artikel 169 van het Verdrag.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verstaat dat verzoekster, naast haar eigen kosten, verweersters kosten zal dragen.

3) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zal zijn eigen kosten dragen."


2. CONCLUSIES

Zaak C-196/98

R. V. Hepple e.a./Adjudication Officer

Prejudiciële verwijzing van de Social Security Commissioner · Uitlegging van art. 7 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid · Uitkering betaald ter compensatie van verlies van verdiencapaciteit als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte · Reduced earnings allowance · Uitkering gekoppeld aan pensioenleeftijd

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van het Hof van 12 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG moet aldus worden uitgelegd, dat de lidstaten als voorwaarde voor het recht op een uitkering als de Reduced Earnings Allowance (REA-toelage) als voorzien in de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten, verschillende leeftijdsgrenzen mogen stellen al naar gelang het geslacht, gekoppeld aan de voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijden. Dit verband en de verschillen die al naar het geslacht daaruit voortvloeien voor het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen moeten evenwel noodzakelijk zijn om de samenhang te waarborgen tussen de pensioen- en de invaliditeitsuitkeringenregeling. Deze samenhang bestaat indien de afwijking van de gelijke behandeling zonder meer het gevolg is van de verschillende pensioenleeftijden, in dier voege dat dit onderscheid niet kan worden gemaakt zonder de regeling inzake de invaliditeitsuitkeringen dienovereenkomstig te wijzigen, en bovendien evenredig is aan het resultaat dat zij beoogt te bereiken. Deze elementen staan ter beoordeling van de nationale rechter. Deze bevoegdheid kan bij wijze van uitzondering ook worden uitgeoefend om discriminerende bepalingen in te voeren die bij het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn niet bestonden, mits aan voornoemde voorwaarden is voldaan, en door tegelijkertijd, zo nodig, te voorzien in passende compensaties of wijzigingen in de berekeningswijze van de aanvullende invaliditeitsuitkering ten einde de gevolgen van de discriminerende bepalingen te neutraliseren. Ook in dat geval moet de nationale rechter de nodige

beoordelingen verrichten, dat wil zeggen vaststellen of er goede gronden voor de discriminerende bepalingen kunnen worden aangevoerd.

2) Indien de bepalingen inzake sociale zekerheid niet onder de werkingssfeer van de afwijking van artikel 7, lid 1, sub a, vallen en bij gebreke van een nationale regeling tot omzetting van de richtlijn, zijn de gediscrimineerde personen bevoegd zich voor een aanvullende invaliditeitsuitkering tot de nationale rechter te wenden krachtens artikel 119 EG-Verdrag (thans artikel 141 EG) en artikel 4, lid 1, van de richtlijn. Het bedrag van deze uitkering is gelijk aan het verschil tussen de waarde van de aan de referentiepersoon verschuldigde prestatie en die van de uitkering die volgens de nationale als onverenigbaar beschouwde bepalingen aan de gediscrimineerde persoon verschuldigd is. Onder aan de referentiepersoon verschuldigde uitkeringen moeten worden verstaan alle voordelen met betrekking tot de invaliditeitsuitkering, die krachtens de nationale wetgeving aan die persoon worden gewaarborgd. De nationale rechter moet deze referentiewaarde per geval bepalen."


Zaak C-138/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Groothertogdom Luxemburg

Niet-nakoming · Niet-vaststelling van de nodige bepalingen om te voldoen aan richtlijn 94/56/EG van de Raad van 21 november 1994 houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Derde kamer van 14 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 94/56/EG van de Raad van 21 november 1994 houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2) het Groothertogdom Luxemburg in de kosten te verwijzen."


Zaak C-251/98

C. BAARS jr./Inspecteur der Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Gorinchem

Prejudiciële verwijzing van het Gerechtshof te 's-Gravenhage · Uitlegging van de art. 6 en 52, alsmede van art. 73B en 73D EG-Verdrag (thans art. 12, 43, 56 en 58 EG) · Bepaling van nationaal recht inzake vermogensbelasting · Vrijstelling voor aanmerkelijk belang in onderneming, mits deze in betrokken lidstaat is gevestigd

Advocaat-generaal S. Alber heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 14 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) verzet zich tegen een bepaling in de wetgeving op de vermogensbelasting van een lidstaat die de verlening van een vrijstelling voor een aanmerkelijk belang in een vennootschap beperkt tot aandelen van in die lidstaat gevestigde vennootschappen.

Subsidiair:

2) De artikelen 73 B en 73 D EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 56 en 58 EG) moeten aldus worden uitgelegd, dat een fiscale bepaling van een lidstaat als bedoeld sub 1, daarmee onverenigbaar is."


Zaak C-47/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Groothertogdom Luxemburg

Niet-nakoming · Niet binnen gestelde termijn vaststellen van de maatregelen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 14 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2) het Groothertogdom Luxemburg te verwijzen in de kosten."


3. NIEUWE ZAKEN

Nieuwe zaken bij het Hof

Zaak C-259/99

K. Gluiber/Raad en Commissie

Hogere voorziening tegen beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 5 mei 1999 in zaak T-190/98 tussen K. Gluiber en Raad en Commissie, waarbij het Gerecht beroep T-190/98 kennelijk ongegrond heeft verklaard · Beroep tot vergoeding van schade die de Raad en de Commissie zouden hebben veroorzaakt door de gestelde onvolledige omzetting van een richtlijn door een lidstaat


Zaak C-260/99

Excelsior Snc di Pedrotti Bruna & C./Ente Autonomo Fiera Internazionale di Milano Ciftat Soc. coop.arl

Prejudiciële verwijzing van het Tribunale amministrativo regionale per la Lombardia · Uitlegging van art. 1, sub b, van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening · Begrip publiekrechtelijke instelling · Ente Autonomo Fiera Internazionale di Milano · Daaronder begrepen

Gevoegd met zaak C-233/99


Zaak C-261/99

Commissie/Frankrijk

Niet-nakoming · Verzuim om binnen de gestelde termijn de maatregelen te treffen die nodig zijn om de bij de beschikking van de Commissie van 4 november 1998 onwettig en met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun terug te vorderen van de begunstigde van die steun, "Nouvelles Filatures Lainière de Roubaix"


Zaak C-262/99

P. Louloudakis/Elliniko Dimosio (Helleense Staat)

Prejudiciële verwijzing van Trimeles Dioikitiko Protodikeio Irakleiou · Uitlegging van art. 7 van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap · Begrip "gewone verblijfplaats" · Onderdaan van twee lidstaten die in een van die staten werkzaam is als architect en handelsondernemer en in de andere lidstaat parallelle werkzaamheden begint · Vaststelling van strafmaatregelen


Zaak C-263/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Art. 52 en 59 EG-Verdrag (thans art. 43 EG en 49 EG) · Toegang tot de werkzaamheid van consultant inzake het verkeer van vervoermiddelen · Verblijfsvoorwaarde


Zaak C-264/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Art. 6, 52 en 59 EG-Verdrag (thans art. 12, 43 en 49 EG) · Werkzaamheid van expediteur · Nationale regeling die de inschrijving in het ondernemingenregister voorschrijft · Regeling die in strafsancties voorziet bij miskenning van deze voorwaarde


Zaak C-265/99

Commissie/Frankrijk

Niet-nakoming · Art. 95 EG-Verdrag (thans art. 90 EG) · Nationale regeling inzake motorrijtuigenbelasting · Formule voor berekening van administratief vermogen die ongunstig is voor bepaalde types van in andere lidstaten vervaardigde voertuigen · Voertuigen met handbediende versnellingsbakken met zes versnellingen of automatische met vijf versnellingen · Formule voor berekening van fiscaal vermogen van voertuigen die tussen 1 januari 1978 en 12 januari 1988 individueel zijn goedgekeurd en als gelijkwaardig aan een goedgekeurd type met een werkelijk vermogen van meer dan 100 kW worden erkend


Zaak C-266/99

Commissie/Frankrijk

Niet-nakoming · Verzuim de nodige maatregelen te nemen om te bewerkstelligen dat de kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor de productie van drinkwater, in overeenstemming is met de waarden die zijn vastgesteld krachtens art. 3 van richtlijn 75/440/EEG van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor productie van drinkwater in de lidstaten · Productie van drinkwater in Bretagne


Zaak C-267/99

C. Adam, echtgenote Urbing/Administration de l'enregistrement et des domaines

Prejudiciële verwijzing van het Tribunal d'arrondissement · Uitlegging van richtlijn 77/388/EEG (bijlage F, punt 2): Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting · Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag · Begrip "vrij beroep" · Luxemburgse beheerder van onroerende goederen in gemeenschappelijke eigendom


Zaak C-268/99

A. M. Jany e.a./Staatssecretaris van Justitie

Prejudiciële verwijzing van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage · Uitlegging van met Polen en de Tsjechische Republiek gesloten Europa-overeenkomsten · Vrijheid van vestiging · Begrip economische activiteit · Artikel 44 van Overeenkomst Polen en artikel 45 van Overeenkomst Tsjechië · Activiteiten van industriële, commerciële en ambachtelijke aard en van de vrije beroepen · Zelfstandige activiteit van prostitutie al dan niet daaronder begrepen · Mogelijkheid voor betrokken lidstaten minimumvoorwaarden te stellen voor erkenning van zelfstandige economische activiteit


Zaak C-269/99

Carl Kühne GmbH & Co. KG e.a./JÜTRO Konservenfabrik GmbH & Co. KG

Prejudiciële verwijzing van het Landgericht Hamburg · Geldigheid van verordening (EG) nr. 590/1999 van de Commissie van 18 maart 1999 waarbij de bijlage van verordening (EG) nr. 1107/96 betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van art. 17 van verordening (EEG) nr. 2081/92 · Beschermde geografische aanduiding "Spreewälder Gurken" · Rechtsgrondslag · Overschrijding van in art. 17 van verordening (EEG) nr. 2081/92 gestelde termijn voor vereenvoudigde procedure · Materiële voorwaarden voor gebruik van vereenvoudigde procedure (aanduiding waaromtrent geen betwisting bestaat) · Voorwaarden voor bescherming van geografische

aanduiding (product dat in aanmerking komt voor benaming van oorsprong; willekeurige afbakening van geografisch gebied)


Zaak C-270/99 P

Z/Parlement

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 4 mei 1999 in zaak T-242/97 tussen Z en Parlement, houdende verwerping van een beroep tot nietigverklaring van een tuchtmaatregel van terugzetting in rang · Overschrijding van de in art. 7 van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut gestelde termijnen voor het advies van de tuchtraad en het besluit van het TABG


Zaak C-271/99

Commissie/België

Niet-nakoming · Niet-omzetting binnen de gestelde termijn van richtlijn 95/71/EG van de Raad van 22 december 1995 houdende wijziging van de bijlage bij richtlijn 91/493/EEG tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van visserijproducten


Zaak C-272/99

Commissie/Luxemburg

Niet-nakoming · Nationale wettelijke regeling onverenigbaar met richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt


Zaak C-273/99 P

B. Connolly/Commissie

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 19 mei 1999 in zaak T-203/95 tussen B. Connolly en Commissie · Verwerping van het beroep tot nietigverklaring van het besluit waarbij verzoeker is geschorst (met inhouding van een deel van zijn salaris)


Zaak C-274/99 P

B. Connolly/Commissie

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 19 mei 1999 in de gevoegde zaken T-34/96 en T-163/96 tussen B. Connolly en Commissie houdende verwerping van een beroep tot nietigverklaring van, respectievelijk, het advies van de tuchtraad en het besluit houdende tuchtrechtelijk ontslag, alsmede van een beroep tot schadevergoeding · Publicatie zonder machtiging van het boek "The rotten heart of Europe" · Vrijheid van meningsuiting · Loyaliteitsplicht en waardigheid van het ambt


Zaak C-275/99

Adidas Sarragan France SARL/Directeur des services fiscaux du Bas-Rhin

Prejudiciële verwijzing van het Tribunal administratif de Strasbourg · Geldigheid van beschikking 89/487/EEG van de Raad van 28 juli 1989 waarbij de Franse Republiek wordt gemachtigd een van art. 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting afwijkende maatregel toe te passen · Evenredigheidsbeginsel


Zaak C-276/99

Duitsland/Commissie

Nietigverklaring van beschikking K(1999) 1123 def., gegeven in een procedure ingevolge art. 88 EGKS betreffende staatssteun van Duitsland aan Neue Maxhütte Stahlwerke AG · Wijze van terugvordering van met gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel · Verplichting vordering in rechte in te stellen voor gehele bedrag van terug te betalen steun, behoudens een "principevordering" · Verplichting opschortingsbeslisisng van nationale rechter aan te vechten in afwachting van beslissing van gemeenschapsrechter


Zaak C-277/99

D. Kaske/Landesgeschäftsstelle des Arbeitsmarktservice Wien

Prejudiciële verwijzing van het Verwaltungsgerichtshof · Uitlegging van de art. 39 e.v. EG · Uitlegging van de art. 6 en 7 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 en van het beginsel van het vrije verkeer van werknemers · Vervanging van tussen lidstaten (van Europese Economische Ruimte) bestaande bilaterale verdragen door de bepalingen van verordening nr. 1408/71 · Behoud van voordelen die voorheen voortvloeiden uit de gecombineerde toepassing van het nationaal recht en een bilateraal verdrag · Uitbreiding van de Rönfeldt-rechtspraak tot de werkloosheidsverzekering · Uitlegging van art. 39, lid 2, EG-Verdrag in het licht van een nationale wettelijke regeling die voor bepaalde situaties voorziet in een gunstigere regeling dan de regeling die voortvloeit uit de toepassing van verordening nr. 1408/71, maar die onrechtstreeks op de nationaliteit gebaseerde criteria hanteert


Zaak C-278/99

G. van der Burg

Prejudiciële verwijzing van de Hoge Raad der Nederlanden · Uitlegging van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften · "Technisch voorschrift" (art. 1 richtlijn) · Verbod handelsreclame voor niet-toegelaten zendinrichting · Voorwaarden voor niet-toepasselijkheid van niet bij Commissie aangemeld technisch voorschrift (feitelijke of potentiële handelsbelemmerende werking)


Gevoegde zaken C-279/99, C-293/99, C-296/99, C-330/99 en C-336/99

Petrolvilla & Bortolotti SpA e.a./Direzione delle Entrate per la Provincia di Trento e.a.

Prejudiciële verwijzing van de Commissione tributaria di primo grado di Trento · Uitlegging van de art. 7 en 10 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal · Belasting op nettovermogen van ondernemingen · Nationale regeling waarbij jaarlijkse belasting van 0,75 % wordt geheven over kapitaalinbreng als bestanddeel van nettovermogen zoals vastgesteld in jaarbalans · Kapitaalinbreng reeds belast met registratierecht van 1 %


Gevoegde zaken C-280/99 P, C-281/99 P en C-282/99 P

Moccia Irme SpA e.a./Commissie e.a.

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht (Derde kamer · uitgebreid) van 12 mei 1999 in de gevoegde zaken T-164/96, T-165/96, T-166/96, T-167/96, T-122/97 en T-130/97 tussen Moccia Irme SpA e.a. en Commissie · Weigering om beschikking C(96) 2385 def. van de Commissie van 30 juli 1996, waarin steun die de Italiaanse regering voornemens is aan een aantal Italiaanse ondernemingen te verlenen in het kader van de herstructurering van de ijzer- en staalsector, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, nietig te verklaren


Zaak C-283/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Art. 48, 52 en 59 EG-Verdrag (thans art. 39, 43 en 49 EG) · Nationaliteitsvoorwaarde voor de uitoefening van werkzaamheden in de sector particuliere beveiligingsdiensten


Zaak C-284/99

New Yorker SHK Jeans GmbH/Jaroslav Kupco

Prejudiciële verwijzing van het Landesgericht Korneuburg · Uitlegging van art. 1 van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden · Werkingssfeer · Goederen tegengehouden bij doorvoer uit een derde land naar een derde land · Houder van het betrokken merk is in de Gemeenschap gevestigd


Gevoegde zaken C-285/99 en C-286/99

Impresa Lombardini SpA - Impresa Generale di Costruzioni/Azienda Nazionale Autonoma delle Strade (ANAS), Società Italiana per Condotte d'Acqua

Impresa Ing. Mantovani SpA/Azienda Nazionale Autonoma delle Strade (ANAS), Ditta Paolo Bregoli

Prejudiciële verwijzing van de Consiglio di Stato · Uitlegging van art. 30, lid 4, van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken · Abnormaal lage inschrijvingen · Uitsluitingsvoorwaarden


Zaak C-287/99

Commissie/België

Niet-nakoming · Onvolledige omzetting van richtlijnen 89/369/EEG van de Raad van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging, en 89/429/EEG van de Raad van 21 juni 1989 ter vermindering van door bestaande installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging


Zaak C-288/99

vauDe Sport Albrecht von Dewitz/Oberfinanzdirektion Koblenz

Prejudiciële verwijzing van het Hessische Finanzgericht, Kassel · Uitlegging van verordening (EG) nr. 1359/95 van de Commissie van 13 juni 1995 tot wijziging van de bijlagen I en II van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 802/80 · Gemeenschappelijk douanetarief, posten 4202 9298 ("Rugzakken ... dergelijke bergingsmiddelen ...") en 6307 9099 ("... andere geconfectioneerde artikelen ...") · Uitlegging van algemene regel A.3.b · Gemengde producten · Kinderdraagzitje met aluminium draagstel en geconfectioneerd met synthetische vezels


Zaak C-289/99 P

Schiocchet SARL/Commissie

Hogere voorziening tegen beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 21 mei 1999 in de gevoegde zaken T-169/98 en T-170/98 tussen Schiocchet en Commissie, waarbij het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard beroepen tot nietigverklaring van een beschikking houdende ad-actalegging van een klacht als zouden de Franse autoriteiten verordening (EEG) nr. 684/92 van de Raad van 16 maart 1992 houdende gemeenschappelijke regels voor het internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen, verkeerd toepassen


Zaak C-290/99

Raad/M. Bangemann

Art. 157 EG-Verdrag (thans art. 213 EG), lid 1, derde alinea · Verval van pensioenrecht van ontslagnemend lid van de Commissie · Kiesheidsplicht inzake aanvaarding van bepaalde functies na beëindiging van ambt van lid van Commissie


Zaak C-291/99

Crossbow Srl/Ministero delle Finanze

Prejudiciële verwijzing van het Tribunale di Trieste · Uitlegging van art. 234 EG-Verdrag (thans art. 307 EG) · Uit overeenkomsten die aan EEG-Verdrag voorafgaan, voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van derde staten · Vredesverdrag van Parijs van 1947 · Douanevrije zone in haven van Triëst


Zaak C-292/99

Commissie/Frankrijk

Niet-nakoming · Gebrekkige omzetting van art. 7, lid 1, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG, van art. 6, lid 1, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen, en van art. 14 van richtlijn 94/627/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval


Zaak C-294/99

Athinaïki Zythopoiïa AE/Elliniko Dimosio (Helleense Staat)

Prejudiciële verwijzing van het Dioikitiko Protodikeio Athinon · Uitlegging van art. 5, lid 1, van richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten · Uitkering van winst door dochtermaatschappij aan moedermaatschappij · Vrijstelling van aan moedermaatschappijen van andere lidstaten uitgekeerde winsten van bronbelasting in lidstaat van dochtermaatschappij · Begrip inhouding van belasting aan de bron · Inaanmerkingneming in belastbaar inkomen van dochtermaatschappij, enkel in geval van uitkering van winst, van onbelaste of op bijzondere wijze belaste inkomsten


Zaak C-295/99

België/Commissie

Nietigverklaring van beschikking 1999/368/EG van de Commissie van 4 juni 1999 tot vaststelling van beschermende maatregelen met betrekking tot dioxineverontreiniging van voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde van runderen en varkens verkregen producten, van beschikking 1999/389/EG van de Commissie van 11 juni 1999 tot vaststelling van beschermende maatregelen met betrekking tot dioxineverontreiniging van voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde van runderen en varkens verkregen producten en houdende intrekking van beschikking 1999/368/EG en van beschikking 1999/449/EG van de Commissie van 9 juli 1999 tot vaststelling van beschermende maatregelen met betrekking tot dioxineverontreiniging van voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde sommige producten


Zaak C-297/99

Vehicle Inspectorate/Skills Motor Coaches Ltd e.a.

Prejudiciële verwijzing van de Magistrates' Court, Nottingham · Uitlegging van art. 15, leden 2 en 3, van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer · Begrippen "alle andere werktijden" en "de werkonderbrekingen en de dagelijkse rusttijden"


Zaak C-298/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Art. 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, art. 49 EG) · Onjuiste en/of onvolledige omzetting van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten


Zaak C-299/99

Philips Electronics NV/Remington Consumer Products Ltd

Prejudiciële verwijzing van de Court of Appeal · Uitlegging van art. 3, leden 1 en 3, art. 5, lid 1, en art. 6, lid 1, sub b, van richtlijn 89/104/EEG: Eerste richtlijn van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten · Tekens die een merk kunnen vormen · Teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar · Scheerapparaat met drie scheerkoppen


Zaak C-300/99 P

Area Cova SA e.a./Raad e.a.

Hogere voorziening tegen beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 8 juli 1999 in zaak T-194/95 tussen Area Cova e.a. en Raad · Beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1761/95 van de Raad van 29 juni 1995 houdende tweede wijziging van verordening (EG) nr. 3366/94 tot vaststelling, voor 1995, van bepaalde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het gereglementeerde gebied zoals omschreven in het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan · Beperking van de communautaire vangsten van zwarte heilbot overeengekomen met Canada · Vraag of bestreden verordening naar haar aard al dan niet een beschikking is


Zaak C-301/99 P

Area Cova SA e.a./Raad e.a.

Hogere voorziening tegen beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 8 juli 1999 in zaak T-12/96 tussen Area Cova e.a. en Raad en Commissie · Beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2565/95 van de Commissie van 30 oktober 1995 betreffende het beëindigen van de visserij op zwarte heilbot door vissersvaartuigen die de vlag voeren van een lidstaat · Vraag of bestreden verordening naar haar aard al dan niet een beschikking is


Zaak C-302/99 P

Commissie/Télévision française 1 SA (TF1), France

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht (Derde kamer · uitgebreid) van 3 juni 1999 in zaak T-17/96 tussen Télévision française 1 SA en Commissie, voor zover het Gerecht een beroep wegens nalaten tegen het verzuim van de Commissie om maatregelen te nemen op basis van art. 90 EG-Verdrag (thans art. 86 EG) ontvankelijk heeft verklaard


4. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

Wij wijzen u er nogmaals op, dat in de weekoverzichten nrs. 21/99 en 22/99 een mededeling is opgenomen over de nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen in teksten van het Hof en van het Gerecht.


(1)


1: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 15 oktober 1999

Catalogusnummer: DX-AC-99-0026-NL-C

Deel: ' Weekoverzicht Hof van Justitie en Gerecht eerste aanleg EU '




Lees ook