WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 20 tot 24 september 1999

nr. 23/99


I. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-67/96

Albany International BV/Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie

Mededinging

Zaak C-106/97

Dutch Antillian Dairy Industry Inc., Verenigde Douane-Agenten BV/Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees

Landbouw

Gevoegde zaken C-115/97, C-116/97 en C-117/97

Brentjens' Handelsonderneming BV/Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Handel in Bouwmaterialen

Mededinging

Zaak C-124/97

M. J. Läärä, Cotswold Microsystems Ltd, Oy Transatlantic Software Ltd/Kihlakunnansyyttäjä (Jyväskylä), Suomen valtio (Finse Staat)

Vrij verkeer van goederen

Zaak C-219/97

Maatschappij Drijvende Bokken BV/Stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven

Mededinging

Zaak C-307/97

Compagnie de Saint-Gobain, Zweigniederlassung Deutschland/Finanzamt Aachen-Innenstadt

Vrij verkeer van personen

Zaak C-378/97

F. A. Wijsenbeek

Vrij verkeer van personen

Zaak C-362/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

Sociale politiek

Zaak C-392/96

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland

Milieu en consumenten

Zaak C-397/96

Caisse de pension des employés privés/D. Kordel, R. Kordel, Frankfurter Allianz Versicherungs AG

Vrij verkeer van personen

Zaak C-44/98

BASF AG/Präsident des Deutschen Patentamts

Vrij verkeer van goederen

Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-98/98

T. Trigari-Venturin/Centre de traduction des organes de l'Union européenne

Ambtenarenstatuut

Zaak T-157/98

G. Oliveira/Europees Parlement

Ambtenarenstatuut

II. CONCLUSIES

Zaak C-411/98

A. Ferlini/Centre hospitalier de Luxembourg

Zaak C-7/98

D. Krombach/A. Bamberski

Zaak C-284/98 P

Europees Parlement/R. Bieber

Zaak C-348/97

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

Zaak C-176/98

Holst Italia SpA/Comune di Cagliari, Ruhrwasser AG International Water Management SpA

Zaak C-315/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

Zaak C-228/98

Charalampos Dounias/Ypourgou Oikonomikon

Zaak C-382/98

The Queen/Secretary of State for Social Security, ex parte: J. H. Taylor

III. NIEUWE ZAKEN

Nieuwe zaken bij het Hof

IV. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

1. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-67/96

Albany International BV/Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie

Mededinging

21 september 1999

Prejudiciële zaak

"Verplichte deelneming in bedrijfspensioenfonds · Verenigbaarheid met mededingingsregels · Kwalificatie van bedrijfspensioenfonds als onderneming"

(Voltallig Hof)

Bij vonnis van 4 maart 1996 heeft het Kantongerecht te Arnhem drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 85, 86 en 90 EG-Verdrag (thans artikelen 81 EG, 82 EG en 86 EG).

Die vragen zijn gerezen in een geschil tussen Albany International BV (hierna: "Albany") en de Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie (hierna: "Pensioenfonds") over de weigering van Albany het Pensioenfonds premies te betalen over het jaar 1989, op grond dat de verplichte deelneming in het Pensioenfonds, krachtens welke die premies van haar werden gevorderd, in strijd zou zijn met de artikelen 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g, EG), 85, 86 en 90 van het Verdrag.

Het hoofdgeding

Het Pensioenfonds is opgericht krachtens de BPW (Wet van 17 maart 1949 houdende vaststelling van een regeling betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds). De deelneming is verplicht gesteld bij besluit van de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid van 4 december 1975 (hierna: "Besluit verplichte deelneming").

Albany exploiteert een textielonderneming, die sinds 1975 in het Pensioenfonds deelneemt.

Tot 1989 was de pensioenregeling van het Pensioenfonds een vastebedragenregeling. Het aan de werknemers uitgekeerde pensioen was niet gerelateerd aan het loon, maar bestond voor alle werknemers in een vast bedrag. Omdat Albany deze regeling te mager vond, sloot zij in 1981 bij een verzekeringsmaatschappij een aanvullende regeling voor haar werknemers af, om te bereiken dat dezen, na 40 jaar te hebben gewerkt, recht zouden hebben op een totaalpensioen van 70 % van hun laatste loon.

Met werking vanaf 1 januari 1989 wijzigde het Pensioenfonds zijn pensioenregeling. Voortaan ontvingen de werknemers op grond van deze regeling eveneens 70 % van het laatste loon.

Na de wijziging van de pensioenregeling van het Pensioenfonds verzocht Albany vrijstelling van deelneming, welk verzoek op 28 december 1990 door het Pensioenfonds werd afgewezen.

Albany bracht tegen de beslissing van het Pensioenfonds bezwaar in bij de Verzekeringskamer. Op 18 maart 1992 oordeelde deze, dat het Pensioenfonds in casu niet verplicht was de gevraagde vrijstelling te verlenen, maar dat er aanleiding bestond het te verzoeken gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling, althans rekening te houden met een opzegtermijn, nu Albany reeds jarenlang een aanvullende pensioenregeling voor haar personeel had, die op zijn minst gelijkwaardig was aan de regeling die het Pensioenfonds op 1 januari 1989 had ingevoerd.

Het Pensioenfonds volgde het oordeel van de Verzekeringskamer niet en reikte aan Albany een dwangbevel uit tot betaling van 36 700,29 HFL, zijnde de reglementaire premies over 1989, vermeerderd met rente, incassokosten, buitengerechtelijke kosten en kosten van rechtsbijstand.

Albany deed tegen dit dwangbevel verzet bij het Kantongerecht te Arnhem, met name op grond dat het stelsel van verplichte deelneming in het Pensioenfonds in strijd was met de artikelen 3, sub g, 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 43 EG en 49 EG), 85, 86 en 90 van het Verdrag.

In die omstandigheden heeft het Kantongerecht te Arnhem de behandeling van de zaak geschorst en het Hof prejudiciële vragen gesteld.

De tweede vraag

Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden besproken, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de artikelen 3, sub g, van het Verdrag, 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) en 85 van het Verdrag in de weg staan aan een besluit van de overheid om, op verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak, de deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen.

Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen verbiedt welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben, dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

Vervolgens dient te worden bedacht, dat volgens artikel 3, sub g en i, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g en j, EG) het optreden van de Gemeenschap niet alleen "een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst", maar ook "een beleid op sociaal gebied". Artikel 2 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 2 EG) bepaalt immers, dat de Gemeenschap onder meer tot taak heeft "het bevorderen van een harmonische en evenwichtige ontwikkeling van de economische activiteit" en van "een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming".

Dienaangaande bepaalt artikel 118 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), dat de Commissie tot taak heeft tussen de lidstaten een nauwe samenwerking op sociaal gebied te bevorderen, met name op het terrein van het recht zich te organiseren in vakverenigingen en van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.

Artikel 118 B EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) voegt daaraan toe, dat de Commissie zich beijvert de dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau verder te ontwikkelen, hetgeen, als deze laatsten zulks wenselijk achten, tot contractuele betrekkingen kan leiden.

Voorts wordt in artikel 1 van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek verklaard, dat de Gemeenschap en de lidstaten zich onder meer ten doel stellen de verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

Overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek, kan de dialoog tussen de sociale partners op communautair niveau, indien de sociale partners zulks wensen, leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten, waarvan de tenuitvoerlegging geschiedt hetzij volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale partners en aan de lidstaten, hetzij, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie.

Hoewel een zekere mededingingsbeperkende werking eigen is aan collectieve overeenkomsten tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, zou de verwezenlijking van de met dergelijke overeenkomsten nagestreefde doelstellingen van sociale politiek ernstig worden belemmerd indien de sociale partners bij hun gezamenlijke inspanning de werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren, zich aan artikel 85, lid 1, van het Verdrag moesten houden.

Uit een nuttige en coherente uitlegging van de bepalingen van het Verdrag, gelezen in hun onderling verband, volgt derhalve, dat overeenkomsten die, met dergelijke doelstellingen, in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners worden gesloten, wegens hun aard en hun doel moeten worden geacht niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag te vallen.

Derhalve moet worden onderzocht, of aard en doel van de in geding zijnde overeenkomst rechtvaardigen dat deze buiten de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt.

In casu moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de in geding zijnde overeenkomst, juist zoals de categorie van bovenbedoelde, uit de sociale dialoog voortgekomen overeenkomsten, is gesloten in de vorm van een collectieve overeenkomst en het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties.

In de tweede plaats roept de in geding zijnde overeenkomst een aanvullende pensioenregeling voor een bepaalde bedrijfstak in het leven, beheerd door een pensioenfonds waarbij aansluiting verplicht kan worden gesteld. Een dergelijke regeling beoogt over het geheel genomen, aan alle werknemers in de bedrijfstak een bepaald pensioenniveau te verzekeren, en draagt daarmee rechtstreeks bij aan de verbetering van een van de arbeidsvoorwaarden van die werknemers, namelijk hun beloning.

Derhalve moet worden geconcludeerd, dat de in geding zijnde overeenkomst wegens haar aard en doel buiten de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt.

Vervolgens moet eraan worden herinnerd, dat artikel 85 van het Verdrag als zodanig slechts betrekking heeft op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de lidstaten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof evenwel verplicht artikel 85 van het Verdrag, gelezen in samenhang met artikel 5, de lidstaten, geen maatregelen, ook niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, te nemen of te handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken. Dit doet zich voor, wanneer een lidstaat de totstandkoming van met artikel 85 van het Verdrag strijdige mededingingsregelingen oplegt of stimuleert dan wel de werking ervan versterkt of aan zijn eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere marktdeelnemers over te dragen.

Daarbij moet worden opgemerkt, dat het verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties aan de overheid de aansluiting bij het door hen opgerichte pensioenfonds verplicht te stellen, past in een in verscheidene lidstaten bestaand stelsel voor de uitoefening van de regelgevende bevoegdheid op sociaal gebied. Aangezien de in geding zijnde overeenkomst niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt, zijn de lidstaten vrij die aansluiting verplicht te stellen voor personen die niet door de overeenkomst gebonden zijn.

Uit het voorgaande volgt, dat het besluit van de overheid de aansluiting bij een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen, niet valt in de categorie van regelgevende maatregelen die volgens de rechtspraak van het Hof afbreuk doen aan het nuttig effect van de artikelen 3, sub g, 5 en 85 van het Verdrag.

De eerste vraag

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een pensioenfonds dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, dat is opgericht bij collectieve overeenkomst tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak en waarin deelneming voor alle werknemers in de bedrijfstak door de overheid verplicht is gesteld, een onderneming is in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag.

Zoals het Hof in de context van het mededingingsrecht eerder vaststelde, omvat het begrip onderneming elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.

Voorts sloot het Hof organen die belast zijn met het beheer van bepaalde verplichte, op het solidariteitsbeginsel gebaseerde socialezekerheidsstelsels, van dat begrip uit. In het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering waarover het in die zaak moest oordelen, waren de uitkeringen immers voor alle aangeslotenen gelijk, doch waren de bijdragen evenredig aan het inkomen; in het stelsel van ouderdomsverzekering werd de financiering van de ouderdomspensioenen verzekerd door de actieve werknemers en waren de wettelijk vastgestelde pensioenrechten bovendien niet evenredig aan de aan het stelsel betaalde bijdragen; ten slotte droegen de stelsels met een overschot bij aan de financiering van stelsels met structurele financiële problemen. Voor deze solidariteit was noodzakelijk, dat de verschillende stelsels door één orgaan werden beheerd en dat de aansluiting bij die stelsels verplicht was.

Daarentegen verklaarde het Hof voor recht, dat een orgaan zonder winstoogmerk, dat is belast met het beheer van een als aanvulling van een verplicht basisstelsel bedoeld stelsel van ouderdomsverzekering, dat bij wet als facultatief stelsel is ingevoerd en, met inachtneming van de door de daartoe bevoegde autoriteiten vastgestelde bepalingen, met name inzake aansluitingsvoorwaarden, bijdragen en uitkeringen, werkt volgens het kapitalisatiebeginsel, een onderneming is in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag. De facultatieve deelneming, de toepassing van het kapitalisatiebeginsel en het feit dat de uitkeringen uitsluitend afhingen van de hoogte van de door de rechthebbenden betaalde premies en van de opbrengsten van de door het beheersorgaan verrichte beleggingen, betekenden dat dit orgaan een economische activiteit uitoefende en daarbij concurreerde met levensverzekeringsmaatschappijen.

In het licht van het voorgaande moet worden beoordeeld, of het begrip onderneming in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag betrekking heeft op een orgaan als het in deze zaak bedoelde bedrijfspensioenfonds.

Opgemerkt moet worden, dat het bedrijfspensioenfonds zelf de hoogte van de premies en de uitkeringen bepaalt en dat het werkt volgens het kapitalisatiebeginsel.

De hoogte van de door het Pensioenfonds verstrekte uitkeringen hangt derhalve af van de opbrengsten van zijn beleggingen, die evenals die van verzekeringsmaatschappijen onder toezicht staan van de Verzekeringskamer.

Voorts is een bedrijfspensioenfonds gehouden een onderneming vrij te stellen van de deelnemingsplicht, wanneer zij haar werknemers reeds ten minste zes maanden vóór de indiening van het verzoek naar aanleiding waarvan de deelneming aan het bedrijfspensioenfonds verplicht is gesteld, had verzekerd van een pensioenregeling die hen rechten verleent die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zij bij deelneming aan het bedrijfspensioenfonds zouden verwerven. Bovendien kan dit fonds ingevolge artikel 1 van de richtlijnen een onderneming vrijstelling verlenen wanneer deze haar werknemers een pensioenregeling verzekert die hen rechten verleent welke ten minste gelijkwaardig zijn aan die van het fonds, mits in geval

van uittreding uit het fonds een naar het oordeel van de Verzekeringskamer redelijke compensatie wordt geboden voor eventueel uit die uittreding voor het fonds voortvloeiend verzekeringstechnisch nadeel.

Dit betekent, dat een bedrijfspensioenfonds als waarom het in het hoofdgeding gaat, een economische activiteit verricht en daarbij met verzekeringsmaatschappijen concurreert.

In die omstandigheden zijn het ontbreken van winstoogmerk, alsmede de solidariteitsaspecten waarop het Pensioenfonds en de regeringen zich hebben beroepen, niet voldoende om het bedrijfspensioenfonds zijn hoedanigheid van onderneming in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag te ontnemen.

De derde vraag

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de artikelen 86 en 90 van het Verdrag eraan in de weg staan, dat de overheid een pensioenfonds een uitsluitend recht verleent in een bepaalde bedrijfstak een aanvullende pensioenregeling te beheren.

Allereerst moet erop worden gewezen, dat een besluit van de overheid om, zoals in casu, de deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen, noodzakelijkerwijs betekent, dat dit fonds het uitsluitend recht krijgt de voor de opbouw van pensioenrechten betaalde premies te innen en te beheren. Een dergelijk fonds moet dan ook worden beschouwd als een onderneming waaraan door de overheid uitsluitende rechten zijn verleend in de zin van artikel 90, lid 1, van het Verdrag.

Vervolgens moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een onderneming die op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een wettelijk monopolie bezit, kan worden geacht een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag in te nemen.

Een bedrijfspensioenfonds als het hier bedoelde, dat een uitsluitend recht heeft een aanvullende pensioenregeling te beheren in een tak van nijverheid in een lidstaat, dat wil zeggen op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, kan dan ook worden geacht een machtspositie in te nemen in de zin van artikel 86 van het Verdrag.

Daaraan moet echter worden toegevoegd, dat het enkele feit dat door het verlenen van uitsluitende rechten als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Verdrag een machtspositie wordt gecreëerd, niet onverenigbaar is met artikel 86 van het Verdrag. Een lidstaat handelt slechts in strijd met de in deze twee bepalingen vervatte verboden, wanneer de betrokken onderneming door de enkele uitoefening van de haar toegekende uitsluitende rechten misbruik van haar machtspositie maakt, of indien deze rechten een situatie kunnen creëren waarin die onderneming tot een dergelijk misbruik wordt gebracht.

Het Hof overwoog dat een lidstaat die een uitsluitend recht op het verrichten van arbeidsbemiddeling heeft verleend aan een openbaar bedrijf, inbreuk maakt op artikel 90, lid 1, van het Verdrag wanneer hij een situatie in het leven roept waarin handelen in strijd met artikel 86 van het Verdrag voor het betrokken bedrijf onontkoombaar is, met name omdat het klaarblijkelijk niet in staat is te voldoen aan de marktvraag naar dergelijke activiteiten.

In casu moet worden opgemerkt, dat het door het Pensioenfonds geboden aanvullende pensioen gebaseerd is op de huidige Nederlandse norm, namelijk dat de werknemer die gedurende de maximumtermijn premie aan de regeling heeft betaald, een pensioen inclusief AOW ontvangt van 70 % van zijn laatstverdiende loon.

Sommige ondernemingen in de bedrijfstak zouden hun werknemers wel een verdergaande pensioenregeling willen aanbieden dan die van het Pensioenfonds, maar dat kunnen zij niet, omdat zij het beheer van een dergelijke pensioenregeling niet bij één verzekeraar kunnen onderbrengen. De concurrentiebeperking die daarvan het gevolg is, is een rechtstreeks uitvloeisel van het aan het bedrijfspensioenfonds verleende uitsluitende recht.

Derhalve moet worden onderzocht, of het uitsluitend recht van het bedrijfspensioenfonds in een bedrijfstak de aanvullende pensioenen te beheren, en de concurrentiebeperking die daarvan het gevolg is, op grond van artikel 90, lid 2, van het Verdrag kunnen worden gerechtvaardigd als een maatregel die noodzakelijk is voor de vervulling van een aan dit fonds opgedragen bijzondere sociale taak van algemeen belang.

Allereerst zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 90, lid 2, van het Verdrag ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang onder de mededingingsregels vallen, voor zover de toepassing van die regels de vervulling, feitelijk of rechtens, van de hun opgedragen bijzondere taak niet verhindert.

Door onder bepaalde voorwaarden afwijkingen van de algemene verdragsregels toe te staan, beoogt artikel 90, lid 2, van het Verdrag het belang van de lidstaten om bepaalde ondernemingen, met name in de openbare sector, te benutten als instrument van economisch of sociaal beleid, te verzoenen met het belang van de Gemeenschap bij de naleving van de mededingingsregels en het behoud van de eenheid van de gemeenschappelijke markt.

Gelet op het aldus omschreven belang van de lidstaten kan hun niet worden verboden, dat zij bij hun definitie van de diensten van algemeen economisch belang waarmee zij bepaalde ondernemingen belasten, rekening houden met doelstellingen van hun nationaal beleid, en trachten deze te verwezenlijken door middel van verplichtingen en feitelijke beperkingen die zij aan die ondernemingen opleggen.

De in geding zijnde aanvullende pensioenregeling nu vervult een essentiële sociale functie in het pensioenstelsel in Nederland, zulks wegens de geringe hoogte van het aan het wettelijk minimumloon gekoppelde wettelijk pensioen.

Om de voorwaarden voor toepassing van artikel 90, lid 2, van het Verdrag als vervuld te kunnen beschouwen, is het bovendien niet noodzakelijk, dat het financiële evenwicht of de economische levensvatbaarheid van de met een dienst van algemeen economisch belang belaste onderneming wordt bedreigd. Het volstaat, dat de onderneming zonder de litigieuze rechten de haar opgedragen bijzondere taak, zoals die door de haar opgelegde verplichtingen en feitelijke beperkingen nader wordt bepaald, niet kan vervullen, of dat handhaving van die rechten noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen, de hem opgedragen taak van algemeen economisch belang onder economisch aanvaardbare omstandigheden te vervullen.

Hieruit volgt, dat indien het Pensioenfonds niet langer dat uitsluitend recht zou hebben, dit ertoe zou kunnen leiden, dat het de hem opgedragen taken van algemeen economisch belang niet meer op economisch aanvaardbare voorwaarden kan verrichten en dat zijn financieel evenwicht in gevaar komt.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) De artikelen 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g, EG), 5 en 85 EG-Verdrag (thans artikelen 10 EG en 81 EG) staan niet in de weg aan een besluit van de overheid om, op verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak, de aansluiting bij een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen.

2) Een pensioenfonds dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, dat is opgericht bij collectieve overeenkomst tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak en waarin deelneming voor alle werknemers in de bedrijfstak door de overheid verplicht is gesteld, is een onderneming in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag.

3) De artikelen 86 en 90 EG-Verdrag (thans artikelen 82 EG en 86 EG) staan er niet aan in de weg, dat de overheid een pensioenfonds een uitsluitend recht verleent in een bepaalde bedrijfstak een aanvullende pensioenregeling te beheren."

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van het Hof van 28 januari 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Het is niet in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, wanneer de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in een bedrijfstak overeenkomen gezamenlijk een bedrijfspensioenfonds op te richten en de autoriteiten gezamenlijk verzoeken de deelneming in het fonds verplicht te stellen voor alle bedrijfsgenoten.

2) Het is niet in strijd met de artikelen 5 en 85 van het Verdrag, wanneer een lidstaat op het gezamenlijk verzoek van de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers de deelneming in een bedrijfspensioenregeling voor alle ondernemingen in de bedrijfstak verplicht stelt.

3) De Nederlandse bedrijfspensioenfondsen zijn 'ondernemingen` in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag.

4) De artikelen 90, lid 1, en 86 van het Verdrag staan alleen dan in de weg aan regels betreffende de verplichte deelneming in bedrijfspensioenfondsen zoals de in Nederland bestaande, wanneer die fondsen als gevolg van de regelgeving en het besluit waarbij de deelneming verplicht wordt gesteld, kennelijk niet in staat zijn te voldoen aan de vraag en de afschaffing van de verplichte deelneming de verrichting van de aan de fondsen opgedragen diensten van algemeen belang niet zou verhinderen.

De artikelen 90, lid 1, en 86 van het Verdrag staan in de weg aan regels als de Nederlandse vrijstellingsrichtlijnen, voor zover daarbij de bedrijfspensioenfondsen de bevoegdheid wordt verleend discretionaire beslissingen te nemen op verzoeken om individuele ontheffing van de verplichte deelneming, welke beslissingen alleen marginaal getoetst worden.

5) Voor zover nationale regels in strijd worden geacht met de artikelen 90, lid 1, en 86 van het Verdrag, blijven zij buiten toepassing, behoudens een eventuele beperking die het Hof stelt aan de werking in de tijd van zijn arrest."


Zaak C-106/97

Dutch Antillian Dairy Industry Inc., Verenigde Douane-Agenten BV/Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees

Landbouw

21 september 1999

Prejudiciële zaak

"Associatie van landen en gebieden overzee · Invoer van boter van oorsprong uit Nederlandse Antillen · Gezondheidsvoorschriften voor producten op basis van melk · Artikelen 131 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 182 EG), 132 EG-Verdrag (thans artikel 183 EG), 136 en 227 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 187 EG en 299 EG) · Richtlijn 92/46/EEG · Beschikking 94/70/EG"

(Voltallig Hof)

Bij beschikking van 15 januari 1997 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van hoofdstuk III van richtlijn 92/46/EEG van de Raad, inzonderheid van artikel 23 daarvan, alsmede over de geldigheid van beschikking 94/70/EG van de Commissie van 31 januari 1994 tot vaststelling van een voorlopige lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk toestaan.

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschappen Dutch Antillian Dairy Industry Inc. (hierna: "DADI") en Verenigde Douane-Agenten BV (hierna: "Douane-Agenten"), enerzijds, en de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: "RVV") te Voorburg, anderzijds, betreffende de weigering van laatstgenoemde om de invoer in Nederland toe te staan van een partij boter afkomstig uit de Nederlandse Antillen, die behoren tot de landen en gebieden overzee (hierna: "LGO").

DADI, een op Curaçao (Nederlandse Antillen) gevestigde onderneming die zich bezighoudt met de productie en uitvoer van boter, verzond een partij boter met een nettogewicht van 25 850 kg van de Nederlandse Antillen naar Nederland.

De te Rotterdam gevestigde vennootschap Douane-Agenten bood deze partij ter inspectie aan bij de RVV, die de invoer ervan weigerde en aan Douane-Agenten een certificaat inzake de veterinaire controles van uit derde landen in de Gemeenschap ingevoerde producten deed toekomen. Op dat certificaat stond als reden van de weigering vermeld: "Curaçao niet toegestaan conform beschikking 94/70/EG".

DADI en Douane-Agenten dienden een bezwaarschrift in tegen dat besluit. Dit bezwaarschrift werd afgewezen bij besluit van de RVV van 21 juni 1995, waarbij de weigering van 31 januari 1995 werd bevestigd.

Op 10 juli 1995 gingen DADI en Douane-Agenten in beroep bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven en vorderden zij nietigverklaring van het besluit van de RVV van 21 juni 1995, alsmede vergoeding van de schade die zij meenden te hebben geleden.

Met hun beroep betwisten DADI en Douane-Agenten de wettigheid van het besluit waarbij de RVV de invoer heeft geweigerd. Daartoe hebben zij een reeks middelen en argumenten aangevoerd betreffende de niet-toepasselijkheid van richtlijn 92/46, die de rechtsgrondslag van beschikking 94/70 vormt, en betreffende de geldigheid van deze richtlijn in het licht van artikel 132, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 183, lid 1, EG) en van de artikelen 102 en 103 van besluit 91/482/EEG van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap (hierna: "LGO-besluit"). Zij betwisten voorts de geldigheid van zowel richtlijn 92/46 als beschikking 94/70. In het bijzonder met betrekking tot de richtlijn hebben zij aangevoerd, dat deze ongeldig is wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en van de artikelen 2, 4 en 5 van de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, die als bijlage 1 A is gehecht aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie.

Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof prejudiciële vragen voor te leggen.

De eerste vraag

In het eerste onderdeel vraagt de nationale rechter, of de bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 92/46, volgens welke voor de invoer van producten op basis van melk uit derde landen aan bepaalde gezondheidsvoorschriften moet worden voldaan, aldus moeten worden uitgelegd, dat zij van toepassing zijn op het in de Gemeenschap in de handel brengen van dergelijke producten van oorsprong uit de LGO, zoals de Nederlandse Antillen.

Richtlijn 92/46 heeft ten doel, voor · onder meer · producten op basis van melk gezondheidsvoorschriften vast te stellen teneinde een hoog beschermingsniveau van de volksgezondheid te garanderen.

Om dit doel te bereiken, stelt deze richtlijn regelen met betrekking tot zowel de communautaire productie, als de invoer in de Gemeenschap van producten uit derde landen, waarvoor daarnaast wordt vereist, dat zij aan sanitaire voorwaarden voldoen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in hoofdstuk II zijn vastgesteld voor de communautaire productie (artikelen 22-26).

Deze gelijkwaardigheidseis impliceert, dat de door richtlijn 92/46 beoogde bescherming van de gezondheid niet kan variëren naargelang de producten al dan niet een communautaire oorsprong hebben. Immers, zoals uit deze richtlijn volgt, moeten de in de richtlijn bedoelde producten dezelfde mate van bescherming op het stuk van de gezondheid van de mens bieden, ongeacht of zij van oorsprong zijn uit de Gemeenschap dan wel in de Gemeenschap worden ingevoerd.

Ook uit de algemene opzet van richtlijn 92/46 en uit de aard van de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen op het vlak van de volksgezondheid blijkt, dat de bepalingen van de richtlijn gelden voor alle daarin bedoelde producten die in de Gemeenschap worden geproduceerd of in de handel gebracht.

Uit het voorgaande volgt, dat de bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 92/46 gelden voor alle producten op basis van melk die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht, met inbegrip van de producten afkomstig uit een LGO, en dat het begrip "invoer uit derde landen" aldus moet worden verstaan, dat het ziet op elk binnen het grondgebied van de Gemeenschap brengen van dergelijke producten.

Er zij op gewezen, dat invoer in de Gemeenschap niet alleen kan plaatsvinden vanuit derde landen in eigenlijke zin, maar ook vanuit landen die met de Gemeenschap geassocieerd zijn. Ook al wordt een product in de Gemeenschap ingevoerd vanuit een LGO, dat ingevolge de artikelen 227, lid 3, en 131 tot en met 136 van het Verdrag, alsmede het LGO-besluit door een bijzondere regeling met de Gemeenschap geassocieerd is, het blijft invoer.

Voor het handelsverkeer tussen de LGO en de Gemeenschap kan immers zeker niet een regeling gelden die identiek is aan die welke het handelsverkeer tussen de lidstaten beheerst. Weliswaar geldt voor de associatie tussen de LGO en de Gemeenschap een bijzondere regeling, doch dit neemt niet weg dat het bij deze regeling gaat om een associatie, die tot stand moet worden gebracht volgens een dynamisch en geleidelijk proces. Het bestaan van een dergelijk, niet automatisch proces betekent dat de regeling die het handelsverkeer tussen de LGO en de Gemeenschap beheerst, fundamenteel verschilt van die welke ingevolge het Verdrag voor het handelsverkeer tussen de lidstaten geldt. Het intracommunautaire handelsverkeer wordt namelijk gevormd door transacties in het kader van de interne markt, terwijl op het handelsverkeer tussen de LGO en de Gemeenschap de invoerregeling van toepassing is.

Opgemerkt zij, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof artikel 43 van het Verdrag de passende rechtsgrondslag is voor elke regeling betreffende de productie en de afzet van de in bijlage II bij het Verdrag genoemde landbouwproducten, die bijdraagt tot de verwezenlijking van een of meer van de in artikel 39 van het Verdrag (thans artikel 33 EG) genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Zelfs indien deze regelingen zowel landbouwpolitieke doelstellingen trachten te verwezenlijken als andere doelstellingen, die op basis van andere bepalingen van het Verdrag worden nagestreefd, kan derhalve aan het bestaan van deze bepalingen geen argument worden ontleend om de werkingssfeer van artikel 43 van het Verdrag te beperken.

Richtlijn 92/46 eist enkel, dat in de Gemeenschap ingevoerde producten dezelfde mate van bescherming bieden als producten van communautaire oorsprong, en stelt daartoe andere, specifieke voorschriften vast. Het is dus niet zo, dat de richtlijn de voor de lidstaten geldende gezondheidsvoorschriften ook van toepassing verklaart op de LGO.

Om te gelden voor de invoer in de Gemeenschap van producten vanuit de LGO, behoeft richtlijn 92/46 dus niet krachtens het vierde deel van het Verdrag met zoveel woorden op de LGO van toepassing te zijn verklaard.

De bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 92/46, volgens welke voor de invoer van producten op basis van melk uit derde landen aan bepaalde gezondheidsvoorschriften moet worden voldaan, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij van toepassing zijn op het in de Gemeenschap in de handel brengen van dergelijke producten van oorsprong uit de LGO, zoals de Nederlandse Antillen.

Met het tweede onderdeel van de eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de voorschriften die zijn geformuleerd in hoofdstuk III, inzonderheid artikel 23, van richtlijn 92/46 geldig zijn in het licht van artikel 132, lid 1, van het Verdrag en de artikelen 102 en 103 van het LGO-besluit, wanneer zij van toepassing zijn op de invoer van producten op basis van melk van oorsprong uit de LGO, zoals de Nederlandse Antillen.

Opgemerkt zij, dat wanneer de voorschriften van artikel 23 van richtlijn 92/46 worden toegepast ten aanzien van de LGO, zij, gelet op artikel 132, lid 1, van het Verdrag en artikel 102 van het LGO-besluit, beperkingen van de invoer in de Gemeenschap tot gevolg hebben.

Noch artikel 132, lid 1, van het Verdrag, dat een impliciete verwijzing naar artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) bevat, noch artikel 102 van het LGO-besluit, dat moet worden gelezen in samenhang met artikel 103, lid 1, van dit besluit, vormt evenwel een beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid.

Om uit te maken, of een bepaling van gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid, moet worden nagegaan, of de door haar aangewende middelen geschikt zijn om het beoogde doel te verwezenlijken en of zij niet verder gaan dan daartoe nodig is.

Dat de gezondheidsvoorschriften en de regeling van hoofdstuk II van richtlijn 92/46 betreffende het handelsverkeer in het kader van de interne markt aan het evenredigheidsvereiste voldoen, is niet betwist. Deze regeling biedt de lidstaat van bestemming immers de garantie, dat de autoriteit die bevoegd is ter zake van de inspectie en de controle van zowel de inrichtingen als de producten in de lidstaat van oorsprong, zich inderdaad overeenkomstig de richtlijn van haar taken heeft gekweten.

Gelet op het doel van hoofdstuk III van richtlijn 92/46, dat blijkens de achtste overweging van de considerans inhoudt dat ten aanzien van in de Gemeenschap ingevoerde producten garanties op het stuk van de bescherming van de volksgezondheid worden geëist, die gelijkwaardig zijn aan die welke worden geboden door producten van communautaire oorsprong, zijn de middelen waarin genoemd hoofdstuk, inzonderheid artikel 23, voorziet, te weten de inschrijving op een lijst van de landen die naar de Gemeenschap exporteren, en de vereiste overlegging van een door de bevoegde autoriteit van het exporterende land ondertekend gezondheidscertificaat waarin wordt verklaard dat de producten op basis van melk aan de eisen van hoofdstuk II van de richtlijn voldoen, geschikt om dit doel te bereiken.

Een regeling waarbij ten aanzien van in de Gemeenschap ingevoerde producten garanties op het stuk van de bescherming van de volksgezondheid worden geëist, die gelijkwaardig zijn aan die welke worden geboden door producten van communautaire oorsprong, gaat ook niet verder dan ingevolge het evenredigheidsbeginsel is toegestaan. Er kan immers niet zonder enige controle van uit worden gegaan, dat de regelgeving en de sanitaire situatie van een derde land, en dus ook die van een naar de Gemeenschap exporterend LGO, van dien aard zijn, dat de bevoegde autoriteit in staat is, ten aanzien van de bescherming

van de volksgezondheid garanties te verstrekken die gelijkwaardig zijn aan die welke door de bevoegde autoriteit van een lidstaat worden gegeven.

De tweede en de derde vraag

Met zijn tweede en zijn derde vraag vraagt de nationale rechter in wezen, of artikel 23 van richtlijn 92/46 aldus moet worden uitgelegd, dat het van toepassing is op de invoer uit de LGO, ook al is de in deze richtlijn neergelegde regeling voor het handelsverkeer tussen de lidstaten niet metterdaad ingevoerd en zijn evenmin de lijsten van exporterende landen en van erkende inrichtingen overeenkomstig de in artikel 23 aangegeven methode opgesteld, alsmede of beschikking 94/70 geldig is.

Weliswaar voert richtlijn 92/47 een regeling in waarbij aan bepaalde inrichtingen in de Gemeenschap tijdelijke en beperkte afwijkingen op specifieke voorschriften van richtlijn 92/46 kunnen worden toegestaan, doch, zoals uit de vierde overweging van de considerans van richtlijn 92/47 blijkt, mag deze regeling niets afdoen aan het feit dat voor de productie en het in de handel brengen de bij richtlijn 92/46 vastgestelde hygiënevoorschriften blijven gelden.

Bovendien heeft het onderscheid tussen hoofdstuk III van richtlijn 92/46, dat de voorschriften voor de invoer in de Gemeenschap bevat, en hoofdstuk II, waarin de voor het intracommunautaire handelsverkeer geldende voorschriften zijn opgenomen, tot gevolg dat elk van deze hoofdstukken slechts van toepassing is op het daarin bedoelde handelsverkeer. Bijgevolg kan de toepassing van hoofdstuk III, inzonderheid artikel 23, van deze richtlijn niet afhankelijk zijn van de voorafgaande invoering van de in hoofdstuk II neergelegde regeling voor het handelsverkeer tussen de lidstaten.

Aangezien hoofdstuk III van richtlijn 92/46, zoals in punt 54 van dit arrest is vastgesteld, beoogt te verzekeren, dat in de Gemeenschap ingevoerde producten op basis van melk voldoen aan eisen op het gebied van de volksgezondheid die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in hoofdstuk II voor de communautaire productie zijn geformuleerd, blijkt derhalve noch uit richtlijn 92/47, noch uit artikel 23 van richtlijn 92/46, dat de regeling betreffende de invoer in de Gemeenschap pas kan worden toegepast nadat eerst de regeling voor het handelsverkeer tussen de lidstaten is ingevoerd.

Er zij aan herinnerd, dat volgens artikel 23, lid 2, van richtlijn 92/46 in de Gemeenschap alleen producten op basis van melk mogen worden ingevoerd, die afkomstig zijn uit een land dat voorkomt op de in artikel 23, lid 3, sub a, bedoelde voorlopige lijst, en die vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat overeenkomstig een op te stellen model, dat is ondertekend door de bevoegde autoriteit van het exporterende land. Artikel 23, lid 3, sub a, tweede alinea, bepaalt de methode volgens welke de lijst van exporterende derde landen moet worden opgesteld, en geeft aan, dat daarbij moet worden uitgegaan van de lijsten van de door de bevoegde autoriteiten erkende en geïnspecteerde inrichtingen.

De voorlopige lijst van derde landen is niet vastgesteld aan de hand van de lijsten van de door de bevoegde autoriteiten erkende en geïnspecteerde inrichtingen die melk of producten op basis van melk produceren. Zoals DADI en de regering van de Nederlandse Antillen opmerken, blijkt uit de bewoordingen van beschikking 94/70, inzonderheid uit de derde overweging van de considerans daarvan, dat genoemde lijst is opgesteld aan de hand van de lijst in de bijlage bij beschikking 79/542, dat wil zeggen een lijst die voor andere producten is opgesteld.

Opgemerkt zij, dat artikel 23, lid 3, sub a, tweede alinea, van richtlijn 92/46 niet bepaalt, dat de lijst van derde landen kan worden opgesteld volgens een andere methode dan aan de hand van door de bevoegde autoriteiten erkende en geïnspecteerde inrichtingen. Bijgevolg kan de Commissie niet een andere methode volgen dan in de richtlijn is aangegeven.

Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 23, lid 4, van richtlijn 92/46, volgens hetwelk deskundigen van de Commissie en van de lidstaten controles ter plaatse moeten verrichten om na te gaan, of de door de derde landen geboden garanties gelijkwaardig zijn aan die welke voor de communautaire productie gelden.

De in de bijlage bij beschikking 79/542 opgenomen lijst van derde landen biedt weliswaar garanties ten aanzien van runderen, varkens en vers vlees, maar met deze lijst kan niet worden verzekerd, dat aan de eisen op het gebied van de bescherming van de volksgezondheid ook wordt voldaan door andere producten, zoals melk en producten op basis van melk, ten aanzien waarvan artikel 23, lid 4, van de richtlijn bepaalt, dat de inrichtingen van de derde landen ter plaatse moeten worden geïnspecteerd. Vaststaat evenwel, dat de in de bijlage bij beschikking 79/542 opgenomen lijst van derde landen niet is opgesteld op basis van controles die zijn uitgevoerd bij de inrichtingen die melk of producten op basis van melk produceren.

Aangezien de Commissie niet de bij richtlijn 92/46 voorgeschreven methode voor de vaststelling van de in artikel 23, lid 3, sub a, genoemde lijst van derde landen heeft gevolgd, is beschikking 94/70 dan ook niet rechtsgeldig vastgesteld.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) De bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 92/46/EEG van de Raad van 16 juni 1992 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk, volgens welke voor de invoer van producten op basis van melk uit derde landen aan bepaalde gezondheidsvoorschriften moet worden voldaan, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij van toepassing zijn op het in de Gemeenschap in de handel brengen van dergelijke producten van oorsprong uit de landen en gebieden overzee, zoals de Nederlandse Antillen.

2) Bij onderzoek van de voorschriften van hoofdstuk III, inzonderheid artikel 23, van richtlijn 92/46 is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten, wat artikel 132, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 183, lid 1, EG) en de artikelen 102 en 103 van besluit 91/482/EEG van de Raad van 25 juli 1991 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap betreft.

3) Artikel 23 van richtlijn 92/46 moet aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op de invoer uit de landen en gebieden overzee, ook al is de in deze richtlijn neergelegde regeling voor het handelsverkeer tussen de lidstaten niet metterdaad ingevoerd en zijn evenmin de lijsten van exporterende landen en van erkende inrichtingen overeenkomstig de in artikel 23 aangegeven methode opgesteld. Aangezien dergelijke lijsten niet rechtsgeldig overeenkomstig de in genoemde bepaling aangegeven methode zijn vastgesteld, is beschikking 94/70/EG van de Commissie van 31 januari 1994 tot vaststelling van een voorlopige lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk toestaan, ongeldig."

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van het Hof van 15 september 1998 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"De invoer in de Gemeenschap van boter, afkomstig uit de landen en gebieden overzee, die zijn vermeld in bijlage IV bij het Verdrag, en met name de Nederlandse Antillen, valt niet binnen de werkingssfeer van hoofdstuk III van richtlijn 92/46/EEG van de Raad van 16 juni 1992 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk, maar wordt geregeld door de bepalingen van besluit 91/482 van de Raad van 25 juli 1991 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap."


Gevoegde zaken C-115/97, C-116/97 en C-117/97

Brentjens' Handelsonderneming BV/Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Handel in Bouwmaterialen

Mededinging

21 september 1999

Prejudiciële zaak

"Verplichte deelneming in bedrijfspensioenfonds · Verenigbaarheid met mededingingsregels · Kwalificatie van bedrijfspensioenfonds als onderneming"

(Voltallig Hof)

Bij drie vonnissen van 18 maart 1997 heeft het Kantongerecht te Roermond vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g, EG), 5, 85, 86 en 90 EG-Verdrag (thans artikelen 10 EG, 81 EG, 82 EG en 86 EG).

Die vragen zijn gerezen in drie gedingen tussen Brentjens' Handelsonderneming BV (hierna: "Brentjens") en de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Handel in Bouwmaterialen (hierna: "Pensioenfonds") over de weigering van Brentjens het Pensioenfonds premies te betalen over de drie tijdvakken 1990-1994, 1995 en 1996, op grond dat de verplichte deelneming in het Pensioenfonds, krachtens welke die premies van haar werden gevorderd, in strijd zou zijn met de artikelen 3, sub g, 5, 85, 86 en 90 van het Verdrag.

De hoofdgedingen

Het Pensioenfonds is in 1958 krachtens de BPW opgericht. Bij besluit van 28 juni 1958 (hierna: "Besluit verplichte deelneming") heeft de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid de deelneming verplicht gesteld voor werknemers van 23 tot en met 64 jaar die werkzaam zijn in een onderneming welke zich uitsluitend of hoofdzakelijk bezighoudt met de groothandel in bouwmaterialen en aanverwante artikelen.

Het door het Pensioenfonds geboden pensioen is gebaseerd op de huidige Nederlandse norm, namelijk dat de werknemer die gedurende de maximale termijn premie aan de regeling heeft betaald, een pensioen inclusief AOW zal ontvangen van 70 % van zijn laatste loon.

In 1968 heeft Brentjens voor haar werknemers een pensioenverzekering afgesloten bij een Nederlandse particuliere verzekeringsmaatschappij, de Levensverzekerings Maatschappij de Nederlanden van 1870 (later genaamd Generali Levensverzekeringsmaatschappij; hierna: "Generali").

Nadat het Pensioenfonds het bestaan van Brentjens gewaar was geworden, sloot het de onderneming met ingang van 1 januari 1990 aan bij zijn pensioenregeling. Het verleende Brentjens vrijstelling van de premies over de periode vóór haar deelneming, waarmee haar pensioenvoorziening voor de periode van 1963 tot 1 januari 1990 werd gerespecteerd.

Volgens Brentjens was de met Generali getroffen regeling gunstiger dan die van het Pensioenfonds, zowel wat de tarieven betreft als ten aanzien van de dekking, en zij verzocht daarom vrijstelling van de verplichte deelneming. Dit verzoek werd door het Pensioenfonds afgewezen. Het door Brentjens tegen deze beslissing ingebrachte bezwaar werd door de Verzekeringskamer afgewezen.

Op 13 mei 1996 vaardigde het Pensioenfonds tegen Brentjens drie dwangbevelen uit voor de verschuldigde premies, het eerste voor de periode 1990-1994, het tweede voor 1995 en het derde voor 1996. Brentjens kwam tegen deze dwangbevelen in verzet in drie afzonderlijke procedures voor het Kantongerecht te Roermond. Tevens dienden Brentjens, Generali en de onderneming Assicurazioni Generali SpA, gevestigd te Triëst (Italië), bij de Commissie een klacht in tegen het Koninkrijk der Nederlanden en het Pensioenfonds wegens schending van de artikelen 3, sub g, en 5 van het Verdrag, 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 43 EG en 49 EG), 85, 86 en 90 van het Verdrag.

Voor het Kantongerecht stelde Brentjens met name, dat de verplichte deelneming in het Pensioenfonds strijdig was met het communautaire mededingingsrecht.

Het Kantongerecht te Roermond heeft de behandeling van de zaken geschorst en het Hof prejudiciële vragen gesteld.

De eerste vraag

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het besluit van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde bedrijfstak in het kader van een collectieve overeenkomst, om in die bedrijfstak één bedrijfspensioenfonds op te richten dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, en de overheid te verzoeken de deelneming in dit fonds voor alle werknemers in die bedrijfstak verplicht te stellen, in strijd is met artikel 85 van het Verdrag.

Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen verbiedt welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben, dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

Vervolgens dient te worden bedacht, dat volgens artikel 3, sub g en i, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g en j, EG) het optreden van de Gemeenschap niet alleen "een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst", maar ook "een beleid op sociaal gebied". Artikel 2 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 2 EG) bepaalt immers, dat de Gemeenschap onder meer tot taak heeft "het bevorderen van een harmonische en evenwichtige ontwikkeling van de economische activiteit" en van "een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming".

Uit een nuttige en coherente uitlegging van de bepalingen van het Verdrag, gelezen in hun onderling verband, volgt derhalve, dat overeenkomsten die, met dergelijke doelstellingen, in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners worden gesloten, wegens hun aard en hun doel moeten worden geacht niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag te vallen.

Derhalve moet worden onderzocht, of aard en doel van de in geding zijnde overeenkomst rechtvaardigen dat deze buiten de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt.

In casu moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de in geding zijnde overeenkomst, juist zoals de categorie van bovenbedoelde overeenkomsten, is gesloten in de vorm van een collectieve overeenkomst en het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties.

Wat, in de tweede plaats, het doel ervan betreft, roept de in geding zijnde overeenkomst een aanvullende pensioenregeling voor een bepaalde bedrijfstak in het leven, beheerd door een pensioenfonds waarbij aansluiting verplicht kan worden gesteld. Een dergelijke regeling beoogt over het geheel genomen, aan alle werknemers in de bedrijfstak een bepaald pensioenniveau te verzekeren, en draagt daarmee rechtstreeks bij aan de verbetering van een van de arbeidsvoorwaarden van die werknemers, namelijk hun beloning.

Derhalve moet worden geconcludeerd, dat de in geding zijnde overeenkomst wegens haar aard en doel buiten de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt.

De tweede vraag

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de artikelen 3, sub g, 5 en 85 van het Verdrag in de weg staan aan een besluit van de overheid om, op verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak, de deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen.

Zoals het Hof overwoog, heeft artikel 85 van het Verdrag als zodanig slechts betrekking op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de lidstaten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof evenwel verplicht artikel 85 van het Verdrag, gelezen in samenhang met artikel 5, de lidstaten, geen maatregelen, ook niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, te nemen of te handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken. Dit doet zich volgens diezelfde rechtspraak voor, wanneer een lidstaat de totstandkoming van met artikel 85 van het Verdrag strijdige mededingingsregelingen oplegt of stimuleert dan wel de werking ervan versterkt of aan zijn eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere marktdeelnemers over te dragen.

Het verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties aan de overheid de aansluiting bij het door hen opgerichte pensioenfonds verplicht te stellen, past in een in verscheidene lidstaten bestaand stelsel voor de uitoefening van de regelgevende bevoegdheid op sociaal gebied. Aangezien de in geding zijnde overeenkomst blijkens het antwoord op de eerste vraag niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt, zijn de lidstaten vrij die aansluiting verplicht te stellen voor personen die niet door de overeenkomst gebonden zijn.

Artikel 4, lid 2, van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek, bevestigt overigens op communautair niveau uitdrukkelijk, dat de sociale partners gezamenlijk de Raad kunnen verzoeken om tenuitvoerlegging van sociale overeenkomsten.

Het besluit van de overheid de deelneming aan een dergelijk pensioenfonds verplicht te stellen, is dus niet te beschouwen als een handeling die de totstandkoming van met artikel 85 van het Verdrag strijdige mededingingsregelingen oplegt of stimuleert dan wel de werking ervan versterkt.

Uit het voorgaande volgt, dat het besluit van de overheid de aansluiting bij een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen, niet valt in de categorie van regelgevende maatregelen die volgens de rechtspraak van het Hof afbreuk doen aan het nuttig effect van de artikelen 3, sub g, 5 en 85 van het Verdrag.

De derde vraag

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of een pensioenfonds dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, dat is opgericht bij collectieve overeenkomst tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak en waarin deelneming voor alle

werknemers in de bedrijfstak door de overheid verplicht is gesteld, een onderneming is in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag.

In de eerste plaats heeft de verplichte aansluiting van alle werknemers in een bepaalde bedrijfstak bij een aanvullende pensioenregeling een belangrijke sociale functie in het Nederlandse pensioenstelsel, wegens het bijzonder lage wettelijke pensioen, dat aan het wettelijk minimumloon gekoppeld is. Wanneer bij collectieve overeenkomst een aanvullende pensioenregeling in een bij wet geregeld kader wordt ingesteld en de aansluiting bij die regeling door de overheid verplicht wordt gesteld, is deze regeling een onderdeel van het Nederlandse stelsel van sociale bescherming en moet het met het beheer ervan belaste bedrijfspensioenfonds worden geacht mee te werken aan het beheer van de openbare dienst der sociale zekerheid.

In de tweede plaats heeft het bedrijfspensioenfonds geen winstoogmerk. Bovendien mogen de premies niet beneden een bepaald niveau komen, teneinde adequate reserves te kunnen vormen, en om het ontbreken van winststreven te garanderen, mogen zij niet hoger zijn dan een bepaald maximum, dat door de sociale partners en de Verzekeringskamer wordt gewaarborgd. De ontvangen premies worden weliswaar volgens het kapitalisatiestelsel belegd, maar deze beleggingen staan onder toezicht van de Verzekeringskamer en moeten plaatsvinden in overeenstemming met de PSW en de statuten van het Pensioenfonds.

In de derde plaats functioneert het Pensioenfonds op basis van solidariteit. Deze komt tot uiting in de verplichting alle werknemers zonder voorafgaand medisch onderzoek te accepteren, de voortzetting van de pensioenopbouw met premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, de overname door het Pensioenfonds van de achterstallige premies bij faillissement van de werkgever, en de indexatie van de pensioenen voor het behoud van hun waardevastheid.

Zoals het Hof in de context van het mededingingsrecht eerder vaststelde, omvat het begrip onderneming elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.

Voorts sloot het Hof organen die belast zijn met het beheer van bepaalde verplichte, op het solidariteitsbeginsel gebaseerde socialezekerheidsstelsels, van dat begrip uit. In het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering waarover het in die zaak moest oordelen, waren de uitkeringen immers voor alle aangeslotenen gelijk, doch waren de bijdragen evenredig aan het inkomen; in het stelsel van ouderdomsverzekering werd de financiering van de ouderdomspensioenen verzekerd door de actieve werknemers en waren de wettelijk vastgestelde pensioenrechten bovendien niet evenredig aan de aan het stelsel betaalde bijdragen; ten slotte droegen de stelsels met een overschot bij aan de financiering van stelsels met structurele financiële problemen. Voor deze solidariteit was noodzakelijk, dat de verschillende stelsels door één orgaan werden beheerd en dat de aansluiting bij die stelsels verplicht was.

Daarentegen verklaarde het Hof voor recht, dat een orgaan zonder winstoogmerk, dat is belast met het beheer van een als aanvulling van een verplicht basisstelsel bedoeld stelsel van ouderdomsverzekering, dat bij wet als facultatief stelsel is ingevoerd en, met inachtneming van de door de daartoe bevoegde autoriteiten vastgestelde bepalingen, met name inzake aansluitingsvoorwaarden, bijdragen en uitkeringen, werkt volgens het kapitalisatiebeginsel, een onderneming is in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag.

In het licht van het voorgaande moet worden beoordeeld, of het begrip onderneming in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag betrekking heeft op een orgaan als het in deze zaak bedoelde bedrijfspensioenfonds.

Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het bedrijfspensioenfonds zelf de hoogte van de premies en de uitkeringen bepaalt en dat het werkt volgens het kapitalisatiebeginsel.

Anders dan de uitkeringen die werden verstrekt door de organen belast met het beheer van de verplichte stelsels van sociale zekerheid, hangt de hoogte van de door het Pensioenfonds verstrekte uitkeringen derhalve af van de opbrengsten van zijn beleggingen, die evenals die van verzekeringsmaatschappijen onder toezicht staan van de Verzekeringskamer.

Voorts is een bedrijfspensioenfonds blijkens artikel 5 BPW en de artikelen 1 en 5 van de vrijstellingsrichtlijnen gehouden een onderneming vrij te stellen van de deelnemingsplicht, wanneer zij haar werknemers reeds ten minste zes maanden vóór de indiening van het verzoek naar aanleiding waarvan de deelneming aan het bedrijfspensioenfonds verplicht is gesteld, had verzekerd van een pensioenregeling die hen rechten verleent die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zij bij deelneming aan het bedrijfspensioenfonds zouden verwerven.

Dit betekent, dat een bedrijfspensioenfonds als waarom het in de hoofdgedingen gaat, een economische activiteit verricht en daarbij met verzekeringsmaatschappijen concurreert.

De vierde vraag

Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 86 en 90 van het Verdrag eraan in de weg staan, dat de overheid een pensioenfonds een uitsluitend recht verleent in een bepaalde bedrijfstak een aanvullende pensioenregeling te beheren.

Allereerst moet erop worden gewezen, dat een besluit van de overheid om, zoals in casu, de deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen, noodzakelijkerwijs betekent, dat dit fonds het uitsluitend recht krijgt de voor de opbouw van pensioenrechten betaalde premies te innen en te beheren. Een dergelijk fonds moet dan ook worden beschouwd als een onderneming waaraan door de overheid uitsluitende rechten zijn verleend in de zin van artikel 90, lid 1, van het Verdrag.

Vervolgens moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een onderneming die op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een wettelijk monopolie bezit, kan worden geacht een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag in te nemen.

Een bedrijfspensioenfonds als het hier bedoelde, dat een uitsluitend recht heeft een aanvullende pensioenregeling te beheren in een tak van nijverheid in een lidstaat, dat wil zeggen op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, kan dan ook worden geacht een machtspositie in te nemen in de zin van artikel 86 van het Verdrag.

Daaraan moet echter worden toegevoegd, dat het enkele feit dat door het verlenen van uitsluitende rechten als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Verdrag een machtspositie wordt gecreëerd, als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 86 van het Verdrag. Een lidstaat handelt slechts in strijd met de in deze twee bepalingen vervatte verboden, wanneer de betrokken onderneming door de enkele uitoefening van de haar toegekende uitsluitende rechten misbruik van haar machtspositie maakt, of indien deze rechten een situatie kunnen creëren waarin die onderneming tot een dergelijk misbruik wordt gebracht.

Derhalve moet worden onderzocht, of, zoals het Pensioenfonds, de Nederlandse regering en de Commissie betogen, het uitsluitend recht van het bedrijfspensioenfonds in een bedrijfstak de aanvullende pensioenen te beheren, en de concurrentiebeperking die daarvan het gevolg is, op grond van artikel 90, lid 2, van het Verdrag kunnen worden gerechtvaardigd als een maatregel die noodzakelijk is voor de vervulling van een aan dit fonds opgedragen bijzondere sociale taak van algemeen belang.

Allereerst zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 90, lid 2, van het Verdrag ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang onder de mededingingsregels vallen, voor zover de toepassing van die regels de vervulling, feitelijk of rechtens, van de hun opgedragen bijzondere taak niet verhindert.

Door onder bepaalde voorwaarden afwijkingen van de algemene verdragsregels toe te staan, beoogt artikel 90, lid 2, van het Verdrag het belang van de lidstaten om bepaalde ondernemingen, met name in de openbare sector, te benutten als instrument van economisch of sociaal beleid, te verzoenen met het belang van de Gemeenschap bij de naleving van de mededingingsregels en het behoud van de eenheid van de gemeenschappelijke markt.

Gelet op het aldus omschreven belang van de lidstaten kan hun niet worden verboden, dat zij bij hun definitie van de diensten van algemeen economisch belang waarmee zij bepaalde ondernemingen belasten, rekening houden met doelstellingen van hun nationaal beleid, en trachten deze te verwezenlijken door middel van verplichtingen en feitelijke beperkingen die zij aan die ondernemingen opleggen.

De in geding zijnde aanvullende pensioenregeling nu vervult een essentiële sociale functie in het pensioenstelsel in Nederland, zulks wegens de geringe hoogte van het aan het wettelijk minimumloon gekoppelde wettelijk pensioen.

Het belang van de sociale functie van aanvullende pensioenregelingen is onlangs overigens door de gemeenschapswetgever erkend door de vaststelling van richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

Om de voorwaarden voor toepassing van artikel 90, lid 2, van het Verdrag als vervuld te kunnen beschouwen, is het bovendien niet noodzakelijk, dat het financiële evenwicht of de economische levensvatbaarheid van de met een dienst van algemeen economisch belang belaste onderneming wordt bedreigd. Het volstaat, dat de onderneming zonder de litigieuze rechten de haar opgedragen bijzondere taak, zoals die door de haar opgelegde verplichtingen en feitelijke beperkingen nader wordt bepaald, niet kan vervullen, of dat handhaving van die rechten noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen, de hem opgedragen taak van algemeen economisch belang onder economisch aanvaardbare omstandigheden te vervullen.

Indien het pensioenfonds niet langer het uitsluitend recht had de aanvullende pensioenregeling voor alle werknemers van een bedrijfstak te beheren, zouden ondernemingen met een jong en gezond personeelsbestand, dat ongevaarlijk werk verricht, gunstiger verzekeringsvoorwaarden trachten te bedingen bij particuliere verzekeraars.

Uit het voorgaande volgt, dat indien het Pensioenfonds niet langer dat uitsluitend recht zou hebben, dit ertoe zou kunnen leiden, dat het de hem opgedragen taken van algemeen economisch belang niet meer op economisch aanvaardbare voorwaarden kan verrichten en dat zijn financieel evenwicht in gevaar komt.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Het besluit van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde bedrijfstak in het kader van een collectieve overeenkomst, om in die bedrijfstak één bedrijfspensioenfonds op te richten dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, en de overheid te verzoeken de deelneming in dit fonds voor alle werknemers in die bedrijfstak verplicht te stellen, valt niet onder artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG).

2) De artikelen 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g, EG), 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) en 85 van het Verdrag staan niet in de weg aan een besluit van de overheid om, op verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak, de aansluiting bij een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen.

3) Een pensioenfonds dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, dat is opgericht bij collectieve overeenkomst tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak en waarin deelneming voor alle werknemers in de bedrijfstak door de overheid verplicht is gesteld, is een onderneming in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag.

4) De artikelen 86 en 90 EG-Verdrag (thans artikelen 82 EG en 86 EG) staan er niet aan in de weg, dat de overheid een pensioenfonds een uitsluitend recht verleent in een bepaalde bedrijfstak een aanvullende pensioenregeling te beheren."

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van het Hof van 28 januari 1999 conclusie genomen.

Zie zaak C-67/96


Zaak C-124/97

M. J. Läärä, Cotswold Microsystems Ltd, Oy Transatlantic Software Ltd/Kihlakunnansyyttäjä (Jyväskylä), Suomen valtio (Finse Staat)

Vrij verkeer van goederen

21 september 1999

Prejudiciële zaak

"Vrijheid van dienstverrichting · Exclusieve exploitatierechten · Speelautomaten"

(Voltallig Hof)

Bij beschikking van 21 maart 1997 heeft Vaasan hovioikeus (hof van beroep te Vaasa) het Hof drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van het arrest van het Hof van 24 maart 1994, Schindler (C-275/92, Jurispr. blz. I-1039), en van de artikelen 30, 36, 56, 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG, 30 EG, 46 EG en 49 EG) en 60 EG-Verdrag (thans artikel 50 EG), teneinde te kunnen beoordelen of met die bepalingen verenigbaar is een nationale wettelijke regeling waarbij aan een openbaar lichaam het uitsluitend recht wordt verleend in de betrokken lidstaat speelautomaten te exploiteren.

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen, enerzijds, M. J. Läärä, de vennootschap naar Fins recht Oy Transatlantic Software Ltd (hierna: "TAS") en de vennootschap naar Engels recht Cotswold Microsystems Ltd (hierna: "CMS"), en, anderzijds, de Kihlakunnansyyttäjä (Jyväskylä) (officier van justitie te Jyväskylä) en Suomen valtio (Finse Staat), over de exploitatie van speelautomaten in Finland.

Het hoofdgeding

CMS heeft met TAS, waarvan Läärä directeur is, een overeenkomst gesloten voor de exploitatie in Finland van zogenoemde AWP-speelautomaten van het type Golden Shot, waarbij de eigendom van de automaten

bij CMS bleef. Bedoelde automaten bevatten draaiende schijven met de afbeeldingen van vruchten. Wanneer bij het tot stilstand komen van de schijven · vanzelf dan wel doordat de speler een hendel bedient · een "winnende" combinatie van afbeeldingen ontstaat, keert het apparaat een bedrag uit, dat tot 200 FIM kan oplopen.

Läärä werd als directeur van TAS gedagvaard voor Jyväskylän käräjäoikeus (gerecht van eerste aanleg te Jyväskylä) ter zake van het zonder vergunning in Finland in bedrijf hebben van die apparaten. Hij bestreed het hem telastgelegde, met name stellende dat bij de Golden Shot-apparaten de kans om te winnen niet voornamelijk op het toeval berustte, maar ook en in aanzienlijke mate op de behendigheid van de speler, zodat de betrokken apparaten niet als kansspelen waren aan te merken. Bovendien was de Finse wettelijke regeling in strijd met de gemeenschapsvoorschriften inzake het vrije verkeer van goederen en diensten. De käräjäoikeus veroordeelde Läärä tot een geldboete en gelastte de verbeurdverklaring van de apparaten.

Belanghebbenden gingen in hoger beroep bij Vaasan hovioikeus, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof prejudiciële vragen heeft gesteld.

Met deze drie vragen wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of de artikelen 30, 59 en 60 van het Verdrag in het licht van het arrest Schindler aldus moeten worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling zoals de Finse, waarbij aan een enkel openbaar lichaam een uitsluitend recht tot exploitatie van speelautomaten wordt toegekend, zulks gelet op de aan het algemeen belang ontleende gronden waarmee die regeling wordt gerechtvaardigd.

In punt 60 van het arrest Schindler heeft het Hof gewezen op de overwegingen van zedelijke, religieuze of culturele aard, die in alle lidstaten in verband met loterijen en andere kansspelen een rol spelen. De algemene tendens is kansspelen wettelijk te beperken of zelfs te verbieden, en te verhinderen dat zij als middel tot eigen bevoordeling dienen. Het Hof wees er voorts op, dat loterijen ernstige risico's van bedrog en andere vormen van criminaliteit kunnen meebrengen. Zij zijn ook een aansporing tot geldverkwisting, hetgeen schadelijke gevolgen voor het individu en de samenleving kan hebben. Ten slotte, aldus het Hof, mag echter ook niet over het hoofd worden gezien, dat loterijen in belangrijke mate kunnen bijdragen tot de financiering van onbaatzuchtige activiteiten of activiteiten in het algemeen belang, zoals maatschappelijk en caritatief werk, sport en cultuur.

In hetzelfde arrest overwoog het Hof voorts, dat wegens die bijzonderheden de nationale autoriteiten over voldoende beoordelingsvrijheid dienen te beschikken om te bepalen, wat noodzakelijk is voor de bescherming van de spelers en, meer in het algemeen, rekening houdend met de sociale en culturele bijzonderheden van iedere lidstaat, voor de bescherming van de maatschappelijke orde, zowel met betrekking tot de organisatie van loterijen en de hoogte van de inleg als met betrekking tot de bestemming van de opbrengsten ervan. Het staat derhalve aan bedoelde autoriteiten, niet enkel om te beoordelen of het noodzakelijk is activiteiten op het gebied van loterijen te beperken, maar om deze eventueel ook te verbieden, met dien verstande dat deze beperkingen niet discriminerend mogen zijn.

Ook al heeft het arrest Schindler betrekking op het houden van loterijen, die overwegingen gelden evenzeer, zoals overigens blijkt uit de bewoordingen van punt 60 van dat arrest, voor andere kansspelen met vergelijkbare kenmerken.

Spelen bestaande in het gebruik tegen betaling van speelautomaten als waarom het in het hoofdgeding gaat, zijn mitsdien te beschouwen als kansspelen van gelijke aard als de in het arrest Schindler bedoelde loterijen.

Niettemin onderscheidt deze zaak zich in verscheidene opzichten van de zaak Schindler.

In de eerste plaats hadden de activiteiten op loterijgebied, waarom het in die zaak ging, geen betrekking op "goederen", die als zodanig onder artikel 30 van het Verdrag vallen, maar waren zij te beschouwen als

"dienstverrichtingen" in de zin van het EG-Verdrag. Speelautomaten daarentegen zijn als zodanig goederen die onder artikel 30 van het Verdrag kunnen vallen.

In de tweede plaats was ingevolge de in de zaak Schindler toepasselijke nationale wettelijke regeling het organiseren van loterijen, behoudens in die regeling bepaalde uitzonderingen, op het grondgebied van de betrokken lidstaat verboden, terwijl de wettelijke regeling in de onderhavige zaak het gebruik van speelautomaten niet verbiedt; zij behoudt de exploitatie ervan slechts voor aan een publiekrechtelijk lichaam, dat in het bezit is van een desbetreffende overheidsvergunning (hierna: "vergunninghoudend lichaam").

Ten slotte zouden nog andere verdragsbepalingen · bijvoorbeeld die inzake het recht van vestiging of de mededingingsvoorschriften · van toepassing kunnen zijn op een wettelijke regeling als die waarom het in het hoofdgeding gaat.

Wat evenwel dit laatste punt betreft, spreekt de verwijzende rechter, na in zijn derde vraag de artikelen 30, 36, 59 en 60 van het Verdrag te hebben genoemd, eenvoudig over "enig ander artikel van het Verdrag", zonder dat in de motivering of in het dispositief van zijn beschikking nader te preciseren. Het Hof kan daarom geen uitspraak doen over de vraag, of er, naast de bepalingen inzake het vrije goederenverkeer en de vrijheid van dienstverrichting, nog andere verdragsbepalingen zijn die zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als waarom het in het hoofdgeding gaat.

Wat nu, in de eerste plaats, de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen aangaat, die kunnen van toepassing zijn op speelautomaten; dit zijn immers goederen die ingevoerd en uitgevoerd kunnen worden. Stellig zijn het ook apparaten die bestemd zijn om ter beschikking van het publiek te worden gesteld voor gebruik tegen betaling, doch de enkele omstandigheid dat een ingevoerd goed voor het verrichten van een dienst is bestemd, onttrekt dat goed niet aan de regels inzake het vrije verkeer.

Daarbij moet erop worden gewezen, dat een nationale wettelijke regeling zoals die in het hoofdgeding, het vrije verkeer van goederen kan belemmeren, inzoverre het vergunninghoudend lichaam wettelijk de enig mogelijke exploitant is van speelautomaten bestemd voor gebruik tegen betaling, en het gerechtigd is zelf dergelijke apparaten te vervaardigen.

Bij gebreke van voldoende nadere gegevens over de feitelijke consequenties van de betrokken wettelijke regeling voor de invoer van speelautomaten, kan het Hof zich echter in deze procedure niet uitspreken over de vraag, of artikel 30 van het Verdrag in de weg staat aan de toepassing van een dergelijke regeling.

Wat, in de tweede plaats, de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van dienstverrichting betreft, deze zijn, naar het Hof in het arrest Schindler heeft verklaard, van toepassing op een activiteit die de mogelijkheid biedt, tegen betaling aan een kansspel deel te nemen. Een dergelijke activiteit valt bijgevolg binnen het toepassingsgebied van artikel 59 van het Verdrag, wanneer ten minste één van de dienstverrichters gevestigd is in een andere lidstaat dan die waar de dienst wordt aangeboden.

Een nationale regeling inzake speelautomaten als de Finse houdt, doordat zij de exploitatie van dergelijke apparaten verbiedt aan ieder ander dan het vergunninghoudend lichaam, geen enkele discriminatie op grond van nationaliteit in en treft zij gelijkelijk zowel in Finland als in een andere lidstaat gevestigde ondernemers die mogelijkerwijs in een dergelijke activiteit geïnteresseerd zijn.

Inzoverre echter een dergelijke regeling ondernemers uit andere lidstaten al dan niet rechtstreeks belet zelf speelautomaten ter beschikking van het publiek te stellen voor gebruik tegen betaling, vormt zij een belemmering van de vrijheid van dienstverrichting.

Onderzocht moet worden, of deze aantasting van de vrijheid van dienstverrichting toelaatbaar is op grond van de uitdrukkelijk in het Verdrag geregelde afwijkingen dan wel, in de zin van de rechtspraak van het Hof, gerechtvaardigd kan zijn om dwingende redenen van algemeen belang.

Met de in geding zijnde wettelijke regeling wordt beoogd het exploiteren van de goklust van de mens aan banden te leggen, de aan die activiteiten verbonden risico's van bedrog en andere criminele handelingen te vermijden, en die activiteiten slechts toe te staan voorzover ermee wordt beoogd, fondsen te werven voor caritatieve instellingen of ter ondersteuning van andere doelen van algemeen nut.

Deze overwegingen moeten in hun onderlinge samenhang worden beschouwd. Zij houden verband met de bescherming van degenen te wier behoeve de dienst wordt verricht, meer in het algemeen van de consument, en met de bescherming van de maatschappelijke orde, doelstellingen die, zoals het Hof reeds oordeelde, als dwingende redenen van algemeen belang zijn te beschouwen. Op dergelijke overwegingen gebaseerde maatregelen moeten tevens geschikt zijn om de ermee beoogde doelen te bereiken, en mogen niet verder gaan dan wat daartoe noodzakelijk is.

De Finse wettelijke regeling onderscheidt zich van die waarom het in het arrest Schindler ging, met name doordat zij het gebruik van speelautomaten niet verbiedt, doch de exploitatie ervan voorbehoudt aan een openbaar lichaam, dat een vergunning daarvoor bezit.

Het bepalen van de omvang van de bescherming die een lidstaat op het gebied van loterijen en andere kansspelen beoogt te bieden, valt onder de beoordelingsvrijheid die het Hof in punt 61 van het arrest Schindler aan de nationale autoriteiten heeft toegekend. Deze autoriteiten dienen immers te beoordelen, of het in verband met het nagestreefde doel noodzakelijk is, activiteiten van die aard geheel of gedeeltelijk te verbieden, dan wel ze slechts te beperken en met het oog daarop meer of minder strenge controlemaatregelen te treffen.

De enkele omstandigheid dat de ene lidstaat voor een ander stelsel van bescherming heeft gekozen dan een andere lidstaat, kan niet van invloed zijn op het oordeel over de noodzaak en de evenredigheid van de ter zake getroffen regelingen.

Het feit dat de in geding zijnde speelautomaten niet volstrekt verboden zijn, volstaat niet als bewijs, dat de nationale wettelijke regeling niet echt de doelstellingen van algemeen belang beoogt te verwezenlijken die zij pretendeert na te streven en die in hun onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Immers, een beperkte vergunning voor die kansspelen in het kader van een uitsluitend recht, die het voordeel heeft dat de goklust en de exploitatie ervan in een beheersbare bedding wordt geleid, dat de risico's van exploitatie met bedrieglijk en crimineel oogmerk worden vermeden, en dat de opbrengst voor doelen van algemeen nut wordt gebruikt, dient eveneens de verwezenlijking van die doelstellingen.

Dit geldt ook voor de omstandigheid, dat de diverse bedrijven en instellingen waar het vergunninghoudend lichaam speelautomaten heeft geplaatst, een deel van de opbrengst van die toestellen ontvangen.

Of die doelstellingen gemakkelijker zouden kunnen worden verwezenlijkt door middel van een regeling die de noodzakelijke voorschriften voor geïnteresseerde ondernemers bevat, in plaats van door toekenning van een uitsluitend exploitatierecht aan het vergunninghoudend lichaam, is een vraag die binnen de beoordelingsvrijheid van de lidstaten valt, met dien verstande dat de keuze die zij maken, niet onevenredig mag zijn met het beoogde doel.

Waar de Finse wettelijke regeling inzake de exploitatie van speelautomaten aan een enkel openbaar lichaam exclusieve rechten toekent en in zoverre de vrijheid van dienstverrichting beperkt, lijkt dit derhalve niet onevenredig met de door de regeling nagestreefde doelstellingen.

Het Hof verklaart voor recht:

"De bepalingen van het EG-Verdrag inzake de vrijheid van dienstverrichting staan niet in de weg aan een nationale wettelijke regeling zoals de Finse, waarbij aan één enkel openbaar

lichaam een uitsluitend recht tot exploitatie van speelautomaten wordt toegekend, zulks gelet op de doelstellingen van algemeen belang waarmee die regeling wordt gerechtvaardigd."

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van het Hof van 4 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 90, lid 1, en artikel 30 van het Verdrag verzetten zich tegen een nationale wettelijke regeling die aan een publiekrechtelijke instelling als de Raha-automaattiyhdistys het alleenrecht toekent, gokdiensten te leveren met behulp van geldautomaten, en het recht om de voor het verrichten van die diensten benodigde apparatuur te vervaardigen en te verkopen, indien de toekenning van deze rechten aan die onderneming een ongerechtvaardige discriminatie van de ingevoerde ten opzichte van de nationale producten tot gevolg heeft, tenzij deze wettelijke regeling gerechtvaardigd is om een van de in artikel 36 bedoelde redenen of tenzij door de toepassing van artikel 30 de aan de betrokken onderneming toegekende bijzondere taak onmogelijk wordt.

2) Artikel 90, lid 1, en artikel 59 van het Verdrag verzetten zich tegen een nationale wettelijke regeling die een publiekrechtelijke instelling als de Raha-automaattiyhdistys het alleenrecht toekent, gokdiensten te leveren met behulp van geldautomaten, indien gelet op de concrete organisatie- en uitoefeningsmodaliteiten van dit monopolie, de bepalingen die de vrije dienstverrichting beperken, niet op coherente, passende en evenredige wijze lijken te stroken met de overwegingen van sociaal beleid en fraudebestrijding die de nationale autoriteiten ter rechtvaardiging van de betrokken wettelijke regeling hebben aangevoerd."


Zaak C-219/97

Maatschappij Drijvende Bokken BV/Stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven

Mededinging

21 september 1999

Prejudiciële zaak

"Verplichte deelneming in bedrijfspensioenfonds · Verenigbaarheid met mededingingsregels · Kwalificatie van bedrijfspensioenfonds als onderneming"

(Voltallig Hof)

Bij arrest van 6 juni 1997 heeft de Hoge Raad der Nederlanden zes prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 85, 86 en 90 EG-Verdrag (thans artikelen 81 EG, 82 EG en 86 EG).

Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen Maatschappij Drijvende Bokken BV (hierna: "Drijvende Bokken") en de Stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven (hierna: "Pensioenfonds") over de weigering van Drijvende Bokken het Pensioenfonds premies te betalen over de jaren 1991-1993,

op grond dat de verplichte deelneming in het Pensioenfonds, krachtens welke die premies van haar werden gevorderd, in strijd zou zijn met de artikelen 85, 86 en 90 van het Verdrag.

Het hoofdgeding

Het Pensioenfonds is opgericht krachtens de BPW. Bij besluit van 9 september 1959 (hierna: "Besluit verplichte deelneming") heeft de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid de deelneming verplicht gesteld voor mannelijke werknemers van 18 jaar en ouder die in het havengebied van Rotterdam en omgeving in een havenbedrijf plegen werkzaam te zijn. Bij beschikking van 17 december 1991 is de werking van het Besluit verplichte deelneming uitgebreid tot werknemers die werkzaam plegen te zijn in een havenbedrijf of daarmee gelijkgesteld bedrijf.

Het door het Pensioenfonds geboden pensioen is gebaseerd op de huidige Nederlandse norm, namelijk dat de werknemer die gedurende de maximale termijn premie aan de regeling heeft betaald, een pensioen inclusief AOW zal ontvangen van 70 % van zijn laatste loon.

Drijvende Bokken verhuurt drijvende bokken, die door haar eigen personeel worden bemand. Deze bokken, die veelal tezamen met sleepboten worden verhuurd, worden onder meer ingezet in de offshore-industrie en de chemische industrie voor constructie- en reparatiewerkzaamheden.

Daar Drijvende Bokken van mening was, dat zij niet onder de werking van het Besluit verplichte deelneming viel, sloot zij zich bij een ander pensioenfonds aan. Na de uitbreiding van de werking van de verplichte deelneming in 1991 vorderde het Pensioenfonds van haar op 20 oktober 1993 bij dwangbevel 132 000 HFL wegens verschuldigde premies over de jaren 1991-1993. Drijvende Bokken deed verzet tegen dit dwangbevel bij het Kantongerecht te Rotterdam.

Het Kantongerecht verklaarde het verzet gegrond, op grond dat de werknemers van Drijvende Bokken niet te werk waren gesteld in een havenbedrijf in de zin van het Besluit verplichte deelneming. Het Pensioenfonds kwam van dit vonnis in beroep bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam.

De Arrondissementsrechtbank vernietigde het vonnis van het Kantongerecht, op grond dat de werknemers van Drijvende Bokken in hoofdzaak in een haven- of daarmee gelijkgesteld bedrijf werkten en derhalve onder de werking van het Besluit verplichte deelneming vielen. Voorts verwierp de Arrondissementsrechtbank het middel, dat de verplichte deelneming in het Pensioenfonds onverenigbaar was met de artikelen 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g, EG), 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG), 85, 86 en 90 van het Verdrag, op grond dat het Pensioenfonds niet kon worden aangemerkt als een onderneming in de zin van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, doch veeleer als een instelling van sociale zekerheid.

In cassatie stelde Drijvende Bokken, dat de Arrondissementsrechtbank de verplichte deelneming in het Pensioenfonds ten onrechte verenigbaar met het gemeenschapsrecht had geacht.

De Hoge Raad stelde vast, dat dat betoog verscheidene vragen van uitlegging van de artikelen 85, 86 en 90 van het Verdrag opwierp.

De Hoge Raad heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof prejudiciële vragen gesteld.

De tweede vraag

Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden besproken, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het besluit van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde bedrijfstak in het kader van een collectieve overeenkomst, om in die bedrijfstak één bedrijfspensioenfonds op te richten dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, en de overheid te verzoeken de deelneming

in dit fonds voor alle werknemers in die bedrijfstak verplicht te stellen, in strijd is met artikel 85 van het Verdrag.

Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen verbiedt welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben, dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Wegens het belang van deze regel hebben de verdragsauteurs in artikel 85, lid 2, van het Verdrag uitdrukkelijk bepaald, dat de krachtens dit artikel verboden overeenkomsten en besluiten van rechtswege nietig zijn.

Vervolgens dient te worden bedacht, dat volgens artikel 3, sub g en i, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g en j, EG) het optreden van de Gemeenschap niet alleen "een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst", maar ook "een beleid op sociaal gebied". Artikel 2 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 2 EG) bepaalt immers, dat de Gemeenschap onder meer tot taak heeft "het bevorderen van een harmonische en evenwichtige ontwikkeling van de economische activiteit" en van "een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming".

Dienaangaande bepaalt artikel 118 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), dat de Commissie tot taak heeft tussen de lidstaten een nauwe samenwerking op sociaal gebied te bevorderen, met name op het terrein van het recht zich te organiseren in vakverenigingen en van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.

Artikel 118 B EG-Verdrag voegt daaraan toe, dat de Commissie zich beijvert de dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau verder te ontwikkelen, hetgeen, als deze laatsten zulks wenselijk achten, tot contractuele betrekkingen kan leiden.

Voorts wordt in artikel 1 van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek verklaard, dat de Gemeenschap en de lidstaten zich onder meer ten doel stellen de verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

Overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek, kan de dialoog tussen de sociale partners op communautair niveau, indien de sociale partners zulks wensen, leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten, waarvan de tenuitvoerlegging geschiedt hetzij volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale partners en aan de lidstaten, hetzij, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie.

Hoewel een zekere mededingingsbeperkende werking eigen is aan collectieve overeenkomsten tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, zou de verwezenlijking van de met dergelijke overeenkomsten nagestreefde doelstellingen van sociale politiek ernstig worden belemmerd indien de sociale partners bij hun gezamenlijke inspanning de werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren, zich aan artikel 85, lid 1, van het Verdrag moesten houden.

Uit een nuttige en coherente uitlegging van de bepalingen van het Verdrag, gelezen in hun onderling verband, volgt derhalve, dat overeenkomsten die, met dergelijke doelstellingen, in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners worden gesloten, wegens hun aard en hun doel moeten worden geacht niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag te vallen.

Derhalve moet worden onderzocht, of aard en doel van de in geding zijnde overeenkomst rechtvaardigen dat deze buiten de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt.

In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat de in geding zijnde overeenkomst, juist zoals de categorie van bovenbedoelde, uit de sociale dialoog voortgekomen overeenkomsten, is gesloten in de vorm van een collectieve overeenkomst en het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties.

Wat, in de tweede plaats, het doel ervan betreft, roept de in geding zijnde overeenkomst een aanvullende pensioenregeling voor een bepaalde bedrijfstak in het leven, beheerd door een pensioenfonds waarbij aansluiting verplicht kan worden gesteld. Een dergelijke regeling beoogt over het geheel genomen, aan alle werknemers in de bedrijfstak een bepaald pensioenniveau te verzekeren, en draagt daarmee rechtstreeks bij aan de verbetering van een van de arbeidsvoorwaarden van die werknemers, namelijk hun beloning.

Derhalve moet worden geconcludeerd, dat de in geding zijnde overeenkomst wegens haar aard en doel buiten de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt.

De derde vraag

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 3, sub g, van het Verdrag, 5 en 85 van het Verdrag in de weg staan aan een besluit van de overheid om, op verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak, de deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen.

Zoals het Hof overwoog, heeft artikel 85 van het Verdrag als zodanig slechts betrekking op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de lidstaten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof evenwel verplicht artikel 85 van het Verdrag, gelezen in samenhang met artikel 5, de lidstaten, geen maatregelen, ook niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, te nemen of te handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken. Dit doet zich volgens diezelfde rechtspraak voor, wanneer een lidstaat de totstandkoming van met artikel 85 van het Verdrag strijdige mededingingsregelingen oplegt of stimuleert dan wel de werking ervan versterkt of aan zijn eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere marktdeelnemers over te dragen.

Het verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties aan de overheid de aansluiting bij het door hen opgerichte pensioenfonds verplicht te stellen, past in een in verscheidene lidstaten bestaand stelsel voor de uitoefening van de regelgevende bevoegdheid op sociaal gebied. Aangezien de in geding zijnde overeenkomst blijkens het antwoord op de eerste vraag niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt, zijn de lidstaten vrij die aansluiting verplicht te stellen voor personen die niet door de overeenkomst gebonden zijn.

Artikel 4, lid 2, van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek, bevestigt overigens op communautair niveau uitdrukkelijk, dat de sociale partners gezamenlijk de Raad kunnen verzoeken om tenuitvoerlegging van sociale overeenkomsten.

Het besluit van de overheid de deelneming aan een dergelijk pensioenfonds verplicht te stellen, is dus niet te beschouwen als een handeling die de totstandkoming van met artikel 85 van het Verdrag strijdige mededingingsregelingen oplegt of stimuleert dan wel de werking ervan versterkt.

Uit het voorgaande volgt, dat het besluit van de overheid de aansluiting bij een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen, niet valt in de categorie van regelgevende maatregelen die volgens de rechtspraak van het Hof afbreuk doen aan het nuttig effect van de artikelen 3, sub g, 5 en 85 van het Verdrag.

De eerste vraag

Met zijn eerste vraag, die als derde moet worden besproken, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of een pensioenfonds dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, dat is opgericht bij collectieve overeenkomst tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak en waarin deelneming voor alle werknemers in de bedrijfstak door de overheid verplicht is gesteld, een onderneming is in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag.

Zoals het Hof in de context van het mededingingsrecht eerder vaststelde, omvat het begrip onderneming elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.

Voorts sloot het Hof organen die belast zijn met het beheer van bepaalde verplichte, op het solidariteitsbeginsel gebaseerde socialezekerheidsstelsels, van dat begrip uit. In het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering waarover het in die zaak moest oordelen, waren de uitkeringen immers voor alle aangeslotenen gelijk, doch waren de bijdragen evenredig aan het inkomen; in het stelsel van ouderdomsverzekering werd de financiering van de ouderdomspensioenen verzekerd door de actieve werknemers en waren de wettelijk vastgestelde pensioenrechten bovendien niet evenredig aan de aan het stelsel betaalde bijdragen; ten slotte droegen de stelsels met een overschot bij aan de financiering van stelsels met structurele financiële problemen. Voor deze solidariteit was noodzakelijk, dat de verschillende stelsels door één orgaan werden beheerd en dat de aansluiting bij die stelsels verplicht was.

Daarentegen verklaarde het Hof voor recht, dat een orgaan zonder winstoogmerk, dat is belast met het beheer van een als aanvulling van een verplicht basisstelsel bedoeld stelsel van ouderdomsverzekering, dat bij wet als facultatief stelsel is ingevoerd en, met inachtneming van de door de daartoe bevoegde autoriteiten vastgestelde bepalingen, met name inzake aansluitingsvoorwaarden, bijdragen en uitkeringen, werkt volgens het kapitalisatiebeginsel, een onderneming is in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag. De facultatieve deelneming, de toepassing van het kapitalisatiebeginsel en het feit dat de uitkeringen uitsluitend afhingen van de hoogte van de door de rechthebbenden betaalde premies en van de opbrengsten van de door het beheersorgaan verrichte beleggingen, betekenden dat dit orgaan een economische activiteit uitoefende en daarbij concurreerde met levensverzekeringsmaatschappijen. Noch het nastreven van een sociaal doel, noch het ontbreken van winstoogmerk, noch de vereisten van solidariteit, noch de andere regels met name betreffende de door het beheersorgaan bij beleggingen in acht te nemen beperkingen, ontnamen aan de door het beheersorgaan verrichte activiteit haar economisch karakter.

In het licht van het voorgaande moet worden beoordeeld, of het begrip onderneming in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag betrekking heeft op een orgaan als het in deze zaak bedoelde bedrijfspensioenfonds.

Opgemerkt zij, dat het bedrijfspensioenfonds zelf de hoogte van de premies en de uitkeringen bepaalt en dat het werkt volgens het kapitalisatiebeginsel.

Anders dan de uitkeringen die werden verstrekt door de organen belast met het beheer van de verplichte stelsels van sociale zekerheid, hangt de hoogte van de door het Pensioenfonds verstrekte uitkeringen derhalve af van de opbrengsten van zijn beleggingen, die evenals die van verzekeringsmaatschappijen onder toezicht staan van de Verzekeringskamer.

Voorts is een bedrijfspensioenfonds gehouden een onderneming vrij te stellen van de deelnemingsplicht, wanneer zij haar werknemers reeds ten minste zes maanden vóór de indiening van het verzoek naar aanleiding waarvan de deelneming aan het bedrijfspensioenfonds verplicht is gesteld, had verzekerd van een pensioenregeling die hen rechten verleent die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zij bij deelneming aan het bedrijfspensioenfonds zouden verwerven. Bovendien kan dit fonds ingevolge artikel 1 van de richtlijnen een onderneming vrijstelling verlenen wanneer deze haar werknemers een pensioenregeling verzekert die hen rechten verleent welke ten minste gelijkwaardig zijn aan die van het fonds, mits in geval van uittreding uit het fonds een naar het oordeel van de Verzekeringskamer redelijke compensatie wordt geboden voor eventueel uit die uittreding voor het fonds voortvloeiend verzekeringstechnisch nadeel.

Dit betekent, dat een bedrijfspensioenfonds als waarom het in het hoofdgeding gaat, een economische activiteit verricht en daarbij met verzekeringsmaatschappijen concurreert.

In die omstandigheden zijn het ontbreken van winstoogmerk, alsmede de solidariteitsaspecten waarop het Pensioenfonds en de regeringen zich hebben beroepen, niet voldoende om het bedrijfspensioenfonds zijn hoedanigheid van onderneming in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag te ontnemen.

Weliswaar zou door het nastreven van een sociaal doel, de eerdergenoemde solidariteitsaspecten en de beperkingen of controles op de investeringen van het bedrijfspensioenfonds de door dit fonds verrichte dienst minder concurrerend kunnen zijn dan de vergelijkbare dienstverrichting van de verzekeringsmaatschappijen, maar dergelijke voorwaarden beletten niet, dat de activiteit van het fonds als een economische activiteit is te beschouwen. Wel zouden zij het uitsluitend recht van een dergelijk orgaan om een aanvullende pensioenregeling te beheren, kunnen rechtvaardigen.

De vijfde vraag

Met zijn vijfde vraag, die als vierde moet worden besproken, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 86 en 90 van het Verdrag eraan in de weg staan, dat de overheid een pensioenfonds een uitsluitend recht verleent in een bepaalde bedrijfstak een aanvullende pensioenregeling te beheren.

Allereerst moet erop worden gewezen, dat een besluit van de overheid om, zoals in casu, de deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen, noodzakelijkerwijs betekent, dat dit fonds het uitsluitend recht krijgt de voor de opbouw van pensioenrechten betaalde premies te innen en te beheren. Een dergelijk fonds moet dan ook worden beschouwd als een onderneming waaraan door de overheid uitsluitende rechten zijn verleend in de zin van artikel 90, lid 1, van het Verdrag.

Vervolgens moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een onderneming die op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een wettelijk monopolie bezit, kan worden geacht een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag in te nemen.

Een bedrijfspensioenfonds als het hier bedoelde kan dan ook worden geacht een machtspositie in te nemen in de zin van artikel 86 van het Verdrag.

Daaraan moet echter worden toegevoegd, dat het enkele feit dat door het verlenen van uitsluitende rechten als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Verdrag een machtspositie wordt gecreëerd, als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 86 van het Verdrag. Een lidstaat handelt slechts in strijd met de in deze twee bepalingen vervatte verboden, wanneer de betrokken onderneming door de enkele uitoefening van de haar toegekende uitsluitende rechten misbruik van haar machtspositie maakt, of indien deze rechten een situatie kunnen creëren waarin die onderneming tot een dergelijk misbruik wordt gebracht.

Zoals het Hof overwoog, maakt een lidstaat die een uitsluitend recht op het verrichten van arbeidsbemiddeling heeft verleend aan een openbaar bedrijf, inbreuk op artikel 90, lid 1, van het Verdrag wanneer hij een situatie in het leven roept waarin handelen in strijd met artikel 86 van het Verdrag voor het betrokken bedrijf onontkoombaar is, met name omdat het klaarblijkelijk niet in staat is te voldoen aan de marktvraag naar dergelijke activiteiten.

In casu moet worden opgemerkt, dat het door het Pensioenfonds geboden aanvullende pensioen gebaseerd is op de huidige Nederlandse norm, namelijk dat de werknemer die gedurende de maximumtermijn premie aan de regeling heeft betaald, een pensioen inclusief AOW ontvangt van 70 % van zijn laatstverdiende loon.

Sommige ondernemingen in de bedrijfstak zouden hun werknemers wel een verdergaande pensioenregeling willen aanbieden dan die van het Pensioenfonds, maar dat kunnen zij niet, omdat zij het beheer van een

dergelijke pensioenregeling niet bij één verzekeraar kunnen onderbrengen. De concurrentiebeperking die daarvan het gevolg is, is een rechtstreeks uitvloeisel van het aan het bedrijfspensioenfonds verleende uitsluitende recht.

Er zij aan herinnerd, dat ingevolge artikel 90, lid 2, van het Verdrag ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang onder de mededingingsregels vallen, voor zover de toepassing van die regels de vervulling, feitelijk of rechtens, van de hun opgedragen bijzondere taak niet verhindert.

Door onder bepaalde voorwaarden afwijkingen van de algemene verdragsregels toe te staan, beoogt artikel 90, lid 2, van het Verdrag het belang van de lidstaten om bepaalde ondernemingen, met name in de openbare sector, te benutten als instrument van economisch of sociaal beleid, te verzoenen met het belang van de Gemeenschap bij de naleving van de mededingingsregels en het behoud van de eenheid van de gemeenschappelijke markt.

Gelet op het aldus omschreven belang van de lidstaten kan hun niet worden verboden, dat zij bij hun definitie van de diensten van algemeen economisch belang waarmee zij bepaalde ondernemingen belasten, rekening houden met doelstellingen van hun nationaal beleid, en trachten deze te verwezenlijken door middel van verplichtingen en feitelijke beperkingen die zij aan die ondernemingen opleggen.

De in geding zijnde aanvullende pensioenregeling nu vervult een essentiële sociale functie in het pensioenstelsel in Nederland, zulks wegens de geringe hoogte van het aan het wettelijk minimumloon gekoppelde wettelijk pensioen.

Het belang van de sociale functie van aanvullende pensioenregelingen is onlangs overigens door de gemeenschapswetgever erkend door de vaststelling van richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

Om de voorwaarden voor toepassing van artikel 90, lid 2, van het Verdrag als vervuld te kunnen beschouwen, is het bovendien niet noodzakelijk, dat het financiële evenwicht of de economische levensvatbaarheid van de met een dienst van algemeen economisch belang belaste onderneming wordt bedreigd. Het volstaat, dat de onderneming zonder de litigieuze rechten de haar opgedragen bijzondere taak, zoals die door de haar opgelegde verplichtingen en feitelijke beperkingen nader wordt bepaald, niet kan vervullen, of dat handhaving van die rechten noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen, de hem opgedragen taak van algemeen economisch belang onder economisch aanvaardbare omstandigheden te vervullen.

Indien het pensioenfonds niet langer het uitsluitend recht had de aanvullende pensioenregeling voor alle werknemers van een bedrijfstak te beheren, zouden ondernemingen met een jong en gezond personeelsbestand, dat ongevaarlijk werk verricht, gunstiger verzekeringsvoorwaarden trachten te bedingen bij particuliere verzekeraars.

Uit het voorgaande volgt, dat indien het Pensioenfonds niet langer dat uitsluitend recht zou hebben, dit ertoe zou kunnen leiden, dat het de hem opgedragen taken van algemeen economisch belang niet meer op economisch aanvaardbare voorwaarden kan verrichten en dat zijn financieel evenwicht in gevaar komt.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Het besluit van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde bedrijfstak in het kader van een collectieve overeenkomst, om in die bedrijfstak één bedrijfspensioenfonds op te richten dat belast is met het beheer van een aanvullende

pensioenregeling, en de overheid te verzoeken de deelneming in dit fonds voor alle werknemers in die bedrijfstak verplicht te stellen, valt niet onder artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG).

2) De artikelen 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g, EG), 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) en 85 van het Verdrag staan niet in de weg aan een besluit van de overheid om, op verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak, de aansluiting bij een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen.

3) Een pensioenfonds dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, dat is opgericht bij collectieve overeenkomst tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak en waarin deelneming voor alle werknemers in de bedrijfstak door de overheid verplicht is gesteld, is een onderneming in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag.

4) De artikelen 86 en 90 EG-Verdrag (thans artikelen 82 EG en 86 EG) staan er niet aan in de weg, dat de overheid een pensioenfonds een uitsluitend recht verleent in een bepaalde bedrijfstak een aanvullende pensioenregeling te beheren."

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van het Hof van 28 januari 1999 conclusie genomen.

Zie zaak C-67/96


Zaak C-307/97

Compagnie de Saint-Gobain, Zweigniederlassung Deutschland/Finanzamt Aachen-Innenstadt

Vrij verkeer van personen

21 september 1999

Prejudiciële zaak

"Vrijheid van vestiging · Belasting over inkomsten van vennootschappen · Fiscale voordelen"

(Voltallig Hof)

Bij beschikking van 30 juni 1997 heeft het Finanzgericht Köln drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) en 58 EG-Verdrag (thans artikel 48 EG).

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Compagnie de Saint-Gobain, Zweigniederlassung Deutschland (hierna: "Saint-Gobain ZN"), en het Finanzamt Aachen-Innenstadt (hierna: "Finanzamt").

Saint-Gobain ZN is het Duitse filiaal van Compagnie de Saint-Gobain SA (hierna: "Saint-Gobain SA"), een vennootschap naar Frans recht, waarvan de zetel en de commerciële leiding zich in Frankrijk bevinden.

Om die reden wordt Saint-Gobain ZN naar Duits belastingrecht als een vaste inrichting van Saint-Gobain SA beschouwd.

Saint-Gobain SA is in Duitsland beperkt belastingplichtig, daar zij noch haar zetel, noch haar commerciële leiding in die staat heeft. Deze beperkte belastingplicht geldt zowel voor de inkomsten die zij in Duitsland door middel van haar vaste inrichting verkrijgt (krachtens § 2, punt 1, Körperschaftsteuergesetz · hierna: "KStG"), als voor het vermogen dat zij in haar vaste inrichting heeft (krachtens § 2, leden 1, punt 2, en 2, Vermögensteuergesetz · hierna: "VStG").

Gepreciseerd zij, dat de inkomsten uit een op het nationale grondgebied gevestigde industriële en commerciële inrichting ingevolge § 8, lid 1, KStG, juncto § 49, lid 1, punt 2, sub a, Einkommensteurergesetz (hierna: "EStG"), tot de nationale inkomsten in de zin van de beperkte belastingplicht behoren.

Voorts behoort ingevolge § 121, lid 2, punt 3, Bewertungsgesetz (hierna: "BewG") het binnenlands bedrijfsvermogen, dat in het bijzonder het kapitaal omvat dat dienstbaar is aan het op het grondgebied gedreven bedrijf, tot het binnenlands vermogen van een beperkt belastingplichtige.

In het kader van het geschil dat aan het hoofdgeding ten grondslag ligt, weigerde het Finanzamt Saint-Gobain SA bepaalde fiscale voordelen bij de belasting van dividenden op deelnemingen in buitenlandse kapitaalvennootschappen te verlenen. Die voordelen worden alleen toegekend aan vennootschappen die in Duitsland onbeperkt belastingplichtig zijn.

In 1988 bezat Saint-Gobain SA via het bedrijfsvermogen van haar Duits filiaal, Saint-Gobain ZN, de volgende deelnemingen:

· 10,2 % van de aandelen van de in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde vennootschap Certain Teed Corporation;

· 98,63 % van het kapitaal van de in Duitsland gevestigde vennootschap Grünzweig+Hartmann AG (hierna: "Grünzweig");

· 99 % van het kapitaal van de in Duitsland gevestigde vennootschap Gevetex Textilglas GmbH (hierna: "Gevetex").

De winsten van Grünzweig en Gevetex, die in 1988 ingevolge dergelijke overeenkomsten aan Saint-Gobain ZN zijn afgestaan, omvatten door buitenlandse dochtermaatschappijen uitgekeerde dividenden.

In 1988 ontving Grünzweig dividenden van de in Zwitserland gevestigde vennootschap Isover SA en van de in Oostenrijk gevestigde vennootschap Linzer Glasspinnerei Franz Haider AG, waarin zij in dat jaar respectievelijk 33,34 % en 46,67 van de aandelen had.

In hetzelfde jaar ontving Gevetex dividenden van een Italiaanse dochteronderneming, de vennootschap Vitrofil SpA, waarin zij 24,8 % van de aandelen had.

Uit de stukken van het hoofdgeding blijkt, dat aan de overige voorwaarden voor de Organschaft was voldaan, zodat deze inkomsten uit deelnemingen overeenkomstig de Duitse belastingwetgeving rechtstreeks aan de op het nationale grondgebied gevestigde vaste inrichting (Saint-Gobain ZN) zijn toegerekend, en dus in de inkomsten van de beperkt belastingplichtige moedermaatschappij (Saint-Gobain SA) werden opgenomen.

Voor de verwijzende rechter komt Saint-Gobain ZN op tegen de weigering van het Finanzamt om haar drie fiscale voordelen met betrekking tot de betrokken dividenden toe te kennen, waarmee dient te worden voorkomen dat de dividenden die in Duitsland worden ontvangen door vennootschappen die participaties in buitenlandse vennootschappen hebben en die in het buitenland reeds zijn belast, in Duitsland nogmaals worden belast.

In de eerste plaats weigerde het Finanzamt de door Saint-Gobain ZN uit de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland ontvangen dividenden vrij te stellen van de Duitse vennootschapsbelasting, op grond dat de tussen de Bondsrepubliek Duitsland en die derde landen gesloten bilaterale belastingverdragen ter vermijding van dubbele belasting, waarin een dergelijke vrijstelling wordt voorzien, deze laatste alleen verlenen aan Duitse vennootschappen en aan vennootschappen die in Duitsland onbeperkt belastingplichtig zijn.

Onder die omstandigheden heeft het Finanzgericht Köln besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof prejudiciële vragen te stellen.

Met zijn drie vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 52 en 58 van het Verdrag eraan in de weg staan, dat een in Duitsland gelegen vaste inrichting van een in een andere lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap (hierna: "buitenlandse vennootschap") niet onder dezelfde voorwaarden als bij in Duitsland gevestigde kapitaalvennootschappen de navolgende fiscale voordelen geniet:

· de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor de dividenden die worden verkregen van in derde landen gevestigde vennootschappen (internationale deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting) op grond van een met een derde land gesloten verdrag ter vermijding van dubbele belasting;

· de in de nationale wetgeving voorziene verrekening van de vennootschapsbelasting die in een andere staat dan de Bondsrepubliek Duitsland is geheven over de winsten van een aldaar gevestigde dochtermaatschappijen met de Duitse vennootschapsbelasting, en

· de eveneens in de nationale wetgeving voorziene vrijstelling van vermogensbelasting voor participaties in vennootschappen die in derde landen zijn gevestigd (internationale deelnemingsvrijstelling voor de vermogensbelasting).

Vooraf zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak artikel 52 van het Verdrag een van de fundamentele bepalingen van gemeenschapsrecht is, die sedert het einde van de overgangsperiode rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten.

De vrijheid van vestiging brengt overeenkomstig artikel 58 van het Verdrag voor de vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, het recht mee om in de betrokken lidstaat hun bedrijfsactiviteit uit te oefenen door middel van een agentschap of een filiaal. Dezelfde bepalingen garanderen gemeenschapsonderdanen die het recht van vrijheid van vestiging hebben uitgeoefend alsmede de daarmee gelijkgestelde vennootschappen het voordeel van de nationale behandeling in de lidstaat van ontvangst.

Met betrekking tot de vennootschappen zij in dat verband opgemerkt, dat hun zetel in bovengenoemde zin, naar het voorbeeld van de nationaliteit van natuurlijke personen, dient ter bepaling van hun binding aan de rechtsorde van een staat.

In Duitsland onbeperkt belastingplichtig zijn naar Duits recht de vennootschappen die in Duitsland als binnenlands belastingplicht worden beschouwd, dat wil zeggen de vennootschappen die hun zetel of bedrijfsleiding in Duitsland hebben. De weigering om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde voordelen

toe te kennen treft dus hoofdzakelijk buitenlandse vennootschappen en is gebaseerd op het criterium van de zetel van de vennootschap, dat bepaalt welke fiscale regeling in Duitsland geldt voor de deelnemingen in kapitaalvennootschappen die in andere staten dan de Bondsrepubliek Duitsland zijn gevestigd, alsmede voor de dividenden uit dergelijke deelnemingen.

Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan, of in het voor hem aanhangige geding de vaste inrichtingen van Franse vennootschappen door de weigering om de deelnemingsvrijstelling toe te kennen, worden benadeeld ten opzichte van de Duitse dochtermaatschappijen van Franse vennootschappen.

De weigering om de betrokken voordelen aan in Duitsland gevestigde vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen maakt het bijgevolg voor deze laatste deelnemingen via Duitse dochterondernemingen minder interessant, aangezien op grond van Duitse wetgeving en de verdragen ter vermijding van dubbele belasting de betrokken fiscale voordelen alleen ten goede kunnen komen aan de Duitse dochtermaatschappijen, die als rechtspersoon onbeperkt belastingplichtig zijn, waardoor de vrije keuze van de passende rechtsvorm voor de uitoefening van een bedrijf in een andere lidstaat te kiezen, · een vrijheid die artikel 52, eerste alinea, tweede zin, van het Verdrag de marktdeelnemers uitdrukkelijk verleent · wordt beperkt.

De verschillende behandeling van de filialen van buitenlandse vennootschappen ten opzichte van de binnenlandse vennootschappen en de daaruit voortvloeiende beperking van de vrije keuze van de vorm van de nevenvestiging moeten als één zelfde schending van de artikelen 52 en 58 van het Verdrag worden aangemerkt.

Vastgesteld zij, dat het verschil in behandeling op fiscaal gebied tussen binnenlandse vennootschappen en dochtermaatschappijen niet kan worden gerechtvaardigd door andere voordelen die filialen zouden hebben ten opzichte van binnenlandse vennootschappen, en die volgens de Duitse regering de uit de weigering van de betrokken fiscale voordelen voortvloeiende nadelen zouden compenseren. Gesteld al dat deze voordelen bestaan, dan kunnen zij geen inbreuk op de in artikel 52 van het Verdrag neergelegde verplichting rechtvaardigen, om met betrekking tot de betrokken fiscale voordelen de nationale behandeling te verlenen.

Het Hof verklaart voor recht:

"De artikelen 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) en 58 EG-Verdrag (thans artikel 48 EG) staan eraan in de weg dat een in Duitsland gelegen vaste inrichting van een in een andere lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap, niet onder dezelfde voorwaarden als in Duitsland gevestigde kapitaalvennootschappen de navolgende fiscale voordelen geniet:

· de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor de dividenden die worden verkregen van in derde landen gevestigde vennootschappen (internationale deelnemingsvrijstelling inzake vennootschapsbelasting), op grond van een met een derde land gesloten verdrag ter vermijding van dubbele belasting;

· de in de nationale wetgeving voorziene verrekening van de vennootschapsbelasting die in een andere staat dan de Bondsrepubliek Duitsland is geheven over de winsten van een aldaar gevestigde dochtermaatschappij, met de Duitse vennootschapsbelasting, en

· de eveneens in de nationale wetgeving voorziene vrijstelling van vermogensbelasting voor participaties in vennootschappen die in derde landen zijn gevestigd (internationale deelnemingsvrijstelling inzake vermogensbelasting)."

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van het Hof van 2 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging een ontkennend antwoord te geven dat luidt als volgt:

"1) De artikelen 52 en 58 EG-Verdrag verzetten zich ertegen, dat aan een in Duitsland gelegen vaste inrichting van een in een andere lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap niet onder gelijke voorwaarden de aandelenvrijstelling voor dividend op grond van een verdrag inzake dubbele belasting met een derde land wordt toegekend als aan in Duitsland gevestigde kapitaalvennootschappen.

2) De artikelen 52 en 58 van het Verdrag verzetten zich ertegen, dat bij een in Duitsland gelegen vaste inrichting van een in een andere lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap, de belasting die in een derde staat wordt geheven over de winst van een aldaar gevestigde dochtermaatschappij van de in Duitsland gelegen vaste inrichting, niet onder dezelfde voorwaarden op de Duitse vennootschapsbelasting in mindering werd gebracht als bij kapitaalvennootschappen die in Duitsland zijn gevestigd.

3) De artikelen 52 en 58 van het Verdrag verzetten zich ertegen, dat aan een in Duitsland gelegen vaste inrichting van een in een andere lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap niet onder gelijke voorwaarden als in Duitsland gevestigde kapitaalvennootschappen, de aandelenvrijstelling voor de vermogensbelasting wordt toegekend."


Zaak C-378/97

F. A. Wijsenbeek

Vrij verkeer van personen

21 september 1999

Prejudiciële zaak

"Vrij verkeer van personen · Recht van burgers van de Europese Unie om vrij te reizen en te verblijven · Grenscontroles · Nationale wettelijke regeling die uit een andere lidstaat komende personen verplicht een paspoort te tonen"

(Voltallig Hof)

Bij vonnis van 30 oktober 1997 heeft de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 7 A en 8 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 14 EG en 18 EG).

Die vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen F. A. Wijsenbeek, aan wie te last wordt gelegd dat hij, in strijd met de toepasselijke Nederlandse wetgeving, bij zijn aankomst in Nederland heeft geweigerd zijn paspoort te tonen en zijn Nederlandse nationaliteit aannemelijk te maken.

Het hoofdgeding

Wijsenbeek, van Nederlandse nationaliteit, wordt ervan verdacht, op 17 december 1993 bij zijn aankomst in Nederland via de luchthaven Rotterdam, in strijd met artikel 25 van het Vreemdelingenbesluit te hebben geweigerd zijn paspoort aan de ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee, belast met de grensbewaking, te vertonen en te overhandigen en op andere wijze zijn nationaliteit aannemelijk te maken.

Wijsenbeek ontkent een overtreding te hebben begaan. Dienaangaande stelt hij, dat op de luchthaven van Rotterdam, waar hij aankwam met een geregelde vlucht uit Straatsburg, slechts geregelde vluchten van en naar andere lidstaten plaatsvinden, en dat artikel 25 van het Vreemdelingenbesluit in strijd is met de artikelen 7 A en 8 A van het Verdrag.

De Kantonrechter veroordeelde Wijsenbeek bij vonnis van 8 mei 1995 wegens overtreding van artikel 25 van het Vreemdelingenbesluit tot een geldboete van 65 HFL, subsidiair één dag hechtenis.

Wijsenbeek ging van deze beslissing in hoger beroep bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam, die de behandeling heeft geschorst en het Hof prejudiciële vragen heeft gesteld.

De prejudiciële vragen

Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 7 A of artikel 8 A van het Verdrag een lidstaat verbiedt, een persoon, al dan niet burger van de Europese Unie, onder strafbedreiging te verplichten zijn nationaliteit aannemelijk te maken wanneer hij het grondgebied van deze lidstaat via een binnengrens van de Gemeenschap betreedt.

Het Hof herinnert eraan, dat volgens artikel 7 A, eerste alinea, van het Verdrag de Gemeenschap de maatregelen vaststelt die ertoe bestemd zijn de interne markt vóór 31 december 1992 geleidelijk tot stand te brengen, overeenkomstig de in dat artikel aangehaalde verdragsbepalingen. Ingevolge artikel 7 A, tweede alinea, van het Verdrag omvat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van het Verdrag.

Dit artikel kan niet aldus worden uitgelegd, dat wanneer de Raad vóór 31 december 1992 geen maatregelen heeft vastgesteld die de lidstaten verplichten de personencontroles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap af te schaffen, die verplichting automatisch bij het verstrijken van die termijn ontstaat. Een dergelijke verplichting onderstelt immers de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het externe grensverkeer van de Gemeenschap, het immigratie- en visumbeleid, de asielverlening, en de informatie-uitwisseling over deze zaken.

Waar voorts artikel 8 A, lid 1, van het Verdrag aan de burgers van de Unie het recht toekent vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, geschiedt dit onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Volgens artikel 8 A, lid 2, van het Verdrag kan de Raad bepalingen vaststellen die de uitoefening van deze rechten vergemakkelijken.

(42) Maar de uitoefening van die rechten onderstelt, dat de betrokkene aannemelijk weet te maken dat hij de nationaliteit van een lidstaat bezit.

Derhalve volstaat de vaststelling, dat er ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geen gemeenschappelijke of geharmoniseerde nationale regels bestonden inzake, onder meer, de controles aan de buitengrenzen, het immigratie- en visumbeleid en de asielverlening. Zelfs indien de onderdanen van de lidstaten krachtens artikel 7 A of artikel 8 A van het Verdrag een onvoorwaardelijk recht zouden hebben vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen, zouden deze laatste dus het recht behouden identiteitscontroles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap te verrichten · met de verplichting voor de betrokkene een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort te tonen, zoals bedoeld in de richtlijnen 68/360, 73/148, 90/364, 90/365 en 93/96 · teneinde te kunnen vaststellen of de betrokkene onderdaan van

een lidstaat is, die dus het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen, dan wel onderdaan van een derde land, die dat recht niet heeft.

Bij gebreke van een gemeenschapsregeling ter zake blijven de lidstaten bevoegd de niet-naleving van een dergelijke verplichting strafbaar te stellen, mits de straffen vergelijkbaar zijn met die welke van toepassing zijn op soortgelijke nationale overtredingen. Zij kunnen evenwel geen onevenredige straf opleggen, die een belemmering van het vrije verkeer van personen zou opleveren, zoals gevangenisstraf. Hetzelfde geldt in het geval van niet-naleving van de verplichting een identiteitskaart of een paspoort te tonen bij de aankomst op het grondgebied van een lidstaat.

Het Hof verklaart voor recht:

"Bij de stand van het gemeenschapsrecht op het tijdstip van de feiten van het hoofdgeding stond artikel 7 A noch artikel 8 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 14 EG en 18 EG) eraan in de weg, dat een lidstaat een persoon, al dan niet burger van de Europese Unie, onder strafbedreiging verplichtte zijn nationaliteit bij zijn binnenkomst in die lidstaat via een binnengrens van de Gemeenschap aannemelijk te maken, mits de straffen vergelijkbaar zijn met die welke van toepassing zijn op soortgelijke nationale overtredingen, en niet onevenredig zijn en daardoor een belemmering van het vrije verkeer van personen opleveren."

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van het Hof van 16 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Een burger van een lidstaat die, komende uit een andere lidstaat, in die lidstaat terugkeert, geniet het recht om vrij te reizen dat in artikel 8 A EG-Verdrag is gewaarborgd.

1) Bij de huidige stand van de Europese eenwording, kunnen de artikelen 7 A en 8 A EG-Verdrag niet aldus worden uitgelegd, dat zij verplichten tot de automatische, volledige en algemene afschaffing van stelselmatige grenscontroles op burgers van lidstaten die de binnengrenzen van de Gemeenschap willen passeren.

2) Artikel 8 A EG-Verdrag verzet zich tegen iedere beperking die de uitoefening van het in dat artikel neergelegde recht van vrij reizen kan belemmeren of minder aantrekkelijk maken · onder dergelijke beperkingen wordt ook verstaan een verplichting, op straffe van geldboete, tot het tonen van een paspoort of identiteitskaart bij het passeren van de binnengrenzen van de Gemeenschap ·, behalve wanneer die beperking zonder onderscheid wordt toegepast, gerechtvaardigd is door dwingende redenen van algemeen belang, geschikt voor het bereiken van het nagestreefde doel en niet belastender dan nodig voor het bereiken van dat doel".


Zaak C-362/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

Sociale politiek

21 september 1999

"Niet-nakoming · Niet-uitvoering van richtlijn 93/103/EG"

(Eerste kamer)

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 9 oktober 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 93/103/EG betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (hierna: "richtlijn"), en/of die maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

De Commissie richtte op 23 december 1996 een met redenen omkleed advies tot de Italiaanse Republiek, met het verzoek de nodige maatregelen te treffen om binnen een termijn van twee maanden na betekening van het advies aan de richtlijn te voldoen.

Toen geen enkele officiële reactie op dit advies binnenkwam, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

In haar verweerschrift bestrijdt de Italiaanse regering de niet-nakoming niet.

Het Hof, rechtdoende, verstaat:

"1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te voldoen aan richtlijn 93/103/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (dertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 13, lid 1, van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Italiaanse Republiek wordt in de kosten verwezen."

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 1 juli 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging:

"1) vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 93/103/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (dertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), en/of die maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2) de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen."


Zaak C-392/96

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland

Milieu en consumenten

21 september 1999

"Milieu · Richtlijn 85/337/EEG · Beoordeling van effecten van bepaalde openbare en particuliere projecten · Vaststelling van drempelwaarden"

(Vijfde kamer)

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 5 december 1996 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht vast te stellen dat Ierland, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de juiste uitvoering te verzekeren van richtlijn 85/337/EEG van de Raad betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: de "richtlijn"), de krachtens die richtlijn, in het bijzonder artikel 12 daarvan, en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

De Commissie verwijt Ierland, geen juiste uitvoering te hebben gegeven aan artikel 4, lid 2, en bijlage II, punten 1, sub b en d, en 2, sub a, alsmede de artikelen 2, lid 3, 5 en 7 van de richtlijn.

Ingevolge artikel 12, lid 1, van de richtlijn dienden de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om binnen drie jaar na de kennisgeving ervan aan de bepalingen ervan te voldoen. Op 3 juli 1985 is van de richtlijn kennis gegeven, zodat bedoelde termijn op 3 juli 1988 is verstreken.

Van oordeel dat Ierland de richtlijn niet op juiste wijze had omgezet, zond de Commissie op 13 oktober 1989 een eerste aanmaning, waarin zij haar bezwaren kenbaar maakte tegen de gebrekkige uitvoering van de artikelen 2 en 4 van de richtlijn wat de in de bijlagen I en II bedoelde projecten betreft en tegen de niet-uitvoering van de artikelen 5 tot en met 9.

In antwoord op deze aanmaningsbrief deed Ierland de tekst toekomen van twee wettelijke regelingen:

· S.I. nr. 349 van 1989, European Communities (Environmental Impact Assessment) Regulations (hierna: "S.I. nr. 349"), en

· S.I. nr. 25 van 1990, Local Government (Planning and Development) Regulations (hierna: "S.I. nr. 25").

De Commissie was echter van oordeel, dat met deze nieuwe wetgeving een juiste uitvoering van de richtlijn nog steeds niet verzekerd was, en zond Ierland op 7 november 1991 opnieuw een aanmaningsbrief.

Ierland antwoordde, dat de bepalingen van de richtlijn in de praktijk werden nageleefd.

Op 28 april 1993 zond de Commissie, met dat antwoord niet tevredengesteld, Ierland een met redenen omkleed advies.

Bij schrijven van 20 augustus 1993 verweerde Ierland zich tegen sommige van de tegen haar ingebrachte grieven. Vervolgens zond Ierland de Commissie bij schrijven van 7 december 1994 de tekst toe van de Local Government (Planning and Development) Regulations 1994, en ten slotte bij schrijven van 7 mei 1996 de tekst van S.I. nr. 101 van 1996, European Communities (Environmental Impact Assessment) (Amendment) Regulations 1996 (hierna: "S.I. nr. 101").

Na het uitbrengen van het met redenen omkleed advies vond voorts een briefwisseling plaats over klachten met betrekking tot de categorieën van projecten die thans in geding zijn, te weten klacht nr. P 95/4724 betreffende herbebossing op het Pettigo Plateau en klacht nr. P 95/4219 inzake turfwinning op onder meer de locatie Clonfinane Bog.

Schending van artikel 4, lid 2, en bijlage II, punten 1, sub b en d, en 2, sub a, van de richtlijn

Er zij aan herinnerd, dat de precontentieuze procedure tot doel heeft, de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen, de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen na te komen en verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde grieven. Het voorwerp van een beroep krachtens artikel 169 van het Verdrag wordt derhalve afgebakend door de in dit artikel bedoelde precontentieuze procedure. Mitsdien kan het beroep niet op andere grieven worden gebaseerd dan die welke in het met redenen omkleed advies zijn genoemd.

In casu toont een onderzoek van de in de precontentieuze procedure uitgewisselde stukken aan, dat de Commissie weliswaar niet uitdrukkelijk de termen "cumulatief effect van projecten" heeft gebruikt, maar dit probleem niettemin aan de orde heeft gesteld in het kader van de meer algemene problematiek van de vaststelling van drempelwaarden, door te betogen dat een aannemer zich aan een effectbeoordeling kan onttrekken door een oorspronkelijk project te splitsen in meerdere projecten, die de drempelwaarde niet overschrijden.

In die omstandigheden kan niet worden gesteld, dat Ierland in de precontentieuze procedure niet de gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren tegen de grief inzake het cumulatieve effect van projecten.

Ierland betwist, dat de Commissie daadwerkelijk misbruik van het hanteren van drempelwaarden heeft aangetoond. Het bewijs daarvan is volgens Ierland nodig om de niet-nakoming te kunnen aantonen.

Vastgesteld moet worden, dat de niet-nakoming die de Commissie Ierland verwijt, betrekking heeft op de onjuiste uitvoering van artikel 4, lid 2, van de richtlijn in dier voege, dat het hanteren van drempelwaarden tot gevolg heeft, dat niet alle kenmerken van een project in aanmerking worden genomen om te bepalen of dat project aan een effectbeoordeling moet worden onderworpen. Sommige projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, kunnen daardoor aan de verplichte beoordeling worden onttrokken op grond dat zij de vastgelegde drempelwaarden niet bereiken.

Voorwerp van de niet-nakoming is dus de wijze waarop de richtlijn in de Ierse wetgeving is uitgevoerd, en niet het concrete resultaat van de toepassing van de uitvoeringswetgeving.

Om aan te tonen dat een richtlijn ontoereikend of onjuist ten uitvoer is gelegd, hoeven niet de reële effecten van de nationale uitvoeringswetgeving te worden aangetoond. De ontoereikende of gebrekkige uitvoering ligt immers in de tekst van die wetgeving besloten.

Niets belet de Commissie derhalve om die gebrekkigheid of ontoereikendheid aan tonen zonder te wachten tot de toepassing van de uitvoeringswetgeving schadelijke gevolgen teweegbrengt.

Bijgevolg is het van weinig belang, dat de door de Commissie tot staving van haar beroep aangevoerde bewijzen eenvoudige klachten zijn waarnaar nog een onderzoek moet worden ingesteld.

Er zij aan herinnerd, dat artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn de lidstaten weliswaar een beoordelingsmarge laat om bepaalde aan een beoordeling te onderwerpen projecttypes te specificeren of criteria en/of drempelwaarden vast te stellen, maar die beoordelingsmarge wordt begrensd door de in artikel 2, lid 1, neergelegde verplichting, projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, aan een beoordeling van die effecten te onderwerpen.

Wanneer een lidstaat dus criteria en/of drempelwaarden vastlegt volgens welke enkel de omvang van een project in aanmerking wordt genomen en niet tevens de aard en ligging ervan, overschrijdt hij de grenzen van de beoordelingsmarge waarover hij krachtens de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 2, van de richtlijn beschikt.

Ook een project van beperkte omvang kan immers aanzienlijke gevolgen hebben voor het milieu wanneer het gelegen is op een plaats waar de in artikel 3 van de richtlijn genoemde milieufactoren als dier en plant, bodem, water, klimaat of cultureel erfgoed gevoelig zijn voor de minste verandering.

Evenzo kan een project, ongeacht de omvang, aanzienlijke gevolgen hebben wanneer het gezien zijn aard een wezenlijke of onomkeerbare verandering in die milieufactoren dreigt te veroorzaken.

Ten bewijze van de niet-nakoming op dit punt door Ierland heeft de Commissie verschillende overtuigende voorbeelden voorgelegd van projecten die uitsluitend werden beoordeeld op hun omvang, maar die door hun aard of ligging aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

Het meest sprekende voorbeeld is dat van de herbebossingen, omdat deze projecten, wanneer zij worden uitgevoerd in streken met actief bedekkingsveen, door hun aard en ligging tot gevolg hebben dat het ecosysteem van de veengebieden wordt vernietigd en originele, zeldzame biotopen die van groot wetenschappelijk belang zijn, onherroepelijk verloren gaan. Als zodanig kunnen herbebossingen ook tot verzuring en eutrofiëring van het water leiden.

Evenwel moesten en konden ook elementen als aard of ligging van de projecten in aanmerking worden genomen, bijvoorbeeld door verschillende drempelwaarden vast te stellen voor diverse projectgrootten, toe te passen naar gelang de aard of de ligging van een project.

Dienaangaande zet Ierland ten onrechte uiteen, dat het bestaan van andere wettelijke regelingen op het gebied van milieubescherming, zoals de "Habitats Regulations", de verplichte beoordeling van herbebossings-, rooiings- of turfwinningsprojecten op milieugevoelige plaatsen overbodig maken. Niets in de richtlijn sluit immers regio's of gebieden die krachtens andere bepalingen van communautaire oorsprong in andere opzichten worden beschermd, van haar werkingssfeer uit.

Wat het cumulatieve effect van projecten betreft zij eraan herinnerd, dat de in artikel 4, lid 2, bedoelde criteria en/of drempelwaarden tot doel hebben, de beoordeling van de concrete kenmerken van een project, teneinde te bepalen of het aan de beoordelingsplicht onderworpen is, te vergemakkelijken, en niet volledige categorieën van in bijlage II vermelde projecten die op het grondgebied van een lidstaat mogelijk zijn, aan die verplichting te onttrekken.

De vraag of de lidstaat bij de vaststelling van die criteria en/of drempelwaarden de grenzen van zijn beoordelingsmarge heeft overschreden, kan niet worden uitgemaakt met betrekking tot de kenmerken van een enkel project. Daarvoor moeten de kenmerken van dergelijke projecten die op het grondgebied van de lidstaat mogelijk zijn, in hun algemeenheid worden beoordeeld.

Een lidstaat die zodanige criteria en/of drempelwaarden vaststelt, dat in de praktijk alle projecten van een bepaald type bij voorbaat aan de verplichting tot milieueffectbeoordeling worden onttrokken, overschrijdt dan ook de grenzen van de beoordelingsmarge waarover hij krachtens de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 2, van

de richtlijn beschikt, behalve indien alle uitgesloten projecten op basis van een algemene beoordeling kunnen worden geacht geen aanzienlijk milieueffect te kunnen hebben.

Dit is het geval indien een lidstaat enkel een criterium voor de omvang van de projecten vaststelt en zich er voor het overige niet van vergewist, dat het doel van de regeling niet zal worden omzeild door splitsing van projecten.

Uit een en ander volgt dat Ierland, door voor de in bijlage II, punten 1, sub d, en 2, sub a, bedoelde categorieën van projecten drempelwaarden vast te stellen zonder zich er voor het overige van te vergewissen, dat het doel van de regeling niet zal worden omzeild door splitsing van projecten, de grenzen van de beoordelingsmarge waarover zij krachtens de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 2, van de richtlijn beschikte heeft overschreden.

Derhalve is de grief inzake schending van artikel 4, lid 2, van de richtlijn voor de in bijlage II, punten 1, sub d, en 2, sub a, bedoelde categorieën van projecten, gegrond.

Schending van artikel 2, lid 3, van de richtlijn

Het is vaste rechtspraak, dat in de nationale wetgeving aangebrachte wijzigingen irrelevant zijn voor de uitspraak over het voorwerp van een beroep wegens niet-nakoming, wanneer zij niet vóór het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn zijn ingevoerd.

Derhalve moet worden vastgesteld, dat de grief inzake schending van artikel 2, lid 3, van de richtlijn gegrond is.

Het Hof, rechtdoende, verstaat:

"1) Door niet de maatregelen vast te stellen die nodig zijn om artikel 4, lid 2, correct uit te voeren voor de in bijlage II, punten 1, sub d, en 2, sub a, bedoelde categorieën van projecten, en door geen uitvoering te geven aan de artikelen 2, lid 3, 5 en 7 van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, is Ierland de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.

3) Ierland wordt in de kosten verwezen."

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 17 december 1998 conclusie genomen.

Hij concludeerde als volgt:

"1) Door niet alle nodige maatregelen vast te stellen met het oog op de juiste omzetting van artikel 4, lid 2, met betrekking tot de onder 1, sub b en d, alsmede onder 2, sub a, van bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG vermelde projecten, en door de artikelen 2, lid 3, 5 en 7 van richtlijn 85/337/EEG gedeeltelijk niet te hebben uitgevoerd, is Ierland de krachtens artikel 12 van deze richtlijn en krachtens artikel 169 EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen;

2) Ierland te verwijzen in de kosten."


Zaak C-397/96

Caisse de pension des employés privés/D. Kordel, R. Kordel, Frankfurter Allianz Versicherungs AG

Vrij verkeer van personen

21 september 1999

Prejudiciële zaak

"Sociale zekerheid · Orgaan dat prestaties verschuldigd is · Verhaal op aansprakelijke derde · Subrogatie"

(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 29 november 1996 ingekomen ter griffie van het Hof op 12 december 1996 respectievelijk 30 oktober 1997, heeft het Landgericht Trier het Hof twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 93, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad.

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de Caisse de Pension des Employés Privés (hierna: "Caisse de pension"), een Luxemburgs orgaan, en D. en R. Kordel alsmede de Duitse maatschappij voor motorvoertuigenverzekeringen Frankfurter Allianz Versicherungs AG, over de vergoeding van de bedragen die door de Caisse de pension zijn uitgekeerd in verband met het overlijden bij een ongeval van een van haar verzekerden.

Het hoofdgeding

A. Ginsbach, verzekerd bij de Caisse de pension, overleed nadat hij op 27 december 1991 bij Trier, in Duitsland, was aangereden door een motorvoertuig, dat werd bestuurd door D. Kordel en waarvan de eigenaar (Halter) R. Kordel was.

De Caisse de pension keerde aan de weduwe en de dochter van Ginsbach uitkeringen aan nagelaten betrekkingen in de vorm van een weduwen- en een wezenrente uit, in het kader van een opgebouwd kapitaal van 4 003 236 LFR.

Met een beroep op haar subrogatie in de rechten van de rechthebbenden krachtens artikel 232 van de Luxemburgse Code des assurances sociales, stelde de Caisse de pension beroep in bij het Landgericht Trier, teneinde D. en R. Kordel alsmede de Frankfurter Allianz Versicherungs AG, waarbij R. Kordel voor zijn wettelijke aansprakelijkheid is verzekerd, te doen veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van de helft van het opgebouwde kapitaal.

De Caisse stelt, dat het Landgericht, wat betreft het bedrag van de door haar aangevoerde rechten, gebonden is aan artikel 232 van de Luxemburgse Code des assurances sociales. Het recht waarin de Caisse de pension is gesubrogeerd, moet immers door de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening worden erkend.

Het Landgericht Trier heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof een prejudiciële vraag gesteld.

Met deze vragen verzoekt de verwijzende rechter het Hof zakelijk weergegeven om uitlegging van artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening, teneinde te vernemen, of en in hoeverre de subrogatie van een orgaan van sociale zekerheid in de zin van de verordening in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hebben ten opzichte van de veroorzaker van op het grondgebied van een andere lidstaat ingetreden schade die heeft geleid tot betaling van prestaties van sociale zekerheid door dat orgaan, alsmede de omvang van de aldus overgegane rechten, moeten worden bepaald volgens het recht van de lidstaat waaronder dit orgaan valt.

Wat om te beginnen de rechten van het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade betreft, beoogt artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening enkel te verzekeren, dat het vorderingsrecht dat het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, kan toekomen krachtens de door hem toegepaste wetgeving, door de andere lidstaten wordt erkend. Het brengt geen wijziging in de regels volgens welke moet worden bepaald, of en in hoeverre de derde die de schade heeft veroorzaakt, wettelijk aansprakelijk is. De aansprakelijkheid van de derde blijft onderworpen aan de materiële regels die de door het slachtoffer of zijn rechthebbenden aangezochte nationale rechter normaal moet toepassen, dat wil zeggen in beginsel aan de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden.

Hieruit volgt, dat de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade heeft alsmede de voorwaarden waaronder de schadevordering bij de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden, aanhangig kan worden gemaakt, worden bepaald volgens het recht van die staat, de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht daaronder begrepen.

Het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, kan enkel in de aldus vastgestelde rechten worden gesubrogeerd. Immers, een subrogatie als die voorzien in artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening kan niet tot gevolg hebben, dat de ontvanger van de prestaties additionele rechten ten opzichte van een derde verkrijgt.

Vervolgens verklaart de verwijzende rechter met betrekking tot de subrogatie van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is in de rechten van de rechthebbenden van het slachtoffer, dat naar Duits recht het socialezekerheidsorgaan slechts wordt gesubrogeerd in de rechten die de rechthebbenden ten opzichte van de aansprakelijke derde hebben, voor zover de rechthebbenden van de overledene alimentatie hadden kunnen vorderen.

Voor het geval de door de verwijzende rechter vermelde regel van Duits recht enkel mocht gelden voor de subrogatie van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is in de rechten van de ontvanger van de prestaties, zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening iedere lidstaat de subrogatie van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is in de rechten die de ontvanger van deze prestaties heeft ten opzichte van de derde die verplicht is de schade te vergoeden, moet erkennen, indien in deze overgang ten behoeve van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is wordt voorzien in de wetgeving van de lidstaat waartoe het behoort.

Deze bepaling moet derhalve worden gezien als een conflictenregel, die de nationale rechter bij wie een schadevordering tegen de veroorzaker van de schade aanhangig wordt gemaakt, verplicht het recht van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is toe te passen, niet alleen om te bepalen of dat orgaan wettig in de rechten van het slachtoffer of zijn rechthebbenden is gesubrogeerd, maar ook ter bepaling van de aard en de omvang van de vorderingen waarin het orgaan is gesubrogeerd.

Hieruit volgt, dat het orgaan dat de prestaties verschuldigd is en dat in de aanspraken is gesubrogeerd, alsmede de nationale rechterlijke instanties van elke lidstaat gebonden zijn aan de wetgeving van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, mits in het kader van de in die wetgeving voorziene

subrogatie niet meer rechten geldend worden gemaakt dan het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben.

Wat ten slotte de vraag betreft, of de rechten van de Caisse de pension moeten worden bepaald op basis van artikel 4 van het groothertogelijk reglement, volstaat het eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak het Hof in het kader van de procedure van artikel 177 van het Verdrag noch het nationale recht heeft uit te leggen, noch zich over de gevolgen daarvan heeft uit te spreken.

Het staat aan de aangezochte rechter om de relevante bepalingen van de wetgeving van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, aan te wijzen en toe te passen, ook indien die bepalingen de subrogatie van dat orgaan in de rechten die de ontvanger van de prestaties ten opzichte van de veroorzaker van de schade heeft, of de uitoefening van die rechten door het gesubrogeerde orgaan, uitsluiten of beperken.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Artikel 93, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat in geval van op het grondgebied van een lidstaat ingetreden schade die tot de toekenning van prestaties van sociale zekerheid aan het slachtoffer of zijn rechthebbenden door een onder een andere lidstaat vallend orgaan van sociale zekerheid in de zin van deze verordening heeft geleid, de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben en waarin bedoeld orgaan kan worden gesubrogeerd, alsmede de voorwaarden waaronder de schadevordering bij de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden, aanhangig kan worden gemaakt, worden bepaald volgens het recht van die staat, de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht daaronder begrepen.

2) Artikel 93, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, moet aldus worden uitgelegd, dat de subrogatie van een onder het recht van een lidstaat vallend orgaan van sociale zekerheid in de zin van deze verordening in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hebben ten opzichte van de veroorzaker van op het grondgebied van een andere lidstaat ingetreden schade die heeft geleid tot toekenning van prestaties van sociale zekerheid door dat orgaan, alsmede de omvang van de rechten waarin dat orgaan is gesubrogeerd, worden bepaald volgens het recht van de lidstaat waaronder dat orgaan valt, mits in het kader van de door dat recht voorziene subrogatie niet meer rechten geldend worden gemaakt dan het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben krachtens het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden.

3) Het staat aan de aangezochte rechter om de relevante bepalingen van de wetgeving van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, aan te wijzen en toe te passen, ook indien die bepalingen de subrogatie van dat orgaan in de rechten die de

ontvanger van de prestaties ten opzichte van de veroorzaker van de schade heeft, of de uitoefening van die rechten door het gesubrogeerde orgaan, uitsluiten of beperken."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 4 mei 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 93, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat de voorwaarden alsmede de draagwijdte van het verhaal van een orgaan van sociale zekerheid in de zin van de verordening jegens degene die verantwoordelijk is voor een op het grondgebied van een andere lidstaat opgetreden schade die tot betaling van socialezekerheidsprestaties heeft geleid, worden bepaald overeenkomstig het recht van de lidstaat waaronder dit orgaan valt. De voorschriften van de lidstaat waaronder het prestaties verschuldigde orgaan valt, die het verhaal van het socialezekerheidsorgaan beperken of uitsluiten, moeten bijgevolg in de andere lidstaten worden erkend."


Zaak C-44/98

BASF AG/Präsident des Deutschen Patentamts

Vrij verkeer van goederen

21 september 1999

Prejudiciële zaak

"Vrij verkeer van goederen · Maatregelen van gelijke werking · Europees octrooi zonder rechtsgevolgen wegens ontbreken van vertaling"

(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 29 januari 1998 heeft het Bundespatentgericht een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG).

Die vraag is gerezen in een geschil tussen BASF AG (hierna: "BASF") en de Präsident des Deutschen Patentamts (voorzitter van het Duitse octrooibureau), over de beschikking van laatstgenoemde, dat een aan BASF verleend Europees octrooi moet worden geacht in Duitsland geen rechtsgevolgen te hebben, omdat de houdster ervan geen Duitse vertaling van het octrooischrift had verstrekt.

Bij het Europees Octrooiverdrag (hierna: "Octrooiverdrag") wordt een voor de verdragsluitende staten (de lidstaten van de Europese Unie, de Zwitserse Confederatie, het Vorstendom Liechtenstein, het Vorstendom Monaco en de Republiek Cyprus) gemeenschappelijk recht inzake de verlening van octrooien voor uitvindingen, "Europese octrooien" genoemd, in het leven geroepen. Die octrooien worden verleend door

het Europees Octrooibureau, waarvan de officiële talen het Duits, Engels en Frans zijn. Europese octrooiaanvragen moeten in een van deze talen worden ingediend.

De verlening van een Europees octrooi kan worden aangevraagd voor alle verdragsluitende staten, dan wel voor een of meer van hen. Het octrooi verleent de houder vanaf de dag waarop de vermelding van de verlening ervan is gepubliceerd, in elk van de verdragsluitende staten waarvoor het is verleend, dezelfde rechten als die hij zou ontlenen aan een in die staat verleend nationaal octrooi.

Ingevolge het Octrooiverdrag kunnen de verdragsluitende staten bepalen, dat een Europees octrooi in de betrokken staat geacht wordt van de aanvang af geen rechtsgevolgen te hebben, indien de tekst van het Europees octrooi voor die staat niet is opgesteld in de officiële taal van die staat en de aanvrager geen vertaling ervan in die taal verstrekt.

De Bondsrepubliek Duitsland heeft in artikel II, § 3, van het Gesetz über internationale Patentübereinkommen (BGBl. 1991 II, blz. 1354; hierna: "IntPatÜG") bepaald:

"1) Wanneer de tekst waarin het Europees Octrooibureau voornemens is met rechtsgevolgen voor de Bondsrepubliek Duitsland een Europees octrooi te verlenen, niet in de Duitse taal is opgesteld, moet de aanvrager of de octrooihouder binnen drie maanden na de publicatie van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi in het Europees octrooiblad een Duitse vertaling van het octrooischrift bij het Duitse octrooibureau indienen en de kosten volgens het vastgestelde tarief betalen.

(...)

2) Wanneer de vertaling niet binnen de gestelde termijn wordt ingediend of in een vorm die een regelmatige publicatie niet mogelijk maakt, of wanneer de kosten niet tijdig worden betaald, wordt het Europees octrooi geacht in de Bondsrepubliek Duitsland van de aanvang af geen rechtsgevolgen te hebben gehad.

(...)"

BASF is houdster van een Europees octrooi betreffende een "samenstelling voor de coating van laklagen van auto's", dat haar bij inschrijving in het Duitse register op 26 augustus 1997 door de vorige octrooihoudster, BASF Corporation, een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde vennootschap is overgedragen.

Bij beschikking van 5 mei 1997 stelde het Duitse octrooibureau vast, dat het in geding zijnde octrooi moest worden geacht van de aanvang af in Duitsland geen rechtsgevolgen te hebben gehad, omdat de vorige octrooihoudster niet binnen de gestelde termijn de Duitse vertaling van het octrooischrift had ingediend.

De vorige octrooihoudster stelde beroep tot nietigverklaring van die beschikking in. Dat beroep is overgenomen door BASF. Tot staving van haar beroep stelt laatstgenoemde, dat artikel II, § 3, IntPatÜG in strijd is met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag, omdat de sanctie op de niet-tijdige indiening van een vertaling van het Europees octrooischrift is, dat het Europees octrooi in Duitsland van de aanvang af geen rechtsgevolgen heeft.

In die omstandigheden besloot het Bundespatentgericht de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof een prejudiciële vraag te stellen.

Om te beginnen moet worden onderzocht, of een regeling zoals die in het hoofdgeding aan de orde is, die de octrooihouders verplicht een vertaling van het octrooischrift in de officiële taal van de betrokken lidstaat te verstrekken, een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 30 van het Verdrag vormt.

Het Hof heeft geoordeeld, dat iedere regelgeving van de lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen moet worden beschouwd. De beperkende gevolgen die een nationale regelgeving voor het vrije verkeer van goederen teweegbrengt, kunnen echter zo onzeker en indirect zijn, dat de in de regeling vervatte verplichting niet geacht kan worden de handel tussen de lidstaten te belemmeren.

Er moet aan worden herinnerd, dat een uitvinder, wanneer hij zijn uitvinding door octrooiverlening wil beschermen, onder meer de keus heeft om de territoriale reikwijdte van de gewenste bescherming te beperken tot een staat dan wel uit te strekken tot meerdere staten. Die keuze is in beginsel dezelfde, ongeacht of de uitvinder verzoekt om de verlening van een Europees octrooi, dan wel gebruik maakt van de thans in de lidstaten geldende stelsels van verlening van nationale octrooien. De keuze wordt gemaakt op basis van een algemene afweging van voor- en nadelen van elke optie, die onder meer ingewikkelde economische schattingen inhoudt met betrekking tot het commerciële belang van een bescherming in de verschillende staten, in vergelijking met het totale bedrag van de aan de octrooiverlening in die staten verbonden kosten, waaronder de vertaalkosten.

Ofschoon het waarschijnlijk moet worden geacht, dat er verschillen in de goederenbewegingen zullen bestaan naargelang de uitvinding in alle of slechts in sommige lidstaten is beschermd, vloeit daaruit nog niet voort, dat een dergelijk gevolg van de opsplitsing van de markt als een belemmering in de zin van artikel 30 van het Verdrag moet worden aangemerkt. Immers, de gevolgen voor het intracommunautaire handelsverkeer van een eventuele mededingingssituatie op de niet-beschermde markten hangen vooral af van concrete, onvoorspelbare beslissingen die elk van de betrokken marktdeelnemers neemt op basis van de economische omstandigheden op de verschillende markten.

In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat, al aangenomen dat de opsplitsing van de interne markt in bepaalde gevallen beperkende gevolgen voor het vrije verkeer van goederen kan hebben, die gevolgen te onzeker en te indirect zijn om als een belemmering in de zin van artikel 30 van het Verdrag te kunnen worden beschouwd.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) verzet zich niet tegen de toepassing van bepalingen als die van artikel II, § 3, van het Gesetz über internationale Patentübereinkommen, volgens welke een octrooi dat door het Europees Octrooibureau is verleend met rechtsgevolgen in een lidstaat en is opgesteld in een andere taal dan de officiële taal van die lidstaat, wordt geacht van de aanvang af geen rechtsgevolgen te hebben, wanneer de octrooihouder het octrooibureau van de betrokken lidstaat niet binnen drie maanden na publicatie van de vermelding van de verlening van het octrooi in het Europees octrooiblad een vertaling van het octrooischrift in de officiële taal van de lidstaat heeft verstrekt."

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 22 april 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 30 van het Verdrag staat niet in de weg aan een nationale maatregel die bepaalt, dat wanneer de houder van een door het Europees Octrooibureau voor een lidstaat verleend octrooi niet binnen de gestelde termijn bij het octrooibureau van de betrokken lidstaat een vertaling van het octrooischrift in de

officiële taal van die lidstaat indient, die verschilt van de taal waarin het Europees octrooi is gesteld, het betrokken octrooi wordt geacht van meet af aan geen rechtsgevolgen te hebben gehad."


Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-98/98

T. Trigari-Venturin/Centre de traduction des organes de l'Union européenne

Ambtenarenstatuut

21 september 1999

"Tijdelijke functionaris op proef · Ontslag aan einde van proeftijd wegens onvoldoende geschiktheid voor ambt · Beroep tot nietigverklaring · Overeenstemming tussen rang en ambt · Vertraging bij toezending van sociale documenten · Beroep tot schadevergoeding · Schade"

(Derde kamer)


Zaak T-157/98

G. Oliveira/Europees Parlement

Ambtenarenstatuut

21 september 1999

"Ambtenaren · Bevordering · Vergelijking van verdiensten"

(Derde kamer)


2. CONCLUSIES

Zaak C-411/98

A. Ferlini/Centre hospitalier de Luxembourg

Prejudiciële verwijzing van het Tribunal d'arrondissement · Uitlegging van art. 6 en van art. 48 EG-Verdrag (thans art. 12 en 39 EG) alsook van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap en van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 en van art. 85, lid 1, EG-Verdrag (thans art. 81 EG) · Luxemburgse nationale regeling en gedragingen van de Luxemburgse Union des caisses de maladie en van de Entente des hôpitaux luxembourgeois, die leiden tot de toepassing van twee verschillende tarieven, naargelang het gaat om aangeslotenen bij het Luxemburgse socialezekerheidsstelsel of om personen die daarbij niet zijn aangesloten, met inbegrip van het personeel dat is aangesloten bij het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Europese Gemeenschappen

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van het Hof van 21 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 houdt in, dat daarbij wordt uitgesloten, dat op gemeenschapsonderdanen die op het grondgebied van een andere lidstaat werkzaam zijn, zoals in casu het Groothertogdom Luxemburg, maar niet bij het nationale socialezekerheidsstelsel van die staat zijn aangesloten, waaronder bij het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering aangesloten ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, hogere tarieven voor medische en ziekenhuiskosten in geval van moederschap worden toegepast dan op de inwoners die bij het nationale socialezekerheidsstelsel aangesloten zijn.

2) Artikel 85, lid 1, EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat daarbij wordt verboden een besluit van een vereniging van ziekenhuizen, zoals in casu het besluit van de EHL, waarbij voor de gemeenschapsonderdanen die op het grondgebied van een andere lidstaat werkzaam zijn, zoals in casu het Groothertogdom Luxemburg, maar niet bij het nationale socialezekerheidsstelsel van die staat zijn aangesloten, waaronder bij het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering aangesloten ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, hogere tarieven voor medische en ziekenhuiskosten in geval van moederschap worden toegepast dan op de inwoners die bij het nationale socialezekerheidsstelsel aangesloten zijn, indien wordt gemeend dat dit besluit de intracommunautaire handel aanmerkelijk kan beïnvloeden."


Zaak C-7/98

D. Krombach/A. Bamberski

Prejudiciële verwijzing van het Bundesgerichtshof · Uitlegging van art. 27, punt 1, Executieverdrag (uitsluiting van erkenning van beslissing die in strijd is met openbare orde van aangezochte staat) · Strafrechter uitsluitend op grond van nationaliteit en woonplaats van slachtoffer bevoegd; bevoegd voor civielrechtelijke vordering op grond van art. 5, punt 4, Executieverdrag · Veroordeling bij verstek ondanks aanwezigheid van gemandateerd advocaat voor civielrechtelijke vordering · Procedure inhoudende dat buitenlandse verdachte moet verschijnen voor strafrechter die uitsluitend op grond van nationaliteit en woonplaats van slachtoffer bevoegd is (art. 6, lid 1, van Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, "eerlijk proces")

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van het Hof van 23 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"a) Artikel 27, punt 1, Executieverdrag, waarnaar artikel 34, tweede alinea, Executieverdrag verwijst, moet aldus worden uitgelegd, dat de tenuitvoerlegging van een beslissing niet in strijd met de openbare orde van de aangezochte staat kan worden geacht, op grond dat de rechter van de staat van herkomst, die zijn bevoegdheid uitsluitend baseert op de nationaliteit van het slachtoffer, uitspraak heeft gedaan op een civielrechtelijke vordering in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen een in het buitenland woonachtige verdachte;

b) deze bepaling moet bovendien aldus worden uitgelegd, dat in strijd met de openbare orde van de aangezochte staat kan worden geacht als bedoeld in artikel 27, punt 1, Executieverdrag, waarnaar artikel 34, tweede alinea, Executieverdrag verwijst, de tenuitvoerlegging van een beslissing in een burgerlijke zaak inzake de vergoeding van de schade veroorzaakt door een opzettelijk gepleegd strafbaar feit, wanneer de rechter in de staat waarin de strafrechtelijke procedure plaatsvindt, de schuldenaar het recht heeft ontzegd zich in een annexe civielrechtelijke procedure door een advocaat te laten bijstaan, omdat de in een andere verdragsluitende staat wonende verdachte die wegens het opzettelijk gepleegde strafbare feit wordt vervolgd, niet persoonlijk is verschenen."


Zaak C-284/98 P

Europees Parlement/R. Bieber

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 26 mei 1998 in zaak T-205/96 tussen Bieber en Parlement · Hogere voorziening tegen arrest waarbij het Gerecht het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van een verzoek om herplaatsing nietig heeft verklaard en het Europees Parlement heeft veroordeeld tot vergoeding van de door verzoeker geleden schade

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van de Tweede kamer van 23 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen en rekwirant in de kosten te verwijzen.


Zaak C-348/97

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

Niet-nakoming · Schending van art. 2 van verordening (EEG) nr. 2252/90 van de Commissie van 31 juli 1990 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2060/90 van de Raad betreffende de overgangsmaatregelen voor het handelsverkeer met de Duitse Democratische Republiek in de sectoren landbouw en visserij (PB 1990, L 203, blz. 61) · Import zonder heffing uit DDR, vóór hereniging, van boter van oorsprong uit Nederland, waarvoor bij uitvoer naar DDR restitutie is toegekend

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 23 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"· vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,

a) doordat zij in strijd met artikel 2 van verordening nr. 2252/90 heeft toegestaan, dat goederen uit de Duitse Democratische Republiek waarvoor bij invoer in een andere lidstaat restituties waren toegekend, op haar grondgebied kunnen worden ingevoerd zonder dat een aan het communautaire prijsniveau beantwoordende heffing werd geïnd en

b) doordat zij alle douaneformaliteiten in het interne Duitse goederenverkeer heeft afgeschaft en niet de noodzakelijke maatregelen voor de toepassing van verordening nr. 2252/90 heeft genomen;

· de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten."


Zaak C-176/98

Holst Italia SpA/Comune di Cagliari, Ruhrwasser AG International Water Management SpA

Prejudiciële verwijzing van het Tribunale amministrativo regionale per la Sardegna · Uitlegging van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening · Toelating van ondernemingen · Vereiste technische bekwaamheid en financiële draagkracht · Vennootschap die zich beroept op referenties van derde vennootschap die enig aandeelhoudster is van een van de vennootschappen die eerste vennootschap controleert

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 23 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, moet aldus worden uitgelegd, dat zij zich er niet tegen verzet, dat een aanbestedende dienst voor de beoordeling van de selectiecriteria van de financiële draagkracht en technische bekwaamheid waaraan een vennootschap moet voldoen bij het onderzoek van een offerte tijdens een met het oog op de concessie van een openbare dienst georganiseerde aanbestedingsprocedure, rekening houdt met de referenties van een andere vennootschap die enig aandeelhoudster is van een van de vennootschappen die een participatie in eerstgenoemde vennootschap hebben, mits zij aantoont dat zij daadwerkelijk de beschikking heeft over de middelen van de vennootschap waarop zij zich beroept.

De nationale rechter moet beoordelen of in het hoofdgeding van een dergelijke rechtvaardiging sprake is.

Daartoe moet de nationale rechter onder meer zich ervan verzekeren, dat de vennootschap, wier referenties in aanmerking worden genomen, een passend aandeel moet hebben in de uitvoering van de overheidsopdracht, gelet op het voorwerp van de aangevoerde referenties."


Zaak C-315/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

Niet-nakoming · Niet-omzetting binnen de gestelde termijn van richtlijn 95/21/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruik maken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lidstaten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole)

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 23 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 95/21/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruik maken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lidstaten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord, de krachtens die richtlijn en het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2) de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure."


Zaak C-228/98

Charalampos Dounias/Ypourgou Oikonomikon

Prejudiciële verwijzing van Symvoulio Epikrateias · Belastbare waarde van ingevoerde goederen · Douanewaarde · Verordening nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen · Belasting op ingevoerde goederen · Berekening van belastbare waarde · Verwijzing naar bepalingen van verordening nr. 1224/80 betreffende de vaststelling van de douanewaarde · Verenigbaarheid met art. 30 en 95 EG-Verdrag (thans art. 28 en 90 EG)

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 23 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Een wettelijke regeling van een lidstaat houdende methodes voor berekening van de belastbare waarde, die verschillen al naar gelang zij betrekking hebben op belastingen die geheven worden over goederen die op het nationale grondgebied worden vervaardigd of goederen die uit een andere lidstaat worden ingevoerd, is in strijd met artikel 95 EG-Verdrag (thans, na wijziging, art. 90 EG), wanneer als gevolg van haar bepalingen de op de ingevoerde goederen toepasselijke fiscale last zwaarder is dan die welke voor de nationale goederen geldt.

2) Een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke op de uit een andere lidstaat ingevoerde goederen een belasting wordt toegepast die niet geldt voor de soortgelijke op het nationale grondgebied vervaardigde goederen, is in strijd met artikel 95 of met de artikelen 9 tot en met 12 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de art. 23 tot en met 25 EG).

3) Verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, is niet van toepassing op de uit een andere lidstaat ingevoerde goederen.

4) Een wettelijke regeling van een lidstaat die een voorschrift bevat dat de douaneautoriteiten verplicht de ingevoerde goederen in geval van een douanegeschil niet vrij te geven, tenzij de destinataris de door de douaneautoriteit verlangde douanerechten betaalt, is in strijd met het gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 95 EG-Verdrag, indien deze procedure minder gunstig is dan die betreffende soortgelijke beroepen van nationale aard of indien deze de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten voor de belastingplichtige in de praktijk onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt.

5) Een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke de douanegeschillen moeten worden behandeld in het kader van een administratieve in plaats van een gerechtelijke procedure, vormt een inbreuk op het gemeenschapsrecht indien deze procedure minder gunstig is dan die welke geldt voor geschillen inzake de heffing van belasting op nationale producten, indien zij ten nadele van de importen van andere lidstaten kan werken of indien geen enkel beroep in recht mogelijk is tegen de ter zake gegeven administratieve beslissing.

6) Een wettelijke regeling van een lidstaat die de te gebruiken bewijsmiddelen beperkt, is in strijd met het gemeenschapsrecht, indien zij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt."


Zaak C-382/98

The Queen/Secretary of State for Social Security, ex parte: J. H. Taylor

Prejudiciële verwijzing van de High Court of Justice (Queen's Bench Division) · Uitlegging van art. 3 en van art. 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid · Verlening van brandstoffentoeslag in winter aan gepensioneerden ("winter fuel payment") · Verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 23 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 3 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat regulations 2 (5), 2 (6) en 3 (1) (b) van de Social Fund Winter Fuel Payment Regulations 1998 binnen de werkingssfeer daarvan valt.

2) a) Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een brandstoffentoeslag in de winter als bedoeld in de vragen van de High Court.

b) Gelet op het antwoord sub a behoeft vraag 2, sub b, niet te worden beantwoord."


3. NIEUWE ZAKEN

Nieuwe zaken bij het Hof

Zaak C-221/99

G. Conte/S. Rossi

Prejudiciële verwijzing van de Giudice di Pace di Genova · Uitlegging van de art. 5 en 85 EG-Verdrag (thans art. 10 en 81 EG) · Begrip ondernemersverenigingen · Beroepsorde van architecten · Daaronder begrepen · Vaststelling van honoraria


Zaak C-222/99

Ministero delle Finanze/CASER SpA

Prejudiciële verwijzing van de Corte d'appello di Roma · Terugbetaling van rechten die zijn geïnd in strijd met richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op bijeenbrengen van kapitaal · Heffing bij inschrijving van andere vennootschapsakten dan oprichtingsakte · Vaststelling met terugwerkende kracht van een forfaitaire heffing


Zaak C-223/99

Agora' Srl/Ente Autonomo Fiera Internazionale di Milano

Prejudiciële verwijzing van het Tribunale amministrativo regionale per la Lombardia · Uitlegging van art. 1, sub b, van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening · Begrip publiekrechtelijke instelling · Ente Autonomo Fiera Internazionale di Milano · Daaronder begrepen


Zaak C-224/99

Commissie/Frankrijk

Niet-nakoming · Art. 171 EG-Verdrag (thans art. 228 EG) · Verzuim, maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest van het Hof van 13 maart 1997 in zaak C-197/96, Commissie/Frankrijk · Niet-nakoming van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden · Nationaal verbod op nachtarbeid door vrouwen · Verzoek een dwangsom op te leggen


Zaak C-225/99

Sociale Verzekeringsbank/Y. Moughit

Prejudiciële verwijzing van de Centrale Raad van Beroep · Uitlegging van art. 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko van 1976 · Begrip "gezinslid" · Moeder van werknemer, die bij hem woonachtig is


Zaak C-226/99

Siples Srl, in liquidatie/Ministero delle Finanze, Servizio della Riscossione dei Tributi - San Paolo Riscossioni Genova SpA

Prejudiciële verwijzing van het Tribunale di Genova · Uitlegging van art. 244 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek · Opschorting van invordering douaneschuld · Bevoegdheden van de douaneautoriteiten respectievelijk de rechterlijke instanties


Zaak C-227/99

Commissie/Portugal

Niet-nakoming · Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 96/67/EG van de Raad van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap


Zaak C-228/99

Silos e Mangimi Martini SpA/Ministero delle Finanze

Prejudiciële verwijzing van het Tribunale di Cagliari · Geldigheid van de verordeningen (EG) nr. 1521/95 en (EG) nr. 1576/95 van de Commissie van 29 en 30 juni 1995 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mengvoeders op basis van granen


Zaak C-229/99

Commissie/Frankrijk

Niet-nakoming · Niet-vaststelling binnen de gestelde termijn van de nodige bepalingen voor het volgen van richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995 tot wijziging van richtlijn 91/628/EEG inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer


Zaak C-230/99

Commissie/Frankrijk

Niet-nakoming · Schending van art. 30 EG-Verdrag (thans art. 28 EG) · Nationale regelgeving op het gebied van materialen en voorwerpen in rubber, die in contact komen met eet- en drinkwaren · Ontbreken van clausule inzake wederzijdse erkenning


Zaak C-231/99

Commissie/Oostenrijk

Niet-nakoming · Niet-omzetting binnen de gestelde termijn van richtlijn 96/32/EG van de Raad van 21 mei 1996 houdende wijziging van bijlage II bij richtlijn 76/895/EEG betreffende de vaststelling van de maximale

hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen in en op groenten en fruit en van bijlage II bij richtlijn 90/642/EEG tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit, en houdende vaststelling van een lijst van maximumgehalten en van richtlijn 96/33/EG van de Raad van 21 mei 1996 houdende wijziging van de bijlagen bij de richtlijnen 86/362/EEG en 86/363/EEG tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op granen, respectievelijk in en op levensmiddelen van dierlijke oorsprong


Zaak C-232/99

Commissie/Spanje

Niet-nakoming · Gebrekkige omzetting van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1) · Toegang tot het beroep van specialist · Verplichting voor artsen die in Spanje aanvullende specialistenopleidingen wensen te volgen, om aldaar het gewone toelatingsexamen (M.I.R.) af te leggen, in strijd met art. 8 van de richtlijn · Niet-omzetting van art. 18 van de richtlijn


Zaak C-233/99

Anklagemyndigheden/Tonny Haugsted Hansen

Prejudiciële verwijzing van Københavns byret · Uitlegging van de art. 5, 7, 9 en 18 van richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval · Uitlegging van art. 30 EG-Verdrag (thans art. 28 EG) · Verbod van verkoop op nationale markt van ingevoerde blikjes drank · Toelaatbaarheid van strafmaatregelen · Rechtstreekse werking van richtlijn


Zaak C-234/99

N. Nygård/Svineafgiftsfonden

Prejudiciële verwijzing van Vestre Landsret · Uitlegging van de art. 9 (thans art. 23 EG), 12 (thans art. 25 EG), 16 (ingetrokken), 95 (thans art. 90 EG), alsmede art. 93, lid 3, (thans art. 88, lid 3, EG) EG-Verdrag · Heffing op alle varkens die in een lidstaat worden geproduceerd, welke verschuldigd is bij het slachten of bij export van het levende dier, en waarvan de opbrengst gedeeltelijk wordt besteed aan uitsluitend de producten van de slacht in de lidstaat · Regeling die door de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake steunmaatregelen van de staten


Zaak C-235/99

The Queen, ex parte: E. I. Kondova/Secretary of State for the Home Department

Prejudiciële verwijzing van de High Court of Justice (Queen's Bench Division) · Uitlegging van de art. 45 en 59 van de associatie-overeenkomst EEG/Bulgarije · Toepassing op Bulgaars onderdaan die grondgebied van lidstaat is binnengekomen vóór de inwerkingtreding van die overeenkomst en wiens aanwezigheid in strijd is met de immigratiewetgeving van die staat


Zaak C-236/99

Commissie/België

Niet-nakoming · Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater · Mededeling van een programma voor uitvoering van richtlijn dat daarmee niet in overeenstemming is wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft


Zaak C-237/99

Commissie/Frankrijk

Niet-nakoming · Art. 11, lid 2, van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken · Verplichte publicatie in het EG PB · Aanbestedende diensten · "Publiekrechtelijke instelling" in de zin van art. 1, sub b, van de richtlijn · Offices publids d'aménagement et de construction (OPAC) en sociétés anonymes d'habitation à loyer modéré (SAHLM)


Zaak C-238/99 P

Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) NV en Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a./Commissie

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht van 20 april 1999 in de gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94 tussen Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a. en Commissie ("PVC II") waarbij het Gerecht heeft verworpen het beroep tot nietigverklaring tegen beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 EG-Verdrag (thans art. 81 EG)


Zaak C-239/99

Nachi Europe GmbH/Hauptzollamt Krefeld

Prejudiciële verwijzing van het Finanzgericht Düsseldorf · Geldigheid van art. 1, sub 2, van verordening (EEG) nr. 2849/92 van de Raad van 28 september 1992 tot wijziging van het bij verordening (EEG) nr. 1739/85 ingestelde definitieve antidumpingrecht op de invoer in de Europese Gemeenschap van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm, van oorsprong uit Japan · Werking in de tijd van een vaststelling van ongeldigheid


Zaak C-240/99

Försäkringsaktiebolaget Skandia (publ)

Prejudiciële verwijzing van Regeringsrätten · Uitlegging van art. 13 B, sub a, van richtlijn 77/388/EEG: Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting · Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag · Vrijstelling van "handelingen ter zake van verzekering" · Beheer van werkzaamheid van verzekeringsmaatschappij door een andere verzekeringsmaatschappij, die haar moedermaatschappij is


Zaak C-241/99

Confederación Intersindical Galega (CIG)/Servicio Galego de Saude (Serga)

Prejudiciële verwijzing van het Tribunal Superior de Justicia de Galicia · Uitlegging van de art. 1, sub 3, en 17 van richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd · Toepassingsgebied · Personeel van eerstehulpdiensten · Begrip overuren · Tijdvakken van wachtdiensten vervuld door artsen volgens bepaald ritme


Zaak C-242/99

J. Vogler/Landwirtschaftliche Alterskasse Schwaben

Prejudiciële verwijzing van het Sozialgericht Augsburg · Geldigheid van de art. 13, lid 1, en 14 bis, sub 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 · Uitlegging van de art. 3B en 52 EG-Verdrag (thans art. 5 en 43 EG) · Gemeenschapsbepaling die verder gaat dan nodig om het doel van de vrije vestiging te bereiken · Uitlegging van de art. 13, lid 2, sub b, 14 bis, sub 2 en 3, en 14 ter, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 · Positie van degene die in meerdere lidstaten meerdere onderling verschillende zelfstandige werkzaamheden uitoefent, ten aanzien van de sociale zekerheidsstelsels van deze staten


Zaak C-243/99

FILA Sport SpA/Beijing Metals & Minerals Import & Export Corp.

Prejudiciële verwijzing van het Landesgericht Korneuburg · Uitlegging van art. 1 van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden · Werkingssfeer · Goederen tegengehouden bij doorvoer uit een derde land naar een derde land · Houder van het betrokken merk is in de Gemeenschap gevestigd


Zaak C-244/99 P

DSM NV en DSM Kunststoffen BV en Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a./Commissie

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht van 20 april 1999 in de gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94 tussen Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a. en Commissie ("PVC II") waarbij het Gerecht heeft verworpen het beroep tot nietigverklaring tegen beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 EG-Verdrag (thans art. 81 EG)


Zaak C-245/99 P

Montedison SpA en Limburgse Vinyl Maatshappij (LVM) e.a./Commissie

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht van 20 april 1999 in de gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94 tussen Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a. en Commissie ("PVC II") waarbij het Gerecht heeft verworpen het beroep tot nietigverklaring tegen beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 EG-Verdrag (thans art. 81 EG)


Zaak C-246/99

Commissie/Denemarken

Niet-nakoming · Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval · Schending van de art. 30 en 36 EG-Verdrag (thans art. 28 en 30 EG) · Nationale wettelijke regeling inzake de verpakking van bier en koolzuurhoudende frisdranken · Verplichting om uitsluitend hergebruikverpakkingen te gebruiken · Verbod om ingevoerde blikjes te gebruiken


Zaak C-247/99 P

Elf Atochem SA en Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a./Commissie

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht van 20 april 1999 in de gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94 tussen Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a. en Commissie ("PVC II") waarbij het Gerecht heeft verworpen het beroep tot nietigverklaring tegen beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 EG-Verdrag (thans art. 81 EG)


Zaak C-248/99 P

Frankrijk en Monsanto Company/Commissie

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 22 april 1999 in zaak T-112/97 tussen Monsanto en Commissie · Nietigverklaring van beschikking C(97) 148 def. van de Commissie van 14 januari 1997 betreffende het bepalen van een standpunt, overeenkomstig art. 175 EG-Verdrag (thans art. 232 EG), over het opnemen van somatotropine in bijlage II bij verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong


Zaak C-249/99 P

Pescados Congelados Jogamar S.L./Commissie

Hogere voorziening tegen beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 30 april 1999 in zaak T-311/97 tussen Pescados Congelados Jogamar en Commissie, waarbij het Gerecht beroep wegens nalaten niet-ontvankelijk heeft verklaard · Precisering van voorwaarden van voorafgaande uitnodiging tot handelen · Uitnodiging aan Commissie tot handelen in belang van aangehouden en in haven van derde land opgebracht vissersvaartuig en zijn bemanning in vorm van betaling van reiskosten van ambtenaren van Commissie


Zaak C-250/99 P

Degussa-Hüls AG en Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) NV e.a./Commissie

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht van 20 april 1999 in de gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94 tussen Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a. en Commissie ("PVC II") waarbij het Gerecht

heeft verworpen het beroep tot nietigverklaring tegen beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 EG-Verdrag (thans art. 81 EG)


Zaak C-251/99 P

Enichem SpA en Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a./Commissie

Zie zaak C-250/99


Zaak C-252/99 P

Wacker-Chemie GmbH en Hoechst AG en Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a./Commissie

Zie zaak C-250/99


Zaak C-253/99

Bacardi GmbH/Hauptzollamt Bremerhaven

Prejudiciële verwijzing van het Finanzgericht Bremen · Uitlegging van art. 236 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) · Voorwaarden voor terugbetaling van rechten bij invoer · Overlegging van certificaat van echtheid ten bewijze van preferentieel recht na aangifte · Uitlegging van de art. 29, lid 1, en 890 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek · Uitlegging van art. 239 van verordening (EEG) nr. 2913/92 en van art. 905 van verordening (EEG) nr. 2454/93 ("bijzondere situatie" als grond voor terugbetaling)


Zaak C-254/99 P

Imperial Chemical Industries plc (ICI) en Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) e.a./Commissie

Zie zaak C-250/99


Zaak C-255/99

A. Humer

Prejudiciële verwijzing van het Oberste Gerichtshof · Uitlegging van art. 4, lid 1, sub h, alsmede van de art. 73 en 74 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2201/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6, bijlage 1) · Begrip gezinsbijslagen · Nationale wettelijke regeling die voorziet in de betaling, door een vereveningskas voor gezinsbijslagen, van voorschotten op het door een werknemer aan zijn kind verschuldigde, maar niet betaalde, onderhoud · Vereiste van verblijf (van het kind) op het nationale grondgebied · Uitlegging van art. 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap · Begrip "sociaal voordeel" · Rechtmatigheid van het verblijfsvereiste (art. 3, lid 1, tweede mogelijkheid, van verordening (EEG) nr. 1612/68 en art. 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging, art. 39 EG)


Zaak C-256/99

The Queen, ex parte: Cheung Chiu Hung/Secretary of State for the Home Department

Prejudiciële verwijzing van de High Court of Justice (Queen's Bench Division) · Uitlegging van art. 8 EG-Verdrag (thans art. 17 EG) · Begrip "persoon die de nationaliteit van een lidstaat bezit" · Begrip "burgerschap van de Unie" · "Britisch Overseas citizen" die naar Brits recht niet gerechtigd is het Verenigd Koninkrijk binnen te komen of aldaar te verblijven · Inbegrepen


Zaak C-257/99

The Queen, ex parte: J. Barkoci en M. Malik/Secretary of State for the Home Department

Prejudiciële verwijzing van de High Court of Justice (Queen's Bench Division) · Uitlegging van art. 45 juncto art. 59 van de Associatie-Overeenkomst EEG/Tsjechische Republiek · Rechtstreekse werking · Tsjechisch onderdaan die zich in lidstaat als zelfstandige wenst te vestigen


Zaak C-258/99

BASF AG/Bureau voor de Industriële Eigendom (BIE)

Prejudiciële verwijzing van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage · Uitlegging van verordening (EG) nr. 1610/96 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen · Begrip beschermd "product" (art. 3 van de verordening) · Nieuw product · Reeds bekende werkzame stof · Nieuwe geoctrooieerde werkwijze waardoor een zuiverdere werkzame stof kan worden verkregen


4. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

Wij wijzen u er nogmaals op, dat in de weekoverzichten nrs. 21/99 en 22/99 een mededeling is opgenomen over de nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen in teksten van het Hof en van het Gerecht.


(1)


1: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 29 september 1999

Catalogusnummer: DX-AC-99-0023-NL-C

Deel: ' Weekoverzicht Hof van Justitie en gerecht eerste aanleg EU '




Lees ook