WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 17 tot 21 januari 2000

nr. 02/00


I. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-414/98

Landerzeugergemeinschaft eG Groß Godems/Amt für Landwirtschaft Parchim

Landbouw

Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-290/97

Mehibas Dordtselaan BV/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Vrij verkeer van goederen

II. CONCLUSIES

Zaak C-343/98

R. Collino en L. Chiappero/Telecom Italia SpA

Zaak C-465/98

Verein gegen Unwesen in Handel und Gewerbe Köln eV/Adolf Darbo AG

Zaak C-359/98 P

Ca'Pasta

Zaak C-50/99

J.-M. Podesta/Caisse de retraite par répartition des ingénieurs cadres & assimilés (CRICA) e.a.

Zaak C-206/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

Zaak C-274/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

III. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

1. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-414/98

Landerzeugergemeinschaft eG Groß Godems/Amt für Landwirtschaft Parchim

Landbouw

20 januari 2000

Prejudiciële zaak

"Landbouw · Verordening (EEG) nr. 4115/88 · Steun voor extensivering van productie · Toepasselijke sancties"

(Derde kamer)

Bij beschikking van 17 september 1998 heeft het Verwaltungsgericht Schwerin drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 16 van verordening (EEG) nr. 4115/88 van de Commissie van 21 december 1988, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 838/93 van de Commissie van 6 april 1993.

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Landerzeugergemeinschaft eG Groß Godems en het Amt für Landwirtschaft Parchim over de intrekking van de door deze dienst betaalde extensiveringssteun.

De eerste vraag

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de wijze van berekening van de vermindering van de steun voor de extensivering, bepaald in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, van toepassing is wanneer het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden meer dan twee hectaren bedraagt, maar minder dan 10 % van de oppervlakte waarvoor steun is gevraagd.

Uit de tekst van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, blijkt duidelijk, dat de in die bepaling geregelde vermindering van toepassing is wanneer het vastgestelde verschil tussen de twee aldaar bepaalde minimumgrenzen (2 % en 0,2 ha) en maximumgrenzen (10 % en 2 ha) valt. Uit het gebruik van het woord "en" om elk van deze grenzen te verbinden, blijkt dat deze cumulatief zijn. De betrokken bepaling is dus van toepassing wanneer beide minimumgrenzen zijn bereikt en de maximumgrenzen niet allebei zijn overschreden.

De tweede vraag

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de vermindering van de steun voor de extensivering, bepaald in artikel 16, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, alleen geldt voor de periode na de vastgestelde overtreding dan wel voor de gehele looptijd van de verbintenis van de begunstigde.

Uit de bewoordingen van artikel 16, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, blijkt duidelijk, dat de vermindering ook van toepassing is op de vóór de vastgestelde overtreding uitgekeerde steun, behalve wanneer de begunstigde kan bewijzen dat het vastgestelde verschil noch aan zijn opzet noch aan zijn nalatigheid is toe te schrijven. Behalve in dit laatste geval moet de vermindering dus worden toegepast met betrekking tot de gehele looptijd van de verbintenis van de begunstigde.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Artikel 16, lid 1, van verordening (EEG) nr. 4115/88 van de Commissie van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van de steunregeling voor de extensivering van de productie, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 838/93 van de Commissie van 6 april 1993, moet aldus moet worden uitgelegd, dat de aldaar bepaalde wijze van berekening van de vermindering van de steun voor de extensivering van toepassing is wanneer het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden meer dan twee hectaren bedraagt, maar minder dan 10 % van de oppervlakte waarvoor steun is gevraagd.

2) De vermindering van de steun voor de extensivering, bepaald in artikel 16, lid 1, tweede zin, van verordening (EEG) nr. 4115/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 838/93, geldt voor de gehele looptijd van de verbintenis van de begunstigde, behalve wanneer deze kan bewijzen dat het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden noch aan zijn opzet noch aan zijn nalatigheid is toe te schrijven."

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van de Derde kamer van 11 november 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 16 van verordening (EEG) nr. 4115/88 van de Commissie van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van de steunregeling voor de extensivering van de productie, in de versie van verordening (EEG) nr. 838/93 van de Commissie van 6 april 1993 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 4115/88, moet aldus worden uitgelegd, dat de in de eerste volzin van lid 1 van dit artikel bedoelde sanctie van toepassing is wanneer het verschil tussen het aantal eenheden oppervlakte waarvoor de steun is aangevraagd, en het ten behoeve van een controle geconstateerde aantal eenheden weliswaar meer dan 2 ha doch minder dan 10 % van het bouwland bedraagt.

2) Artikel 16, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 4115/88, in de versie van verordening nr. 838/93, moet aldus worden uitgelegd, dat de vermindering met betrekking tot de reeds eerder uitgekeerde steunbedragen van toepassing is met terugwerkende kracht tot de begindatum van het tijdvak waarvoor de extensiveringsverbintenis werd aangegaan, tenzij de begunstigde aantoont, dat het verschil noch aan zijn opzet noch aan zijn nalatigheid is toe te schrijven.

3) De criteria aan de hand waarvan moet worden bepaald of er sprake is van een 'ernstige onregelmatigheid` in de zin van artikel 16, lid 3, van verordening nr. 4115/88, in de versie van verordening nr. 838/93, zijn enerzijds, dat deze onregelmatigheid is begaan in het kader van andere gevallen van niet-naleving van de aangegane verbintenissen dan de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen, en anderzijds, dat er sprake moet zijn van grove nalatigheid of bedrieglijke opzet."


Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-290/97

Mehibas Dordtselaan BV/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Vrij verkeer van goederen

18 januari 2000

"Beroep tot nietigverklaring · Importen van pluimvee · Artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 · Beschikking van de Commissie waarbij teruggave van landbouwheffingen wordt geweigerd · Intrekking van beschikking · Dossierverklaring · Geoorloofd karakter · Gewettigd vertrouwen · Rechtszekerheid · Kennelijke beoordelingsfouten · Motiveringsplicht"

(Vijfde kamer)

Toepasselijke bepalingen

Artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (hierna: "verordening nr. 1430/79"), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 tot wijziging van verordening nr. 1430/79, bepaalt:

"Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in (...) bijzondere situaties (...) die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden."

De feiten

Verzoekster, Mehibas Dordtselaan BV, is douane-expediteur in de Rotterdamse haven.

Tussen februari 1981 en juni 1983 deed zij 98 aangiften ten invoer van door Ruva BV ingevoerde pluimveedelen. Deze aangiften werden opgemaakt op basis van door Ruva verstrekte facturen en leidden tot de inning van landbouwheffingen.

In 1984 ontdekte de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, dat met de door Ruva verstrekte facturen was gefraudeerd.

Bijgevolg nodigden de Nederlandse douaneautoriteiten verzoekster in oktober 1986 uit, de alsnog verschuldigde landbouwheffingen te voldoen (hierna: "betwiste heffingen").

Op 29 oktober 1990 diende verzoekster een verzoek om teruggave van de betwiste heffingen in bij de Nederlandse autoriteiten. Deze zonden het naar de Commissie, opdat deze zou besluiten, of terugbetaling krachtens artikel 13 van verordening nr. 1430/79 gerechtvaardigd was.

Bij beschikking van 14 november 1994 stelde de Commissie vast, dat de gevraagde terugbetaling niet gerechtvaardigd was.

Verzoekster stelde beroep in tot nietigverklaring van de beschikking van 14 november 1994 (zaak T-89/95).

Op 31 mei 1996 trok de Commissie naar aanleiding van het arrest van het Gerecht van 9 november 1995, France-aviation/Commissie (hierna: "arrest France-aviation"), haar beschikking van 14 november 1994 in.

Ingevolge het arrest France-aviation dienden alle verzoeken om terugbetaling van invoerrechten vergezeld te gaan van een verklaring waarin de belanghebbende bevestigde, kennis te hebben genomen van het door de nationale autoriteiten toegezonden dossier, en in voorkomend geval verklaarde, dat hij daaraan niets had toe te voegen (hierna: "dossierverklaring").

Bij schrijven van 10 december 1996 deelden de Nederlandse douaneautoriteiten verzoekster mede, dat de Commissie naar aanleiding van het arrest France-aviation, haar beschikking van 14 november 1994 had ingetrokken en dat ingevolge dat arrest verzoeken om terugbetaling vergezeld dienden te gaan van een dossierverklaring. Zij verzochten verzoekster dan ook om toezending van een dergelijk document.

Bij brief van 6 februari 1997 zond verzoekster de Nederlandse autoriteiten de verlangde dossierverklaring.

De Nederlandse autoriteiten zonden de Commissie een nieuw verzoek om terugbetaling met daarbij de verschillende stukken.

Bij beschikking C (97) 2331 van 22 juli 1997, gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden, stelde de Commissie vast, dat de gevraagde terugbetaling niet gerechtvaardigd was (hierna: "bestreden beschikking").

Ten gronde

Het eerste middel: schending van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: "verordening nr. 2454/93")

Verzoeksters argumenten roepen twee fundamentele vragen op, waarvan de eerste betrekking heeft op de bevoegdheid van de Commissie om na haar intrekkingsbeschikking van 31 mei 1996 een nieuwe beschikking te geven op verzoeksters verzoek om terugbetaling, en de tweede op de regelmatigheid van de wijze van vaststelling van de bestreden beschikking.

1. De bevoegdheid van de Commissie om na haar intrekkingsbeschikking van 31 mei 1996 een nieuwe beschikking te geven

De Commissie diende overeenkomstig de vereisten van het wettigheidsbeginsel in antwoord op verzoeksters terugbetalingsverzoek in het kader van de procedure van verordening nr. 2454/93 een nieuwe beschikking te geven, na verzoekster in de gelegenheid te hebben gesteld haar recht om te worden gehoord uit te oefenen.

2. De wijze van vaststelling van de bestreden beschikking

In de eerste plaats werd in de beschikking van 14 november 1994 als enige grond voor de afwijzing van verzoeksters eerste terugbetalingsverzoek vermeld, dat er geen sprake was van een bijzondere situatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, doch blijkens de stukken achtte de Commissie het verzoek "noch geldig noch ontvankelijk", omdat het niet vergezeld ging van een dossierverklaring. Vaststaat evenwel, dat op het tijdstip waarop het verzoek werd ingediend, geen dossierverklaring vereist was.

Door aldus aan verzoeksters eerste terugbetalingsverzoek met terugwerkende kracht een nieuwe ontvankelijkheidsvoorwaarde te verbinden, heeft de Commissie derhalve niet alleen de grenzen van haar bevoegdheden uit hoofde van verordening nr. 2454/93 overschreden, maar ook het rechtszekerheidsbeginsel geschonden.

In de tweede plaats beantwoordt de door de Commissie ingevoerde dossierverklaringsregeling slechts ten dele aan de in het arrest France-aviation geformuleerde beginselen. De regeling biedt een marktdeelnemer die om terugbetaling verzoekt immers slechts de mogelijkheid zich ervan te vergewissen, dat het dossier volledig is, en, zo nodig, daaraan alle door hem nuttig geachte gegevens toe te voegen. Daarmee kan de belanghebbende zijn recht om te worden gehoord weliswaar doeltreffend uitoefenen in de eerste fase van de administratieve procedure, op nationaal niveau, maar de regeling garandeert geenszins de eerbiediging van de rechten van de verdediging in de tweede fase van de procedure, voor de Commissie, na de toezending van het dossier door de nationale autoriteiten.

Uit het arrest France-aviation blijkt evenwel, dat het recht om in een procedure als de thans in geding zijnde te worden gehoord, in beide fasen moet worden gegarandeerd.

Uit de voorgaande overwegingen volgt, dat de procedure die de Commissie voor de vaststelling van de bestreden beschikking heeft gevolgd, derhalve onregelmatigheden vertoonde. Deze zouden evenwel slechts tot nietigverklaring van de bestreden beschikking kunnen leiden, indien was komen vast te staan, dat de procedure zonder deze onregelmatigheden tot een ander resultaat had kunnen leiden.

Er is niet komen vast te staan, dat de procedure zonder de in casu vastgestelde onregelmatigheden tot een andere beschikking dan de bestreden beschikking zou hebben kunnen leiden. Het eerste middel moet bijgevolg worden verworpen.

Het tweede middel: schending van het vertrouwensbeginsel

Het recht om zich op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen te beroepen, komt toe aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt, dat een gemeenschapsinstantie bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt.

Uit verzoeksters argumenten blijkt geenszins, dat de Commissie haar de concrete toezegging had gedaan, dat de betwiste heffingen zouden worden terugbetaald.

Het derde middel: schending van artikel 13 van verordening nr. 1430/79

Volgens vaste rechtspraak is artikel 13 van verordening nr. 1430/79 een algemene billijkheidsclausule die bedoeld is voor andere situaties dan die welke in de praktijk meestal aan den dag treden en waarvoor bij de vaststelling van de verordening een bijzondere regeling kon worden getroffen.

Het bestaan van een bijzondere situatie

Verzoeksters argument, dat de betwiste heffingen niet bij Ruva konden worden ingevorderd, omdat die vennootschap inmiddels insolvent was geworden, kan niet worden aanvaard. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat artikel 13 van verordening nr. 1430/79 uiteraard niet bedoeld is om douane-expediteurs tegen het faillissement van hun cliënten te beschermen.

Tevens faalt het tweede punt van verzoeksters betoog, waar zij aanvoert, dat het frauduleuze karakter van de door Ruva verstrekte facturen een bijzondere situatie in de zin van artikel 13 zou opleveren. Met haar oordeel dat deze omstandigheid een van de beroepsrisico's is waaraan een douane-expediteur wegens de aard van zijn werkzaamheden blootstaat, heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt.

De Commissie heeft dus geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te menen, dat de door verzoekster aangevoerde omstandigheden geen bijzondere situatie opleverden in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst verzoekster in de kosten."


2. CONCLUSIES

Zaak C-343/98

R. Collino en L. Chiappero/Telecom Italia SpA

Prejudiciële verwijzing van de Pretura circondariale di Pinerolo · Uitlegging van de art. 1 en 3, lid 1, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan · Begrip overdracht · Overdracht krachtens de wet van een dienst van algemeen belang van een openbare instelling aan een naamloze vennootschap, waarvan alle aandelen in handen van de staat zijn · Verplichting voor cessionaris tot voortzetting van arbeidscontracten en behoud van rechten van werknemers zoals die welke voortvloeien uit anciënniteit

Advocaat-generaal S. Alber heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 18 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Los van de vraag of de richtlijn van toepassing is gezien de voorgaande opmerkingen, moet zij in elk geval worden uitgelegd als volgt:

A · Een overdracht van een onderneming onder bezwarende titel, toegestaan bij de wet en uitgevoerd bij ministerieel decreet, betreffende een onderneming die wordt overgedragen door een openbare instelling die een directe emanatie is van de staat, aan een particuliere vennootschap die wordt gecontroleerd door een andere openbare instelling die alle aandelen ervan bezit, valt onder artikel 1 van richtlijn 77/187 wanneer de werkzaamheid waarop de overdracht betrekking heeft, aan de particuliere vennootschap is toevertrouwd bij wege van administratieve concessie.

B1 · Krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn moet van een verplichte voortzetting van de arbeidsverhouding met de verkrijger worden uitgegaan, waardoor de werknemers recht hebben op betaling van een enkele vergoeding bij beëindiging van de arbeidsverhouding, waarbij de diensttijd (bij de oude en de nieuwe werkgever) als een geheel wordt beschouwd, wanneer de arbeidsovereenkomst met de vervreemder in dat recht voorzag.

B2 · Artikel 3, lid 1, moet aldus worden uitgelegd, dat een verworven anciënniteit aan de verkrijger slechts de rechten overdraagt, die in het kader van de betrekkingen met de vervreemder daaraan verbonden zijn."


Zaak C-465/98

Verein gegen Unwesen in Handel und Gewerbe Köln eV/Adolf Darbo AG

Prejudiciële verwijzing van het Oberlandesgericht Köln · Uitlegging van art. 2, lid 1, letter a, sub i, van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame · Aardbeienjam

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 20 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven voor recht te verklaren als volgt:

"Artikel 2, lid 1, sub a-i, van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997, moet aldus worden uitgelegd, dat het gebruik van de vermelding 'naturrein` ter aanduiding van een aardbeienjam zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de koper niet kan misleiden ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel."


Zaak C-359/98 P

Ca'Pasta

Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 16 juli 1998 in zaak T-274/97 tussen Ca' Pasta Srl en Commissie · Beschikking houdende niet-ontvankelijkverklaring van beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad van 18 december 1986 inzake communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquicultuur

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Tweede kamer van 20 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven de hogere voorziening af te wijzen en Ca'Pasta in de kosten te veroordelen.


Zaak C-50/99

J.-M. Podesta/Caisse de retraite par répartition des ingénieurs cadres & assimilés (CRICA) e.a.

Prejudiciële verwijzing van het Tribunal de grande instance de Paris · Gelijke behandeling · Uitlegging van art. 119 EG-Verdrag (de art. 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de art. 136 EG-143 EG) · Toepasselijkheid op aanvullende pensioenregelingen op privaatrechtelijke grondslag die niet door overheid worden gefinancierd · Nabestaandenpensioen na overlijden echtgenoot · Pensioen gekoppeld aan pensioengerechtigde leeftijd

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 20 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de art. 136 EG-143 EG) is van toepassing op aanvullende pensioenregelingen zoals die welke worden beheerd door de Association générale des institutions de retraite des cadres (AGIRC) en de Association des régimes de retraite complémentaire (ARRCO), en verbiedt hun sedert 17 mei 1990 tussen mannen en vrouwen onderscheid te maken naar de leeftijd waarop zij, na overlijden van de echtgeno(o)t(e), aanspraak hebben op een nabestaandenpensioen.

De gelijke behandeling geldt dus voor alle uitkeringen verschuldigd uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid."


Zaak C-206/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

Niet-nakoming · Gebrekkige omzetting van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn "schadeverzekering") · Uitsluiting van verzekeringskassen en ondernemingen die arbeidsongevallenverzekering uitoefenen, van de werkingssfeer van de nationale omzettingswet, zelfs wanneer het gaat om ondernemingen met winstoogmerk die voor eigen risico optreden

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 20 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) het beroep ontvankelijk te verklaren;

2) vast te stellen dat het Koninkrijk België, door artikel 2 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1994, te handhaven, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn 'schadeverzekering`);

3) de exceptie van onwettigheid van het Koninkrijk België af te wijzen;

4) het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten van de Commissie."


Zaak C-274/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

Niet-nakoming · Niet-vaststelling binnen de gestelde termijn van de actieprogramma's bedoeld in art. 5 van richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 20 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"· vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet tijdig over te gaan tot vaststelling van de actieprogramma's bedoeld in artikel 5 van richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, niet heeft voldaan aan de krachtens dit artikel van de richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen;

· het Koninkrijk Spanje in de kosten te verwijzen."


3. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

Wij herhalen nogmaals ons bericht, dat in de weekoverzichten nrs. 21/99 en 22/99 een mededeling is opgenomen over de nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen in teksten van het Hof en van het Gerecht.


(1)


1: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 21 januari 2000

Catalogusnummer: QD-AC-00-002-NL-C

Deel: ' Weekoverzicht Hof van Justitie en Gerecht eerste aanleg EU '




Lees ook