Wetsontwerp betreffende het belgisch actieplan voor de werkgelegenheid en diverse bepalingen

Kabinet van de minister van tewerkstelling en arbeid en gelijke-kansenbeleid

Brussel, 5 februari

Vandaag, vrijdag 5 februari 1999 werd in de Commissie Sociale Zaken van de Kamer het Wetsontwerp betreffende het Belgisch Actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen gestemd.

Het wetsontwerp heeft als doel het omzetten in wettekst van de door België genomen beslissingen in het kader van het Belgisch Actieplan voor de werkgelegenheid 1998. Het wetsontwerp bevat daarnaast vooral een aantal bepalingen die uitvoering geven aan bepalingen opgenomen in het interprofessioneel akkoord 1999-2000.

In het luik over het Belgisch Actieplan voor de werkgelegenheid zijn de belangrijkste onderdelen :

STAGE DER JONGEREN De stage der jongeren heeft tot doel om de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces te bevorderen door de ondernemingen en administraties ertoe te verplichten een aantal jonge werkzoekenden als stagiair in hun onderneming op te nemen. In principe gaat het om werkzoekenden jonger dan 30 jaar zonder werkervaring.

Minister Smet wijst erop dat de vakbondscijfers over het aantal stagiairs onderschat zijn omdat door de jaren heen, dikwijls op vraag van de vakbonden, een aantal categorieën gelijkgesteld werden met stagiairs, bijvoorbeeld het industrieel leercontract, het alternerend leren en werken enz. De cijfers van 1997 wijzen uit dat 23.938 jongeren een stagecontract of een gelijkgesteld contract hadden, wat overeenstemt met 91 %van de in te vullen stageplaatsen.

Het wetsontwerp houdt vier belangrijke wijzigingen in:

Het stopzetten van de verplichting om jongeren met een Eerste - Werk-Ervaringscontract aan te werven . Alle stagiairs worden voortaan aangeworven in het kader van een traditionele stage der jongeren.

Het sanctioneringsmechanisme wordt gewijzigd.

De stagiair moet eveneens opgenomen worden in de RSZ-aangifte.

In het kader van de uitvoering van het IPA worden gehandicapten die tewerkgesteld worden met een contract van onbepaalde duur gelijkgesteld met een stagiair.

VOORDEELBANENPLAN Het voordeelbanenplan werd door minister Smet in het leven geroepen op 1 januari 1995 en is een specifieke maatregel om de langdurig werklozen meer kansen te geven op de arbeidsmarkt. Het richt zich tot werklozen die één jaar of langer werkloos zijn. Voor de werkgever die een persoon aanwerft die 1 jaar werkloos is of leeft van een bestaansminimum betekent dit een degressieve vermindering van de patronale bijdragen ( 1ste jaar 75%, 2de jaar 50%). Is de aangeworven persoon reeds 2 jaar werkloos, dan kan de werkgever rekenen op een vermindering van 100% het eerste jaar en 75% het tweede jaar.

In de wet wordt deze maatregel verlengd voor 1999 en 2000 omdat hij succesvol was.

Volgens de cijfers van december 1998 werden, sinds de maatregel van kracht is, reeds 127.825 personen aangeworven. Het gaat om 67.888 mannen en 59.937 vrouwen. Het voordeelbanenplan werd dus vrij gelijkmatig opgenomen door mannen ( 53 %) en vrouwen (47%).

Per gewest kunnen we de volgende verdeling optekenen: Vlaanderen 53.968 (42.22%), Wallonië 62.979 (49.27%) en Brussel 10.878 (8.51 %)

Opvallend is dat 47 % van de werklozen die in dit stelsel aan de slag gingen reeds meer dan twee jaar werkloos waren. Het gaat m.a.w. om mensen die zonder hulp van deze maatregel niet of zeer moeilijk uit de werkloosheid zouden geraken

ACTIVERING VAN DE WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN Sommige bepalingen regelen de financiering van het vakantiegeld voor personen die in een Smetbaan tewerkgesteld zijn.

VERLAGING VAN DE SOCIALE LASTEN De Regering heeft beslist om de sociale zekerheidsbijdragen in België op een termijn van 6 jaar op een niveau te brengen van onze 3 buurlanden. Gedurende zes jaar wordt elk jaar de lastenvermindering met telkens 18 miljard verhoogd zodat finaal 108 Mia bijkomende lastenverlaging gegeven wordt. Deze lastenverlaging is structureel en van toepassing op alle werknemers uit de privé-sector, zowel werklieden als bedienden. De bestaande lastenverlaging voor lage lonen en de maribel worden geïntegreerd tot één structurele maatregel ter verlaging van de werkgeversbijdragen. Op jaarbasis leidt dit in 1999 tot veen forfaitaire vermindering van sociale lasten van maximum 38.000 BF, in 2000 een vermindering van maximum 45.000 BF en finaal in 2005 een forfaitaire vermindering van 76.000 BF Voor de laagste lonen blijft daar bovenop een supplementaire lastenverlaging van kracht. De cumul van beide verlagingen kan maximaal 118.800 BF bedrage, Tegenover deze bijkomende lastenverlaging hebben de sociale partners zich geëngageerd om bijkomende inspanningen te leveren op het vlak van permanente vorming en tewerkstelling om na een periode van 6 jaar op een gemiddeld niveau van de 3 buurlanden te komen. Dit engagement kreeg vorm in het IPA 1999-2000.

BETAALD EDUCATIEF VERLOF De voorbije jaren heeft Minister SMET het systeem gesaneerd en de financiering verzekerd. Einde van dit jaar zal voor het eerst sinds 1992 de financiering in evenwicht zijn. Dit heeft als gevolg dat de reeds lang gevraagde uitbreiding naar deeltijdse werknemers met flexibele uurregelingen en werknemers met een 4/5-arbeidsovereenkomst mogelijk werd.

DIENSTENCHEQUES De sector die voor het experiment in aanmerking komt is de sector van binnenhuiswerken van schilderen en behangen. Deze sector wordt gekenmerkt door een groot risico op zwartwerk ondermeer ten gevolge van een vrij hoge arbeidskost.

In de toekomst zal de overheid de helft van de arbeidskost op zich nemen via het systeem van de dienstencheques. De gebruiker zal dan slechts 50 % van het uurloon betalen. De maximale overheidstussenkomst per gebruiker bedraagt 40.000 BF per jaar.

In de begroting van 1999 werd een budget van 200 miljoen BF voorzien. Vanaf 2000 zal op jaarbasis 400 miljoen BF voorzien worden.

Minister Smet heeft in de Commissie Sociale Zaken aangekondigd dat zij de nodige maatregelen zal treffen opdat het systeem van de dienstencheques van start kan gaan op 1 april 1999. De minister meldde eveneens dat de uitvoering van de maatregel toevertrouwd zal worden aan de RVA.

SOCIALE ECONOMIE Deze afdeling voorziet een aantal bepalingen ten gunste van de sociale economie, en meer concreet om via dit middel de creatie van werkgelegenheid te stimuleren via de sociale economie.

SOCIAL PROFIT SECTOR De toegang tot de Centrale Raad van het Bedrijfsleven (CRB) wordt voor de social-profit sector mogelijk gemaakt. Het lidmaatschap van de CRB is een voorwaarde om binnen de NAR mee CAO's te kunnen sluiten.

SOCIALE MARIBEL De sociale Maribel bestaat erin om aan de werkgevers van de privé- en de openbare sector een forfaitaire vermindering van de werkgeversbijdragen voor het tewerkgestelde personeel toe te kennen op voorwaarde dat deze budgettaire marge volledig aan de creatie van bijkomende arbeidsplaatsen besteed wordt.

Deel: ' Wetsontwerp actieplan voor de werkgelegenheid in Belgie '




Lees ook