Ministerie van Financien

Persbericht embargo tot dinsdag 18 september 2001, 15.15 uur

No 01/247
Den Haag
18 september 2001

Wetsvoorstel Belastingplan 2002 I - Arbeidsmarkt en inkomensbeleid

Het Kabinet stelt in het kader van de begroting 2002 een aantal belastingmaatregelen voor. De maatregelen zijn themagewijs ondergebracht in vijf afzonderlijke wetsvoorstellen. In het wetsvoorstel Belastingplan 2002 I - Arbeidsmarkt en inkomensbeleid zijn de volgende maatregelen opgenomen:

Arbeidsmarkt en arbeidsparticipatie Stimulering arbeidsparticipatie toetreders:
- Toetrederskorting

- Afdrachtvermindering voor werkgevers van toetreders
- Verhoging combinatiekorting met 50 (f 110)
- Verhoging leeftijdsgrens van 12 naar 16 jaar in de aanvullende alleenstaande ouderkorting Stimulering arbeidsparticipatie ouderen:
- Getrapte verhoging arbeidskorting (vanaf 58 jaar)
- Getrapte belastingvrije bonus per jaar (vanaf 58 jaar)
- Korting WAO-premie werkgevers oudere werknemers (vanaf 58 jaar)
Armoedeval en inkomensbeleid Verhoging maximum arbeidskorting met 23 (f 50) per 1/1/2002 en 6 (f 13) per 1/1/2003 Intensivering kinderkorting i.v.m. afschaffing kindertoeslag in de HSW Inkomenscompensatiepakket per 1/1/2002 i.v.m. vervallen koopkrachttoeslag HSW Arbeidsvoorwaarden Fiscale stimulering flexibele beloningsregelingen Verruiming afdrachtvermindering onderwijs t.b.v. mensen zonder startkwalificatie

Gehandicapten en chronisch zieken Introductie vermenigvuldigingsfactor buitengewone uitgaven Aftrek ziektekosten inwonende ernstig gehandicapte kinderen ouder dan 27 jaar Codificatie jurisprudentie en besluiten Arbeidsmarkt en arbeidsparticipatie Het kabinet wil de arbeidsparticipatie bevorderen. In dit wetsvoorstel worden vier fiscale maatregelen voorgesteld gericht op het stimuleren van zogenoemde toetreders. Het betreft de introductie van een toetrederskorting en een afdrachtvermindering voor de werkgever die een toetreder in dienst neemt. Voorts wordt de combinatiekorting met 50 (f 110) verhoogd en wordt de leeftijdsgrens voor de kinderen van desbetreffende ouders in de aanvullende alleenstaande ouderkorting verhoogd van 12 tot 16 jaar

Toetrederskorting
De toetrederskorting komt ten goede aan de belastingplichtige die zich (weer) op de arbeidsmarkt begeeft en geeft mensen die niet werken een extra financile stimulans om de stap te zetten om (weer) te gaan werken. De toetrederskorting bedraagt maximaal 2723 (f 6000) en kan in drie tranches op de te betalen belasting in mindering worden gebracht. Het eerste jaar bedraagt de korting 1361 (f 3000), het tweede jaar 908 (f 2000) en het derde jaar 454 (f 1000). De toetrederskorting wordt slechts nmaal per leven toegekend. De uitbetaling vindt plaats via een voorlopige teruggaaf. Met ingang van 2003 wordt het ook mogelijk om de toetrederskorting in vier jaren toegekend te krijgen (ieder jaar 681 (f 1500)).

De toetrederskorting wordt toegekend aan bijstandsgerechtigden en personen die gesubsidieerde arbeid verrichten. Zij moeten dan wel volledig uitstromen uit hun uitkering of gesubsidieerde arbeid en deze uitkering. Daarnaast geldt als voorwaarde dat het moet gaan om uitstroom naar niet gesubsidieerde arbeid gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden.Verder moet het inkomen uit die arbeid in een kalenderjaar ten minste 50% van het wettelijk miniumumloon (WML) bedragen.

Tot de doelgroep behoren voorts degenen die uitstromen uit een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG). Voor deze uitkeringsgerechtigden wordt echter een uitzondering gemaakt op de voorwaarde van volledige uitstroom uit de uitkering, omdat volledige uitstroom in de praktijk voor veel arbeidsongeschikten niet haalbaar blijkt. Om ook deze personen te stimuleren tot deelname aan het arbeidsproces komen zij in aanmerking voor de toetrederskorting, indien zij niet of slechts gedeeltelijk uitstromen, mits zij door het verrichten van arbeid een inkomen genieten van ten minste 50% WML. Daarnaast gelden voor hen ook de voorwaarden die voor de volledige uitstromers gelden.

De toetrederskorting geldt daarnaast ook voor herintreders zonder uitkering. Een herintreder is in het spraakgebruik iemand die enige tijd uit het arbeidsproces is weggeweest (bijvoorbeeld vanwege de verzorging van kinderen) en vervolgens weer toetreedt op de arbeidsmarkt. Het stimuleren van herintreders kan juist voor de collectieve sector (bijvoorbeeld de zorgsector en onderwijssector), waar getracht wordt om voormalige werknemers uit die sectoren weer in deze beroepen aan de slag te krijgen, van belang zijn. Toetreders kunnen dus zowel mensen zijn die voor het eerst toetreden tot de arbeidsmarkt als diegenen die al eerder gewerkt hebben, maar om wat voor reden dan ook de werkzaamheden tijdelijk hebben gestaakt. In de regeling komt dit tot uitdrukking in de voorwaarde dat een herintreder in elk van de twee kalenderjaren voorafgaande aan de arbeidsparticipatie een inkomen uit arbeid mag hebben genoten tot ten hoogste 3938 (f 8678). Dit betekent dat de toetrederskorting ook bij de doorstroom van een kleine baan naar een meer substantile baan kan worden toegekend. Ook voor herintreders geldt de voorwaarde deze in het kalenderjaar ten minste 50% van het wettelijk minimumloon moeten gaan verdienen om in aanmerking te komen voor de toetrederskorting.

Afdrachtvermindering voor werkgevers van toetreders Ook voor de werkgever die een toetreder in dienst neemt wordt een faciliteit voorgesteld. Hierdoor wordt voor hen de drempel verlaagd om een toetreder aan te nemen, doordat een tegemoetkoming wordt geboden voor de mogelijk extra te leveren inspanningen en kosten. Een werkgever kan een beroep doen op deze faciliteit indien hij een toetreder in dienst neemt die ten minste 20% WML gaat verdienen. Het bereik van deze faciliteit is dus ruimer dan het bereik van de toetrederskorting. Voor dit grotere bereik is gekozen omdat werkgevers die een toetreder in dienst nemen die minder dan 50% WML verdient, met dezelfde extra inspanningen en kosten worden geconfronteerd als een werkgever die een toetreder in dienst neemt die wel een substantile baan aanvaardt.

Deze faciliteit voor de werkgever heeft de vorm van een afdrachtvermindering ter grootte van 700 (f 1543). De afdrachtvermindering kan in de periode van 12 maanden na de kalendermaand van indiensttreding worden vergolden.

Stimulering arbeidsparticipatie van ouderen
Om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen is een pakket samengesteld bestaande uit de volgende maatregelen: Invoering van een met de leeftijd oplopende aanvullende arbeidskorting voor oudere werkenden, bovenop de reguliere arbeidskorting (zie tabel 1). Vanaf het jaar dat een oudere werkende 58 jaar wordt heeft hij recht op deze extra arbeidskorting. Werkgevers wordt de mogelijkheid geboden om aan oudere werknemers een onbelaste premie te geven. De (maximale) omvang van deze premie loopt evenals de aanvullende arbeidskorting op met de leeftijd en is gelijk aan de aanvullende arbeidskorting voor ouderen, zoals die geldt vanaf 2003 (zie tabel 1).
Invoering van een WAO-premiekorting voor werkgevers van oudere werknemers. Dit betekent een vermindering van de loonkosten voor oudere werknemers. Hierdoor worden werkgevers gestimuleerd oudere werknemers in dienst te houden, dan wel in dienst te nemen. Werkgevers krijgen een forfaitaire premiekorting per werknemer van 58 jaar of ouder op de door de werkgever te betalen WAO-premie. De hoogte van deze korting bedraagt 712 (f 1570). Deze premiekorting wordt gefinancierd door een verhoging van de WAO-premie voor de overige (jongere) werknemers. Hierdoor wijzigt het kostenverschil tussen oudere en jongere werknemers ten faveure van oudere werknemers

Tabel 1 Maatregelen voor oudere werkenden
Leeftijd
Extra arbeidskorting
Belastingvrije premie
Premiekorting


1 april 2002

1 januari 2003




58 tot 61 jaar
170 (f 375)
227 (f 500)
227 (f 500)
712 (f 1570)
61 en 62 jaar
340 (f 750)
454 (f 1000)
454 (f 1000)
712 (f 1570)
63 jaar en ouder
511 (f 1125)
681 (f 1500)
681 (f 1500)
712 (f 1570)

Zodra de arbeidsparticipatie van ouderen aantrekt, zal moeten worden bezien of en in hoeverre het zinvol is om het stimuleringsbeleid voort te zetten.

Armoedeval en inkomensbeleid
In 2000 heeft het kabinet besloten tot een meerjarige aanpak van de armoedeval. Vorig jaar werd hiertoe een eerste stap gezet. Voor het jaar 2002 worden (naast de hiervoor beschreven maatregelen gericht op verbetering van de situatie op de arbeidsmarkt) drie maatregelen voorgesteld die er onder meer toe leiden dat de armoedeval minder knellend wordt.

Verhoging arbeidskorting
De arbeidskorting wordt in twee stappen met 29 (f 63) verhoogd. Per 1 januari 2002 met 23 (f 50). Vervolgens met ingang van 1 januari 2003 nog eens met 6 (f 13). Deze fasering houdt verband met de budgettaire inpasbaarheid in het totaal van het lastenverlichtingspakket. De verhoging van de arbeidskorting draagt eraan bij dat het financile verschil tussen werken en niet werken wordt vergroot waardoor werken financieel aantrekkelijker wordt.

Compensatie voor afschaffen kindertoeslagen in de HSW In het kader van de stroomlijning van de verschillende kinderregelingen, waardoor een evenwichtiger aanpak van de armoedeval mogelijk wordt en in het kader van de ongelijke behandeling van huursubsidiegerechtigden en niet-huursubsidiegerechtigden, worden de kindertoeslagen in de Huursubsidiewet (HSW) per 1 juli 2002 afgeschaft. Het afschaffen van de kindertoeslagen in de HSW wordt gecompenseerd langs fiscale weg door in de aanvullende kinderkorting een extra inkomensklasse in te voeren voor inkomens tot de inkomensgrens in de HSW per 1 juli 2002 (naar verwachting bedraagt deze 25 704; eventueel vindt voorjaar 2002 een nadere bijstelling van deze grens plaats). Voor deze groep wordt de aanvullende kinderkorting verhoogd. Ook wordt de leeftijdsgrens in de kinderkorting verhoogd van 16 naar 18 jaar.

Omdat de kindertoeslagen in de HSW per 1 juli 2002 vervallen is de fiscale compensatie in de vorm van een structurele verhoging van de aanvullende kinderkorting voor het eerste half jaar 87 (f 192) voor huishoudens met 1 of 2 kinderen en voor huishoudens met 3 of meer kinderen 117 (f 258). Omdat vanaf 1 januari 2003 de fiscale compensatie een heel jaar moet betreffen wordt de aanvullende kinderkorting dan nogmaals structureel verhoogd met 87 (f 192) voor huishoudens met 1 of 2 kinderen en 117 (f 258) voor huishoudens met 3 of meer kinderen.

Tabel 2 Kinderkortingen in 2003, na omzetting kindertoeslagen HSW ((in euro, prijzen 2001) Belastbaar inkomen huishouden
Huidige kinderkortingen
(2001)
Kinderkortingen

1 of 2 kinderen
(in 2003)
Kinderkortingen
3 en meer kinderen
(in 2003)
Minder dan 25 704
230
404
464
25 704 - 27 251
230
230
230
27 251 - 54 501
38
38
38
Meer dan 54 501
0
0
0

Compensatie voor afschaffen koopkrachttoeslagen in de HSW Per 1 juli 2001 zijn de koopkrachttoeslagen in de HSW vervallen en zijn de normhuren (= eigen bijdragen) voor hogere inkomens verlaagd, waardoor de marginale druk in de huursubsidie is afgenomen. Vanaf 2002 vindt compensatie van deze maatregel plaats via de fiscaliteit in de vorm van een verhoging van de algemene heffingskorting met 23 (f 50). Het voordeel dat de hogere inkomens van deze verhoging hebben wordt gecorrigeerd via een verhoging van het tarief van de tweede schijf met 0,25%-punt. Arbeidsvoorwaarden

Flexibele beloningsregeling
Meer flexibele beloningsvormen zijn van belang voor een voortdurende verantwoorde loon(kosten)-ontwikkeling. Het gaat hierbij dan met name om met de prestaties van het bedrijf 'mee ademende' vormen van flexibele beloning. Daarom wordt als ondersteuning van een moderner beloningsbeleid en het streven naar een verantwoorde loonontwikkeling, een nieuwe fiscale faciliteit met betrekking tot 'flexibele beloningsregeling' voorgesteld. De huidige winstdelingsregeling wordt daarin gentegreerd. Om te waarborgen dat de te faciliteren flexibele beloningsregeling in voldoende mate mee-ademt met het bedrijfsresultaat - en indirect met de conjunctuur - worden voorwaarden gesteld aan dergelijke regelingen. Aan de andere kant is de inhoud van deze regeling een onderdeel van het arbeidsvoorwaardenoverleg van werkgevers en werknemers. Om aan beide aspecten zo veel mogelijk recht te doen is het streven van het kabinet erop gericht de voorwaarden minimaal en globaal te houden.

Belangrijke voorwaarde waaraan de regeling moet voldoen is dat er een directe relatie dient te zijn tussen de hoogte van de uitkering aan de werknemer en de door de onderneming behaalde resultaten, in de vorm van n vast percentage van het resultaat. De hoogte van dit percentage kunnen werkgevers en werknemers in onderling overleg vaststellen. Het loon moet, naar keuze, worden uitgedrukt in een percentage van de winst, dan wel de positieve mutatie van de winst ten opzichte van de winst uit het voorafgaande boekjaar, zodat het optimaal 'mee-ademen' met de winst is gewaarborgd. Voorts mag de omvang van de flexibele beloning niet worden gemaximeerd op een nominaal bedrag. Dit kan namelijk het mee-ademen van de flexibele beloningen bij winststijgingen in de weg staan. Overigens kan ook vrijgesteld loon worden verstrekt in verliessituaties. Er moet dan echter wel sprake zijn van een vermindering van het verlies ten opzichte van het verlies in het aan het boekjaar voorafgaande boekjaar. Het is niet de bedoeling dat de onzekerheid omtrent de hoogte van de flexibele beloning dusdanig gering is dat materieel sprake is van een deel vast loon dat gefaciliteerd wordt. Daarnaast moet de regeling voor een periode van ten minste 5 jaar worden afgesproken teneinde enige duurzaamheid te waarborgen. Deze voorwaarden worden nader uitgewerkt in een ministeriele regeling.

De nieuwe faciliteit houdt in dat - indien de flexibele beloningsregeling aan de te stellen voorwaarden voldoet - loon ingevolge die regeling tot in ieder geval 113 (f 250) voor de werknemer wordt vrijgesteld. De vrijstelling voor de werknemer kan oplopen tot maximaal 1603 (f 3534) naarmate het maximale bedrag dat ingevolge een spaarloonregeling kan worden gespaard ( 788 (f 1736)) niet volledig wordt benut. Voorzover de hoogte van de flexibele beloning boven de vrijstelling voor de werknemer uitkomt is het meerdere naar het progressieve tarief belast. Evenals bij het spaarloon is de werkgever een werkgeversheffing van 15% over de te faciliteren flexibele beloning verschuldigd. De hoogte van de vrijstellingsbedragen houdt verband met het beschikbare budgettaire beslag voor deze faciliteit. Binnen het totaal van het lastenverlichtingspakket 2002 is voor deze regeling 68 mln (f 150 mln) structureel uitgetrokken. De werking van deze faciliteit zal in 2003 worden gevalueerd.

Verruiming afdrachtvermindering onderwijs t.b.v. mensen zonder startkwalificatie Personen met een lager opleidingsniveau dan startkwalificatieniveau verdienen bijzondere aandacht om hun achterstand op de arbeidsmarkt te bestrijden. Daarom is in het Belastingplan 2001 de scholingsaftrek en de afdrachtvermindering scholing voor deze groep verhoogd. Binnen deze doelgroep hebben voormalige werklozen van 23 jaar en ouder die deel gaan nemen aan reguliere arbeid (voormalige doelgroep sluitende aanpak), extra aandacht nodig. Voorgesteld wordt werkgevers voor deze werknemers een extra tegemoetkoming te bieden in de afdrachtvermindering onderwijs, naast de met ingang van 2001 ingevoerde verhoogde scholingsaftrek en afdrachtvermindering scholing. Zowel werkgevers uit de profitsector als werkgevers uit de non-profitsector kunnen de afdrachtvermindering onderwijs toepassen. Deze faciliteit biedt een tegemoetkoming in de kosten die de werkgever maakt naast de scholingskosten om deze werknemers op te leiden tot startkwalificatieniveau. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld kosten die voortvloeien uit extra begeleiding en aangepaste productie- en personeelsplanning. Thans wordt de werkgever in deze kosten niet uit hoofde van andere (fiscale) regelingen tegemoetgekomen. De tegemoetkoming bedraagt 1529 (f 3370) per werknemer per kalenderjaar.

Gehandicapten en chronisch zieken
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft 18 juni jl het rapport van de werkgroep 'inkomenspositie gehandicapten en chronisch zieken' aan de Tweede Kamer aangeboden. In het rapport is een drietal voorstellen op fiscaal terrein gedaan. Het kabinet heeft deze drie voorstellen overgenomen en uitgewerkt in het Belastingplan.
De voorstellen betreffen:
de invoering van vermenigvuldigingsfactoren voor buitengewone uitgaven voor inkomens tot het einde van de tweede tariefschijf; het aanmerken van ziektekosten van inwonende invalide kinderen van 27 jaar en ouder als buitengewone uitgaven; de codificatie van jurisprudentie en uitvoeringsbesluiten buitengewone uitgaven.

Vermenigvuldigingsfactoren
In de motie Melkert wordt geconstateerd dat het chronisch ziekenforfait mensen met een hoog inkomen beter bedient dan mensen met een laag inkomen. Het invoeren van vermenigvuldigingsfactoren komt hieraan tegemoet omdat de aftrekpost buitengewone uitgaven (en het daarin verdisconteerde chronisch ziekenforfait) voor lagere en middeninkomens, door het invoeren van inkomensafhankelijke vermenigvuldigingsfactoren voor die inkomens meer waard wordt. Het effect van dergelijke vermenigvuldigingsfactoren is daarom op dat punt vergelijkbaar met het effect van een heffingskorting voor de buitengewone uitgaven. Een ander voordeel is dat via vermenigvuldigingsfactoren de waarde van de aftrek wordt verhoogd in die gevallen dat meerdere jaren achtereen sprake is aftrek van buitengewone uitgaven. Hierdoor wordt juist in de situaties dat een belastingplichtige enkele jaren achtereen hoge en daarmee buitengewone uitgaven heeft, een hogere tegemoetkoming geboden. De volgende vormgeving wordt voorgesteld: jaar 1: factor 1, jaar 2: factor 1,25 en jaar 3: factor 1,5. Als inkomensgrens wordt uitgegaan van het verzamelinkomen voor toepassing van persoonsgebonden aftrek op het niveau van het einde van de tweede tariefschijf van box 1. Voor het jaar 2001 is dit 27 009 (f 59 520).

Inwonende gehandicapte kinderen
Bij de herziening van het belastingstelsel is deze aftrekmogelijkheid voor alle inwonende kinderen van 27 jaar en ouder vervallen. Naar aanleiding van de toezegging gedaan tijdens de behandeling van het Belastingplan 2001, is bezien of het mogelijk is deze aftrekmogelijkheid voor inwonende invalide kinderen van 27 jaar of ouder opnieuw op te nemen. Het onderhavige voorstel ziet erop de kring van verwanten uit te breiden met inwonende hulpbehoevende chronisch zieke of gehandicapte kinderen van 27 jaar of ouder. Hiermee wordt bewerkstelligd dat ouders in aanmerking komen voor aftrek van uitgaven wegens ziekte, invaliditeit enz. van die kinderen. Voor een goede indicatiestelling ter afbakening van de doelgroep van chronisch zieke of invalide kinderen zou kunnen worden aangesloten bij de indicatiestelling voor opname in een AWBZ-inrichting. Een dergelijke maatregel stimuleert thuisverzorging van dergelijke kinderen.

Codificatie van jurisprudentie en besluiten
De aftrek van ziektekosten anders dan naar aard, is niet expliciet in de Wet inkomstenbelasting 2001 geregeld. De aftrek van dergelijke kosten berust op jurisprudentie van de Hoge Raad en op besluiten van de staatssecretaris van Financin. Dit wetsvoorstel regelt de codificatie van deze jurisprudentie en besluiten, waardoor expliciet in de wet wordt vastgelegd dat kosten als hiervoor beschreven behoren tot de uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling. Daarmee ontstaat een grotere rechtszekerheid voor belanghebbenden, die dan rechtstreeks uit de wet hun rechten kunnen kennen.

Woordvoerders: mw. E. Hijink
drs. R. Dolstra

Deel: ' Wetsvoorstel Arbeidsmarkt en inkomensbeleid '




Lees ook