MINISTERIE FIN

https://www.minfin.nl

MIN FIN: WIJZIGINGEN BELASTINGHEFFING 1 JANUARI 2000

PERSBERICHTNR. 99/300 Den Haag 22 december 1999

WIJZIGINGEN IN DE BELASTINGHEFFING MET INGANG VAN 1 JANUARI 2000

1 Loon- en inkomstenbelasting 2000 3

1.1 Tarief 3

1.2 Tariefgroepindeling en belastingvrije bedragen 3
1.3 Ouderenaftrek en aanvullende ouderenaftrek 5
1.4 Aanslaggrens voor de inkomstenbelasting 5
1.5 Teruggaafgrens loonbelasting en premie volksverzekeringen (T-biljet) 5

1.6 Arbeidskostenforfait 5

1.7 Reiskostenforfait 5

1.8 Huurwaardeforfait 7

1.9 Buitengewone lastenaftrek in verband met ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie, overlijden, arbeidsongeschiktheid en ouderdom 7

1.10 Buitengewone lastenaftrek voor kinderen voor wie geen kinderbijslag wordt ontvangen en die geen recht hebben op studiefinanciering 9

1.11 Consumptieve rente 10

1.12 Vrijstelling van rente kapitaalsuitkering uit levensverzekering 10

1.13 Premie-aftrekgevende lijfrenten 10

1.14 Lijfrentepremie-aftrek 10

1.15 Vrijstelling kamerverhuur 10

1.16 Meewerkaftrek 11

1.17 Zelfstandigenaftrek, S&O en startersaftrek 11
1.18 Fiscale oudedagsreserve voor zelfstandigen 12
1.19 Extra lijfrentepremie-aftrek bij stakende ondernemers 12
1.20 Investeringsaftrek en energie-investeringsaftrek 13
1.21 Willekeurige afschrijving 14

1.22 Werknemersspaarregelingen 15

1.23 Kinderopvang 15

1.24 Scholingsaftrek 18

1.25 Computers en bijbehorende apparatuur 19
1.26 Vrijwilligers 19

1.27 Maatregelen in verband met belastingherziening 2001 19

2 Vermogensbelasting 2000 20

2.1 Tariefgroepindeling en belastingvrije bedragen 20
2.2 Ondernemingsvrijstelling 20

2.3 Oudedagsvrijstelling 20

3 Rechten van successie, van schenking en overgang 2000 23
3.1 Vrijstellingen successierecht 23

3.2 Vrijstellingen schenkingsrecht 25

3.3 Tarief successie en schenking 25
4 Afdrachtvermindering loonbelasting 2000 27
4.1 Afdrachtvermindering lage lonen en doorstroomafdrachtvermindering lage lonen 27

4.2 Afdrachtvermindering langdurig werklozen 28
4.3 Afdrachtvermindering onderwijs 28

4.4 Afdrachtvermindering scholing non-profit 28
4.5 Afdrachtvermindering kinderopvang 29

4.6 Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk 29

5 Vergroening en verschuiving 30

5.1 Inleiding 30

5.2 Regulerende energiebelasting 31

5.3 Belasting op leidingwater 31

5.4 Overige milieubelastingen 32

6 Autobelastingen 34

6.1 De eerste tranche vergroening bij autobelastingen 34
6.2 Verlaging tarieven eurovignet 34

6.3 Invaliditeitsvrijstelling motorrijtuigenbelasting 35
6.4 Accijnzen op autobrandstof 35

7 Positieve prikkels 36

8 Versterking ondernemerschap 37

9 0verigen 38

9.1 Afschaffing omroepbijdrage 38

9.2 Verlaging landbouwforfait in de BTW 38

9.3 Verlaagd BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten 38
9.4 Jonggehandicaptenaftrek 38

9.5 Maatregel tegen katvangers (motorrijtuigenbelasting) 38
9.6 Verruiming faciliteit voor bedrijfsopvolging 39
9.7 Willekeurige afschrijving zwakke regio.s 39 De inflatiecorrectie voor 2000 leidt tot een bijstelling van de daarvoor in aanmerking komende bedragen met 1,7%.

In de tekst staan tussen haakjes de bedragen zoals die gelden voor 1999. Daarnaast zijn de bedragen voor 2000 ook in euro.s vermeld.

In de tabellen zijn de bedragen voor 2000 en 1999 in guldens vermeld en daarnaast ook in euro.s voor 2000.

1 Loon- en inkomstenbelasting 2000

1.1 Tarief
In guldens voor 2000:
belastbare sommeer dan dochniet meer dan belastingtarief tarief premievolksverzekeringen totaaltarief heffing over het totaal van de schijven

- f 15.255 4,50% 29,40% 33,90% f 5.171 f 15.255 f 48.994 8,55% 29,40% 37,95% f 17.974 f 48.994 f
107.756 50 % 50 % f 47.355 f 107.756 60 % 60 %

In euro.s voor 2000:
belastbare sommeer dan dochniet meer dan belastingtarief tarief premievolksverzekeringen totaaltarief heffing over het totaal van de schijven

- . 6.922 4,50% 29,40% 33,90% . 2.346

. 6.922 . 22.233 8,55% 29,40% 37,95% . 8.156

. 22.233 .

48.898 50 % 50 % . 21.488

. 48.898 60 % 60 %

Over de eerste en tweede inkomensschijf worden belasting en premie volksverzekeringen (AOW, ANW en AWBZ) gecombineerd geheven. Voor personen van 65 jaar en ouder geldt er in de eerste schijf een tarief van 16% (4,5% belasting en 11,5% premie ANW en AWBZ) en in de tweede schijf een tarief van 20,05% (8,55% belasting en 11,5% premie).


1.2 Tariefgroepindeling en belastingvrije bedragen in guldens in euro.s
Basisaftrek: f 8.523 (f
8.380) . 3.868

Bovenbasisaftrek: f 427 (f 419) . 194
Alleenstaande-ouderaftrek: f 6.818 (f
6.704) . 3.094

Aanvullende-alleenstaande
ouderaftrek: 12% van het arbeidsinkomen
met een maximum van f 6.818 (f
6.704) . 3.094

Tariefgroep Opbouw Belastingvrije som in
2000 Belastingvrijesom in 1999 Belastingvrijesom in 2000 0 - -

1 Bovenbasisaftrek f 427 f 419 . 194

2 basisaftrek +
bovenbasisaftrek f 8.950 f 8.799 . 4.062 3 tweemaal basisaftrek + bovenbasisaftrek f 17.473 f 17.179 . 7.930

4 basisaftrek + bovenbasisaftrek +
alleenstaande-ouder-aftrek f 15.768 f 15.503 . 7.156

5 basisaftrek + bovenbasisaftrek + alleenstaande-ouder-aftrek + aanvullende alleenstaande ouder-aftrek f 22.586(maximaal) f 22.207(maximaal) . 10.250(maximaal)

Tariefgroep 0
Deze tariefgroep heeft geen belastingvrij bedrag en wordt toegepast in de volgende situaties:
. Als men twee of meer dienstbetrekkingen of uitkeringen heeft en bij de andere dienstbetrekking (of uitkering) al in een tariefgroep wordt ingedeeld die recht geeft op een belastingvrij bedrag. . Als men de loonbelastingverklaring bij de inhoudingsplichtige voor de loonbelasting niet invult.

Tariefgroep 1
Men wordt in deze tariefgroep ingedeeld als men de basisaftrek overdraagt aan de echtgenoot of huisgenoot.

Tariefgroep 2
Men wordt in deze tariefgroep ingedeeld als men niet in één van de andere tariefgroepen wordt ingedeeld.

Tariefgroep 3
. Men wordt in deze tariefgroep ingedeeld als men naast de eigen basis- en bovenbasisaftrek ook de basisaftrek van de partner geniet, terwijl de partner wordt ingedeeld in tariefgroep 1.

Tariefgroep 4
Men wordt in deze tariefgroep ingedeeld als men een in Nederland wonende alleenstaande ouder is met inwonende eigen kinderen, stiefkinderen en/of pleegkinderen en daarmee duurzaam een huishouding voert. Al deze kinderen zijn bij de aanvang van het kalenderjaar jonger dan 27 jaar en tenminste één van deze kinderen wordt in belangrijke mate onderhouden. Met dit laatste wordt bedoeld dat de ouder recht heeft op kinderbijslag of de ouder onderhoudt het kind voor tenminste f 56 / . 25 per week.

Tariefgroep 5
Voor indeling in deze tariefgroep gelden dezelfde voorwaarden als voor de indeling in tariefgroep 4, maar daarbij gelden verder nog de volgende twee voorwaarden:
. Het jongste kind dat tot het huishouden behoort, is bij het begin van het kalenderjaar jonger dan
12 jaar.
. Belastingplichtige geniet loon uit een tegenwoordige dienstbetrekking.


1.3 Ouderenaftrek en aanvullende ouderenaftrek Als men 65 jaar of ouder is komt men in aanmerking voor de ouderenaftrek van f 520 (f 511) / . 236. Wanneer men in het kalenderjaar een inkomen heeft genoten dat op jaarbasis minder bedraagt dan
f 57.944 (f 56.974) / . 26.294, wordt deze ouderenaftrek verhoogd tot f 2.569 (f 2.152) / . 1.166.
Wanneer men recht heeft op de ouderenaftrek, komt men tevens in aanmerking voor de aanvullende ouderenaftrek van f 520 (f 511) / . 236 indien men een AOW-uitkering voor alleenstaanden of alleenstaande ouders geniet. Wanneer men een inkomen heeft genoten dat op jaarbasis minder bedraagt dan f 57.944 (f 56.974) / . 26.294, wordt deze aanvullende ouderenaftrek verhoogd tot
f 3.109 (f 3.057) / . 1.411.


1.4 Aanslaggrens voor de inkomstenbelasting Voor de aanslaggrens voor de inkomstenbelasting geldt in 2000 het volgende criterium:
indien het verschil tussen verschuldigde inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en voorheffingen (dividendbelasting en loonbelasting) meer bedraagt dan f 425 (f 420) / . 193 volgt een aanslag.


1.5 Teruggaafgrens loonbelasting en premie volksverzekeringen (T-biljet)
De grens voor teruggaaf op verzoek, op grond van teveel ingehouden loonbelasting en premie volksverzekering over het belastingjaar 2000 is f 26 / . 12 en daarmee gelijk aan de grens in 1999.


1.6 Arbeidskostenforfait
De vaste aftrek voor beroeps/verwervingskosten van 12% van het inkomen uit tegenwoordige arbeid kent in 2000 een minimumbedrag van f 263 (f 258) / . 119 en een maximumbedrag van f 3.538
(f 3.174) / . 1.605.
Het vaste aftrekbedrag voor niet-actieven wordt f 1.073 (f 1.055) / . 487.


1.7 Reiskostenforfait
De bedragen van het algemene forfait zijn (net als in 1999) voor 2000 bevroren en zien er als volgt uit.

Deze bedragen gelden voor degene die helemaal geen gebruik maken van het openbaar vervoer:

Algemene reiskostenforfait:

In guldens voor 2000:
Enkele reisafstand woon-werkverkeer Aftrekbedrag Maximum vrijgestelde vergoeding
0 - 10 km - -
11 - 15 km f 860 f 1.910
16 - 20 km f 1.240 f 2.360
21 - 30 km f 2.050 f 3.240
Meer dan 30 km f 2.050 f 3.240

In euro.s voor 2000:
Enkele reisafstand woon-werkverkeer Aftrekbedrag Maximum vrijgestelde vergoeding
0 - 10 km - -
11 - 15 km . 390 . 867
16 - 20 km . 563 . 1.071
21 - 30 km . 930 . 1.470
meer dan 30 km . 930 . 1.470

Voor zakelijke reizen mag de werkgever f 0,60 / . 0,27 per kilometer belastingvrij vergoeden en is daarmee gelijk aan het bedrag voor 1999.

openbaar vervoer

Indien men wel gebruik maakt van het openbaar vervoer (voor de hele afstand of voor een deel), kan men in aanmerking komen voor een hoger aftrekbedrag of eventuele vrijgestelde vergoeding van de werkgever. Men moet dan wel aan een aantal aanvullende voorwaarden voldoen. Om in aanmerking te komen voor het hogere aftrekbedrag uit de openbaar-vervoertabel, moet men voor de reisafstanden boven de 30 km beschikken over een openbaar-vervoerverklaring. Voor de reisafstanden tot en met 30 km kan men ook op een andere wijze aannemelijk maken dat met het openbaar vervoer is gereisd.
Krijgt men een vergoeding van de werkgever, dan mag de werkgever de hogere belastingvrije bedragen alleen toepassen als men de plaatsbewijzen bij de werkgever inlevert. De werkgever moet de plaatsbewijzen per werknemer administreren en beschikbaar houden voor controle. De werkgever mag in dat geval een vergoeding uitkeren tot een bedrag van f 200 / . 91 boven de prijs van de werkelijke prijs van de plaatsbewijzen.
Wanneer men niet voldoet aan de aanvullende voorwaarden zijn de bedragen van het algemene forfait van toepassing.

Reiskosten .openbaar vervoer.:
Enkele reisafstandwoon-werkverkeer Aftrekbedrag in guldens2000 Aftrekbedrag in guldens1999 Aftrekbedrag in euro.s2000
0 - 10 km - - -
11 - 15 km f 1.140 f 1.150 . 517
16 - 20 km f 1.570 f 1.540 . 712
21 - 30 km f 2.680 f 2.590 . 1.216
31 - 40 km f 3.310 f 3.210 . 1.502
41 - 50 km f 4.320 f 4.200 . 1.960
51 - 60 km f 4.810 f 4.670 . 2.183
61 - 70 km f 5.340 f 5.180 . 2.423
71 - 80 km f 5.520 f 5.360 . 2.505
meer dan 80 km f 5.600 f 5.430 . 2.541

Meerijregeling

Meerijders houden hun recht op toepassing van het reiskostenforfait en de in dit verband van toepassing zijnde onbelaste vergoeding van de werkgever.
Daarboven kan de werkgever een bepaald bedrag per inzittende onbelast uitkeren.
De regeling geldt voor werknemers die in het kalenderjaar tenminste 120 dagen voor woon-werkverkeer hebben gereisd met een personenauto en daarmee minimaal 15 kilometer één of meer werknemers vervoeren. De onbelaste vergoeding is volgens de onderstaande tabel per inzittende:

Reisafstand meer dan maar niet meer dan bedrag in guldens per kalenderjaar voor 2000 bedrag in guldens per kalenderjaar voor 1999 bedrag in euro.s per kalenderjaar voor 2000 15 km 30 km f 520 f 512 . 236 30 km 50 km f 780 f 768 . 354 50 km - f 1.040 f 1.024 . 472

Men kan onder bepaalde voorwaarden ook kiezen voor de tot en met 1997 geldende meerijregeling.


1.8 Huurwaardeforfait
Het forfaitpercentage van de WOZ-waarde van de eigen woning bedraagt:

In guldens voor 2000:
Als de WOZ-waarde meer is dan maar niet meer dan Bedraagt het forfaitpercentage

-- f 25.000 0 %
f 25.000 f 50.000 0,5 %
f 50.000 f 100.000 0,75 %
f 100.000 f 150.000 1 %
f 150.000 en hoger 1,25 %

In euro.s voor 2000:
Als de WOZ-waarde meer is dan maar niet meer dan bedraagt het forfaitpercentage

-- . 11.345 0 %

. 11.345 . 22.689 0,5 %

. 22.689 . 45.378 0,75 %

. 45.378 . 68.067 1 %

. 68.067 en hoger 1,25 %

De berekende huurwaarde kan niet hoger zijn dan f 16.800 / . 7.624. De bedragen en percentages zijn niet veranderd voor 2000.


1.9 Buitengewone lastenaftrek in verband met ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie, overlijden, arbeidsongeschiktheid en ouderdom De kosten voor ziekte, invaliditeit en dergelijke komen voor aftrek in aanmerking voor zover zij meer bedragen dan een bepaalde drempel.

De drempels voor ongehuwden zijn als volgt:

In guldens voor 2000:
Onzuiver inkomen van Onzuiver inkomen t/m drempel in guldens
- f 12.607 f 1.538
f 12.607 f 104.852 12,2% van het onzuiver inkomen f 104.852 - f 12.792
In guldens voor 1999:
Onzuiver inkomen van Onzuiver inkomen t/m drempel in guldens
- f 12.393 f 1.512
f 12.393 f 103.098 12,2% van het onzuiver inkomen f 103.098 - f 12.578

In euro.s voor 2000:
Onzuiver inkomen van Onzuiver inkomen t/m drempel in guldens
- . 5.721 . 698

. 5.721 . 47.580 12,2% van het onzuiver inkomen . 47.580 - . 5.805

De drempels voor gehuwden zijn als volgt:

In guldens voor 2000:
Onzuiver inkomen van Onzuiver inkomen t/m drempel in guldens
- f 25.214 f 3.076
f 25.214 f 104.852 12,2% van het onzuiver inkomen f 104.852 - f 12.792

In guldens voor 1999:
Onzuiver inkomen van Onzuiver inkomen t/m drempel in guldens
- f 24.786 f 3.024
f 24.786 f 103.098 12,2% van het onzuiver inkomen f 103.098 - f 12.578

In euro.s voor 2000:
Onzuiver inkomen van Onzuiver inkomen t/m drempel in guldens
- . 11.442 . 1.396

. 11.442 . 47.580 12,2% van het onzuiver inkomen . 47.580 - . 5.805

(Het onzuiver inkomen bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen een belastingplichtige ontvangt als winst uit onderneming, als zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen, en als winst uit aanmerkelijk belang.)

Het bedrag voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed die als uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit worden aangemerkt, bedraagt f 650 (f 640) / . 295. Indien wordt aangetoond dat deze extra uitgaven meer bedragen dan f 1.300 (f 1.280) / . 590 wordt het bedrag van f 650 (f 640) / . 295 verhoogd tot f 1.625 (f 1.600) / . 737.

Het bedrag voor uitgaven terzake van reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, is gesteld op f 0,35 (f 0,34) / . 0,16. Voorwaarde is dat de enkele reisafstand meer is dan 10 kilometer.

Belastingplichtigen die de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt en die in de twee voorgaande kalenderjaren voor buitengewone lastenaftrek wegens ziektekosten in aanmerking kwamen, komen voortaan automatisch in aanmerking voor de zogenoemde
arbeidsongeschiktheidsaftrek. Op grond van deze arbeidsongeschiktheidsaftrek kunnen deze belastingplichtigen dan - naast de op hen drukkende kosten ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling - een additioneel bedrag als aftrekbare ziektekosten in aanmerking nemen zonder dat daar direct aanwijsbare uitgaven tegenover staan. Deze arbeidsongeschiktheidsaftrek wordt per 2000 verhoogd tot f
1.532 (f 1.021) / . 695. Voor gehuwde belastingplichtigen kan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsaftrek onder bepaalde voorwaarden worden verdubbeld tot f 3.064 (f 2.042) / . 1.390.

Uitgaven ter zake van ouderdom worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige of diens niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is. Het in aanmerking te nemen bedrag is gesteld op f 1.532 (f 1.021) / . 695. Ingeval zowel de belastingplichtige als diens niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot 65 jaar of ouder is, wordt het in aanmerking te nemen bedrag voor hem tezamen gesteld op f 3.064 (f
2.042) / . 1.390.

Ouders/verzorgers van chronisch zieke kinderen kunnen in aanmerking komen voor een vaste extra aftrek van f 1.532 (f 1.021) / . 695. Voorwaarde is dat 1/3 van de buitengewone lasten, die in de afgelopen twee jaar als zodanig zijn opgevoerd, betrekking heeft op een of meer chronisch zieke kinderen.


1.10 Buitengewone lastenaftrek voor kinderen voor wie geen kinderbijslag wordt ontvangen en die geen recht hebben op studiefinanciering
Belastingplichtigen die geen recht hebben op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) of dat recht wegens gemoedsbezwaren of in verband met regels ter voorkoming van samenloop niet geldend (kunnen) maken, kunnen onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op buitengewone-lastenaftrek voor kosten van levensonderhoud voor kinderen jonger dan 27 jaar die geen recht hebben op studiefinanciering. Als de kosten in belangrijke mate drukken op de belastingplichtige, komen deze voor aftrek in aanmerking tot een bedrag van:
a. f 475 / . 216 per kalenderkwartaal indien het kind jonger is dan 6 jaar;
b. f 675 / . 306 per kalenderkwartaal indien het kind 6 jaar of ouder, maar jonger dan 12 jaar is;
c. f 880 / . 399 per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder, maar jonger dan 18 jaar is;
d. f 675 / . 306 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is.
Bovenstaande bedragen zijn gelijk aan die van 1999.

Het bedrag vermeld onder d. wordt verhoogd tot f 1.350 / . 613 indien de kosten van het levensonderhoud grotendeels (voor meer dan 50%) op de belastingplichtige drukken en, indien het kind niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, tot f 2.025 / . 919 indien deze kosten geheel (100%) of nagenoeg geheel (90% of meer) op de belastingplichtige drukken.
De kosten van het onderhoud van een kind worden geacht in belangrijke mate op de belastingplichtige te drukken, indien de op de belastingplichtige drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste f 56 / . 25 per week beloopt. De kosten van het onderhoud van een kind die geheel dan wel nagenoeg geheel op de belastingplichtige drukken, worden niet in aanmerking genomen indien zij voor de belastingplichtige minder bedragen dan f 56 / . 25 per week.

Er bestaat geen aanspraak op buitengewone-lastenaftrek als het recht op kinderbijslag is uitgesloten op grond van de Wet beperking export uitkeringen die op 1 januari 2000 in werking treedt.


1.11 Consumptieve rente
Iedere belastingplichtige mag in 2000 ten hoogste f 5.291 (f 5.202) / . 2.401 aan betaalde consumptieve rente als aftrekpost op zijn inkomen in mindering brengen. Voor gehuwden: f 10.582
(f 10.404) / . 4.802.


1.12 Vrijstelling van rente kapitaalsuitkering uit levensverzekering
Rente begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering ten gevolge van overlijden zijn vrijgesteld wanneer: . het overlijden plaatsvindt voor het bereiken van de leeftijd van 72 jaar;
. het overlijden plaatsvindt na het bereiken van de leeftijd van 72 jaar en ter zake van de verzekering ten minste 15 jaren jaarlijks premies zijn voldaan waarbij de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van het laagste;
. het overlijden plaatsvindt na het bereiken van de leeftijd van 72 jaar, uitsluitend een kapitaal bij overlijden is verzekerd en de uitkering tezamen met andere kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering ten gevolge van dat overlijden niet meer dan f 12.400 (f 12.200) / . 5.627 bedraagt.

Bij het in leven zijn van verzekerde is de rente bij uitkering vrijgesteld:
. wanneer de kapitaalsuitkering niet meer bedraagt dan f 210.000 (f 207.000) / . 95.294, mits ter zake van die verzekering ten minste 20 jaren jaarlijks premies zijn voldaan;
. wanneer de kapitaalsuitkering niet meer bedraagt dan f 62.000 (f 61.000) / . 28.134, mits ter zake van die verzekering ten minste 15 jaren jaarlijks premies zijn voldaan.


1.13 Premie-aftrekgevende lijfrenten
overbruggingslijfrente
Lijfrente alleen voor de belastingplichtige zelf met een vrije ingangsdatum en eindigend in het jaar van 65 worden of eerdere pensioensingangsdatum, heeft een maximale jaartermijn van f 123.529 (f 121.464) / . 56.055.

tijdelijke oudedagslijfrente
Lijfrente alleen voor de belastingplichtige zelf die niet eerder ingaat dan het jaar van 65 jaar worden of eerdere ingang van het pensioen en die een minimale looptijd kent van 5 jaar, heeft een maximale jaartermijn van f 37.062 (f 36.442) / . 16.818.


1.14 Lijfrentepremie-aftrek
De nieuwe bedragen voor de aftrek van lijfrentepremies zijn: maximaal f 6.179 (f 6.075) / . 2.804 per persoon; voor gehuwden f 12.358 (f 12.150) / . 5.608. De extra aftrek (tweede tranche) bedraagt maximaal f 61.767 (f 60.734) / . 28.029, de eventuele derde tranche f 12.355 (f 12.148) / . 5.606. Het maximum van de lijfrentepremie-aftrek oude regime (vóór de Brede Herwaardering) bedraagt f 21.571 (f 21.210) / . 9.788.


1.15 Vrijstelling kamerverhuur
De vrijstelling voor kamerverhuur bedraagt in 2000 f 7.300 (f 7.000) / . 3.313.


1.16 Meewerkaftrek
De meewerkaftrek is de aftrek die in de situatie, dat de ene echtgenoot meewerkt in de onderneming van de andere echtgenoot, wordt verleend aan de echtgenoot voor wiens rekening de onderneming wordt gedreven. Deze mogelijkheid bestaat ook voor ongehuwde partners. De hoogte van de meewerkaftrek is afhankelijk van de omvang van de winst en het aantal uren dat de echtgenoot meewerkt:

4% van de winst bij 1750 of meer uren,
3% van de winst bij 1225 tot 1750 uren,
2% van de winst bij 875 tot 1225 uren,
1,25% van de winst bij 525 tot 875 uren,
nihil bij 0 tot 525 meewerkuren.

Echtgenoten/partners kunnen ook kiezen voor een reële arbeidsbeloning voor het meewerken in de onderneming. De reële arbeidsbeloning moet, na aftrek van de kosten (arbeidskostenforfait), minstens tweemaal het algemene belastingvrije bedrag (de basisaftrek) bedragen, dus voor 2000 f 17.046
(f 16.760) / . 7.736
Als voor een reële arbeidsbeloning wordt gekozen - waarbij als voorwaarde geldt dat de beloning schriftelijk overeen moet zijn gekomen - wordt geen meewerkaftrek genoten.

Bij een reële beloning wordt ieder van de echtgenoten zelfstandig in de belasting- en premieheffing betrokken.


1.17 Zelfstandigenaftrek, S&O en startersaftrek In guldens:
Zelfstandigenaftrek 2000 Zelfstandigenaftrek 1999

Bij een winst gelijk aan of meer dan doch minder dan bedraagt de zelfstandigen-aftrek Bij een winst gelijk aan of meer dan doch minder dan bedraagt de zelfstandigen-aftrek

-- f 96.170 f 13.110 -- f 94.560 f 11.815

f 96.170 f 100.245 f
12.015 f 94.560 f 98.565 f 10.740 f 100.245 f 104.320 f 10.920 f 98.565 f 102.570 f 9.665
f 104.320 f 108.395 f 9.825 f 102.570 f 106.575 f 8.590
f 108.395 -- f 8.730 f
106.575 -- f 7.515

In euro.s:
Zelfstandigenaftrek 2000
Bij een winst gelijk aan of meer dan doch minder dan bedraagt de zelfstandigen-aftrek

-- . 43.640 . 5.949

. 43.640 . 45.489 . 5.452

. 45.489 . 47.338 . 4.955

. 47.338 . 49.188 . 4.458

. 49.188 -- . 3.962

S&O:

Voor ondernemers die persoonlijk .speur- en ontwikkelingswerk. verrichten, geldt een extra zelfstandigenaftrek. Voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar ten minste 625 uur besteedt aan speur- en ontwikkelingswerk, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met f 10.802 (f 10.621) / . 4.902.

Zelfstandigenaftrek voor startende ondernemers

Een startende ondernemer heeft recht op een verhoging van de zelfstandigenaftrek (startersaftrek) indien hij in de vijf voorafgaande kalenderjaren niet meer dan twee keer zelfstandigenaftrek heeft genoten.
De verhoging van de zelfstandigenaftrek voor startende ondernemers bedraagt voor het jaar 2000
f 3.840 (f3.775) / . 1.743.


1.18 Fiscale oudedagsreserve voor zelfstandigen Op verzoek van de zelfstandig ondernemer kan een toevoeging aan de Fiscale oudedagsreserve worden toegepast, indien hij de zelfstandigenaftrek geniet.
De toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve bedraagt 12% van de winst, waarbij een maximum bedrag geldt van f 21.367 (f 21.009) / .
9.696. Voorts geldt dat de oudedagsreserve door de dotatie niet boven het ondernemingsvermogen mag uitkomen.


1.19 Extra lijfrentepremie-aftrek bij stakende ondernemers De extra ruimte aan lijfrentepremie-aftrek bij ondernemers die hun onderneming of een gedeelte van hun onderneming staken bedraagt:

f 783.864 (f 770.761) / . 355.702 bij:
. overdrachten door ondernemers van 60 jaar of ouder; . overdrachten door invalide ondernemers;
. het staken de onderneming door overlijden.

f 391.938 (f 385.386) / . 177.854 bij:
. overdrachten door ondernemers van 50 tot 60 jaar; . overdrachten door ondernemers jonger dan 50 jaar indien de uitkeringen of verstrekkingen direct ingaan.

f 195.975 (f 192.699) / . 88.930:
. in de overige gevallen.


1.20 Investeringsaftrek en energie-investeringsaftrek

Investeringsaftrek
De investeringsaftrek voor 2000 ziet er als volgt uit:

In guldens:
2000 1999

Bij jaar-investeringen van meer dan doch niet meer dan bedraagt de aftrek Bij jaar-investeringen van meer dan doch niet meer dan bedraagt de aftrek f 3.900 f 65.000 27% f 3.800 f 64.000 27%

f 65.000 f 127.000 21% f 64.000 f 125.000 21%

f 127.000 f 190.000 19% f 125.000 f 187.000 19%

f 190.000 f 252.000 16% f 187.000 f 248.000 16%

f 252.000 f 315.000 13% f 248.000 f 309.000 13%

f 315.000 f 377.000 11% f 309.000 f 371.000 11%

f 377.000 f 441.000 8% f 371.000 f 433.000 8%

f 441.000 f 503.000 5% f 433.000 f 495.000 5%

f 503.000 f 566.000 3% f 495.000 f 556.000 3%

In euro.s:
2000

Bij jaar-Investeringen van meer dan doch niet meer dan bedraagt de aftrek
. 1.770 . 29.496 27%

. 29.496 . 57.630 21%

. 57.630 . 86.218 19%

. 86.218 . 114.353 16%

. 114.353 . 142.941 13%

. 142.941 . 171.075 11%

. 171.075 . 200.117 8%

. 200.117 . 228.251 5%

. 228.251 . 256.840 3%

De drempel voor de desinvesteringsbijtelling is voor 2000: f 3.900 (f
3.800) / . 1.770.

Energie-investeringsaftrek

Per 1 januari 1997 is de zogenoemde energie-investeringsaftrek ingevoerd. Hiervoor gelden voor 2000 de volgende bedragen:

In guldens:
2000 1999

Bij energie-investeringen van meer dan doch niet meer dan bedraagt de aftrek Bij energie-investeringen van meer dan doch niet meer dan bedraagt de aftrek f 3.900 f 65.000 52,0% f 3.800 f 64.000 52,0%

f 65.000 f 127.000 50,5% f 64.000 f 125.000 50,5%

f 127.000 f 190.000 49,0% f 125.000 f 187.000 49,0%

f 190.000 f 252.000 47,5% f 187.000 f 248.000 47,5%

f 252.000 f 315.000 46,0% f 248.000 f 309.000 46,0%

f 315.000 f 377.000 44,5% f 309.000 f 371.000 44,5%

f 377.000 f 441.000 43,0% f 371.000 f 433.000 43,0%

f 441.000 f 503.000 41,5% f 433.000 f 495.000 41,5%

f 503.000 -- 40,0% f 495.000 -- 40,0%

In euro.s:
2000

Bij energie-Investeringen van meer dan doch niet meer dan bedraagt de aftrek
. 1.770 . 29.496 52,0%

. 29.496 . 57.630 50,5%

. 57.630 . 86.218 49,0%

. 86.218 . 114.353 47,5%

. 114.353 . 142.941 46,0%

. 142.941 . 171.075 44,5%

. 171.075 . 200.117 43,0%

. 200.117 . 228.251 41,5%

. 228.251 -- 40,0%

Van het investeringsbedrag wordt maximaal f 208.000.000 (f 205.000.000) / . 94.386.285 gefacilieerd.
Het belastingplan 2000 maakt het mogelijk dat voor energie-adviezen energie-investeringsaftrek wordt verkregen door tot de investeringskosten van een energie-investering tevens te rekenen de kosten van het energie-advies mits dit advies mede betrekking heeft op deze energie-investering.


1.21 Willekeurige afschrijving
De mogelijkheden voor de willekeurige afschrijving worden uitgebreid met laboratoriumgebouwen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor speur- en ontwikkelingswerk. Om investeringen in deze bedrijfsmiddelen te stimuleren wordt de mogelijkheid geboden een deel van de aanschaffings- en voortbrengingskosten van de hiervoor bedoelde bedrijfsmiddelen willekeurig af te schrijven. De investeringen die voor faciliëring in aanmerking komen, worden bij ministeriële regeling door de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Financiën aangewezen. Indien een ondernemer voornemens is in een kalenderjaar een investering te verrichten in laboratoriumgebouwen waarin speur- en ontwikkelingswerk zal gaan plaatsvinden, dient hij een verzoek om een verklaring van de Minister van Economische Zaken in te dienen in het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Aangezien de Aanwijzingsregeling van de Minister van Economische Zaken na 1 januari 2000 gepubliceerd zal worden, zal voor 2000 het verzoek om een verklaring tot een nog te bepalen tijdstip in 2000 kunnen worden ingediend.


1.22 Werknemersspaarregelingen
De werkgever kan op grond van een premiespaarregeling in 2000 een belasting- en premievrije spaarpremie aan de werknemer toekennen van maximaal 100% van de ingehouden besparing, maar niet meer dan f 1.158 (f 1.138) / . 525. Het bedrag dat in 2000 maximaal geblokkeerd kan worden gespaard ingevolge een spaarloonregeling bedraagt f 1.736 (f
1.706) / . 788.


1.23 Kinderopvang
In 2000 wordt de buitengewone lastenaftrek in de inkomstenbelasting op twee manieren verruimd. Enerzijds wordt het bedrag waarmee bij de berekening van de aftrek maximaal rekening mag worden gehouden (het plafond) verhoogd. Anderzijds worden de bedragen waarvoor geen aftrek mogelijk is (de drempels) verlaagd.
Zoals aangekondigd in de Beleidsnota kinderopvang wordt f 50 mln ingezet voor de verhoging van het plafond in de buitengewone lastenaftrek. Het plafond wordt verhoogd van f 11.053 naar f 19.050. Van deze maatregel profiteren met name zelfstandigen en ouders van wie de werkgever niet bijdraagt aan de kosten van kinderopvang. Het bedrag dat werkgevers in het kader van de WVA maximaal in aanmerking mogen nemen indien de opvang van kinderen bij de ouders thuis plaatsvindt, wordt eveneens tot f 19.050 verhoogd.
Voor de uitvoering van een motie van de Tweede Kamer is daarnaast in 2000 f 50 mln extra beschikbaar voor verlaging van de drempels in de buitengewone lastenaftrek. Dit heeft tot gevolg dat de bedragen in de VWS-adviestabel gaan afwijken van de bedragen die fiscaal in aanmerking worden genomen. Hierdoor komen vooral ouders met lagere en middeninkomens eerder aan buitengewone lastenaftrek voor kosten van kinderopvang toe.

Als een belastingplichtige zelf de kosten voor kinderopvang draagt, kunnen bij de onderstaande voorwaarden de uitgaven boven de drempel afgetrokken worden:
. de belastingplichtige en zijn/haar eventuele partner verrichten beiden (buiten het huishouden) betaalde arbeid en deze werkzaamheden leveren per persoon meer dan f 8.523 (f 8.380) / . 3.868 aan belastbaar inkomen op;
. het betreft alleen opvang die voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.

Uitgaande van de bovenstaande condities en van die belastingplichtige die een beroep doet op kinderopvang voor één of meer kinderen op vijf of meer dagen per week betekent dit:

Onder buitenschoolse opvang wordt verstaan; kinderopvang die zowel voor als na schooltijden en tijden de schoolvakanties plaatsvindt. Onder naschoolse opvang wordt verstaan; kinderopvang die zowel na schooltijd als tijdens de schoolvakanties plaatsvindt.

In guldens voor 2000:
Onzuiver inkomen Niet voor aftrek in aanmerking komend bedrag per jaar ter zake van kinderopvang bij
Meer dan doch niet meer dan opvang gedurende meer dan vijf uur per dag, niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang opvang gedurende vijf uur per dag of minder (niet zijnde naschoolse opvang) en buitenschoolse opvang
voor het eerste kind voor elk volgend kind voor het eerste kind voor elk volgend kind

-- f 44.800 f 336 f 336 f 224 f 224
f 44.800 f 51.200 f 1.541 f 1.440 f 1.027 f 960
f 51.200 f 57.600 f 2.747 f 1.660 f 1.831 f
1.107

f 57.600 f 64.000 f 3.952 f 1.943 f 2.635 f
1.295

f 64.000 f 70.400 f 5.158 f 2.226 f 3.439 f
1.484

f 70.400 f 76.800 f 6.363 f 2.510 f 4.242 f
1.673

f 76.800 f 83.200 f 7.569 f 2.816 f 5.046 f
1.877

f 83.200 f 89.600 f 8.774 f 3.125 f 5.849 f
2.083

f 89.600 f 96.000 f 9.980 f 3.393 f 6.653 f
2.262

f 96.000 f 102.400 f 11.185 f 3.661 f 7.457 f
2.441

f 102.400 f 108.800 f 12.391 f 3.928 f 8.261 f
2.619

f 108.800 -- f 13.596 f 4.092 f 9.064 f 2.728

In guldens voor 2000:
Onzuiver inkomen Niet voor aftrek in aanmerking komend bedrag per jaar ter zake van kinderopvang bij
Meer dan doch niet meer dan naschoolse opvang voor het eerste kind voor elk volgend kind
-- f 44.800 f 168 f 168 f 44.800 f 51.200 f 771 f 720 f 51.200 f 57.600 f 1.374 f 830 f 57.600 f 64.000 f 1.976 f 972 f 64.000 f 70.400 f 2.579 f 1.113 f 70.400 f 76.800 f 3.182 f 1.255 f 76.800 f 83.200 f 3.785 f 1.408 f 83.200 f 89.600 f 4.387 f 1.563 f 89.600 f 96.000 f 4.990 f 1.697 f 96.000 f 102.400 f 5.593 f 1.831 f 102.400 f 108.800 f 6.196 f 1.964 f 108.800 -- f 6.798 f 2.046
In guldens voor 1999:
Onzuiver inkomen Niet voor aftrek in aanmerking komend bedrag per jaar ter zake van kinderopvang bij
Meer dan doch niet meer dan opvang gedurende meer dan vijf uur per dag, niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang opvang gedurende vijf uur per dag of minder (niet zijnde naschoolse opvang) en buitenschoolse opvang
voor het eerste kind voor elk volgend kind voor het eerste kind voor elk volgend kind

-- f 27.150 f 1.212 f

1.212 f 808 f 808
f 27.150 f 31.500 f 1.859 f 1.416 f 1.239 f 944
f 31.500 f 37.800 f 2.810 f 1.416 f 1.873 f 944
f 37.800 f 44.100 f 3.745 f 1.416 f 2.497 f 944
f 44.100 f 50.400 f 4.678 f 1.416 f 3.119 f 944
f 50.400 f 56.700 f 5.611 f 1.672 f 3.741 f
1.115

f 56.700 f 63.000 f 6.544 f 1.955 f 4.363 f
1.303

f 63.000 f 69.300 f 7.477 f 2.238 f 4.985 f
1.492

f 69.300 f 75.600 f 8.410 f 2.521 f 5.607 f
1.681

f 75.600 f 81.900 f 9.427 f 2.830 f 6.285 f
1.887

f 81.900 f 88.200 f 10.451 f 3.140 f 6.967 f
2.093

f 88.200 f 94.500 f 11.329 f 3.406 f 7.553 f
2.271

f 94.500 f 100.800 f 12.205 f 3.672 f 8.137 f
2.448

f 100.800 f 107.100 f 13.082 f 3.938 f 8.721 f
2.625

f 107.100 -- f 13.320 f 4.008 f 8.880 f 2.672 In guldens voor 1999:
Onzuiver inkomen Niet voor aftrek in aanmerking komend bedrag per jaar ter zake van kinderopvang bij
Meer dan doch niet meer dan naschoolse opvang voor het eerste kind voor elk volgend kind
-- f 27.150 f 606 f 606 f 27.150 f 31.500 f 930 f 708 f 31.500 f 37.800 f 1.405 f 708 f 37.800 f 44.100 f 1.873 f 708 f 44.100 f 50.400 f 2.339 f 708 f 50.400 f 56.700 f 2.806 f 836 f 56.700 f 63.000 f 3.272 f 978 f 63.000 f 69.300 f 3.739 f 1.119 f 69.300 f 75.600 f 4.205 f 1.261 f 75.600 f 81.900 f 4.714 f 1.415 f 81.900 f 88.200 f 5.226 f 1.570 f 88.200 f 94.500 f 5.665 f 1.703 f 94.500 f 100.800 f 6.103 f 1.836 f 100.800 f 107.100 f 6.541 f 1.969 f 107.100 -- f 6.660 f 2.004
In euro.s voor 2000:
Onzuiver inkomen Niet voor aftrek in aanmerking komend bedrag per jaar ter zake van kinderopvang bij
Meer dan doch niet meer dan opvang gedurende meer dan vijf uur per dag, niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang Opvang gedurende vijf uur per dag of minder (niet zijnde naschoolse opvang) en buitenschoolse opvang
voor het eerste kind voor elk volgend kind Voor het eerste kind voor elk volgend kind

-- .

20.329 . 152 . 152 . 102 . 102

. 20.329 .

23.234 . 699 . 653 . 466 . 436

. 23.234 . 26.138 . 1.247

. 753 . 831 . 502

. 26.138 . 29.042 . 1.793 . 882 . 1.196

. 588

. 29.042 . 31.946 . 2.341 . 1.010 . 1.561 . 673

. 31.946 . 34.850 . 2.887 . 1.139 . 1.925 . 759

. 34.850 . 37.755 . 3.435 . 1.278 . 2.290 . 852

. 37.755 . 40.659 . 3.981 . 1.418 . 2.654 . 945

. 40.659 . 43.563 . 4.529 . 1.540 . 3.019 . 1.026

. 43.563 . 46.467 . 5.076 . 1.661 . 3.384 . 1.108

. 46.467 . 49.371 . 5.623 . 1.782 . 3.749 . 1.188

. 49.371 -- . 6.170 . 1.857 . 4.113 . 1.238

In euro.s voor 2000:
Onzuiver inkomen Niet voor aftrek in aanmerking komend bedrag per jaar ter zake van kinderopvang bij
Meer dan doch niet meer dan naschoolse opvang voor het eerste kind voor elk volgend kind
-- . 20.329 . 76 . 76

. 20.329 . 23.234 . 350 . 327

. 23.234 . 26.138 . 623 . 377

. 26.138 . 29.042 . 897 . 441

. 29.042 . 31.946 . 1.170 . 505

. 31.946 . 34.850 . 1.444 . 569

. 34.850 . 37.755 . 1.718 . 639

. 37.755 . 40.659 . 1.991 . 709

. 40.659 . 43.563 . 2.264 . 770

. 43.563 . 46.467 . 2.538 . 831

. 46.467 . 49.371 . 2.812 . 891

. 49.371 -- . 3.085 . 928


1.24 Scholingsaftrek
Om scholing tijdens het werken te stimuleren kunnen bedrijven 20% van de scholingskosten extra aftrekken van de fiscale winst. Indien de scholingskosten niet meer bedragen dan f 260.000 (f 256.000) / . 117.983 wordt over de eerste f 63.000 (f 62.000) / . 28.588 kosten een aftrek van 40% verleend. Met betrekking tot de scholingskosten ter zake van personen ouder dan 40 jaar geldt een aanvullende scholingsaftrek van 40%. In totaal kan de scholingsaftrek niet meer bedragen dan
f 5.000.000 (f 5.000.000) / . 2.268.901.


1.25 Computers en bijbehorende apparatuur Computers en bijbehorende apparatuur die de werkgever verstrekt of ter beschikking stelt, behoren niet tot het loon als zij door de betrokken werknemers voor de dienstbetrekking worden gebruikt. Onder bijbehorende apparatuur wordt verstaan: modems, printers, faxen en besturingssoftware. Er mag per 3 kalenderjaren in totaal niet meer dan f 5.000 / . 2.269 inclusief BTW onbelast worden verstrekt of ter beschikking worden gesteld. Bedragen zijn gelijk aan 1999.


1.26 Vrijwilligers
De vergoeding die een vrijwilliger ontvangt, voorzover deze niet meer dan f 1.470 (f 1.435) / . 667 per jaar en f 42 (f 41) / . 19 per week, wordt niet als loon beschouwd.


1.27 Maatregelen in verband met belastingherziening 2001 Vooruitlopend op de ingrijpende wijziging van de inkomstenbelasting die per 1 januari 2001 is voorzien, zijn na de maatregelen van 1999 ook per 1 januari 2000 enkele maatregelen getroffen om ongewenste anticipatie op de komende systeemwijziging te voorkomen. Daarbij gaat het om een drietal maatregelen, te weten het verder beperken van de aftrekbaarheid van vooruitbetaalde rente, het niet langer in aftrek kunnen brengen van vooruitbetaalde onderhoudskosten en het niet langer naar het voorgaande kalenderjaar kunnen terugwentelen van aftrekbare lijfrentepremies.

Vooruitbetaalde renten
In het kalenderjaar 2000 is vooruitbetaalde rente die betrekking heeft op het jaar 2001 en verder niet meer aftrekbaar. Deze maatregel geldt niet voor vooruitbetaalde rente die verband houdt met aankoop, onderhoud of verbetering van de eerste eigen woning. Voor dergelijke vooruitbetaalde renten blijven de bestaande regels van toepassing (dat betekent bijvoorbeeld dat vooruitbetaalde hypotheekrente die betrekking heeft op een tijdvak dat uiterlijk op 30 juni 2001 eindigt, in 2000 in aftrek kan worden gebracht).

Vooruitbetaalde onderhoudskosten
In het kalenderjaar 2000 wordt de aftrek van onderhoudskosten beperkt tot de kosten van feitelijk uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden. Dit betekent dat voorzover de in het kalenderjaar 2000 betaalde onderhoudskosten betrekking hebben op onderhoudswerkzaamheden die pas na 31 december 2000 zullen worden uitgevoerd, deze niet in het jaar 2000 in aftrek kunnen worden gebracht.

Beperking terugwenteling lijfrentepremies
In het Belastingplan 2000 is een maatregel opgenomen op grond waarvan een beperking wordt aangebracht in de mogelijkheden om lijfrentepremies die worden betaald in de periode van 1 januari 2001 tot 1 juli 2001 in aftrek te brengen op het inkomen over het kalenderjaar 2000. Deze beperking geldt uitsluitend voor de zogenoemde eerste tranche lijfrentepremies. Voor het kalenderjaar zelf heeft deze wijziging derhalve geen gevolgen. Lijfrentepremies - ook eerste tranche lijfrentepremies - die voor 1 juli 2000 worden betaald, kunnen nog volgens de bestaande systematiek worden teruggewenteld naar het jaar 1999. Overigens blijven eerste tranche lijfrentepremies ook in het jaar 2000 normaal aftrekbaar, mits deze premies uiterlijk op 31 december 2000 worden betaald.

2 Vermogensbelasting 2000
Het tarief van de vermogensbelasting is 7 promille van elk geheel bedrag van f 1.000 / . 454. Bedragen van f 70 / . 32 en minder worden niet geheven.


2.1 Tariefgroepindeling en belastingvrije bedragen Tariefgroep I
Ongehuwden en gehuwden die duurzaam gescheiden leven. De belastingvrije som bedraagt in 2000
f 200.000 (f 197.000) / . 90.756.

Tariefgroep II
Gehuwden, tenzij zij duurzaam gescheiden leven. De belastingvrije som bedraagt in 2000 f 250.000
(f 246.000) / . 113.445.


2.2 Ondernemingsvrijstelling
Voor ondernemersvermogen gelden de volgende vrijstellingen: . Een vrijstelling van 100% voor de eerste f 219.000 (f 216.000) / . 99.378 aan ondernemingsvermogen;
. Daarboven een vrijstelling van 68% voor het meerdere.


2.3 Oudedagsvrijstelling
De oudedagsvrijstelling voor ongehuwden bedraagt:

In guldens:
Indien de belastingplichtige de leeftijd heeft bereikt van doch nog niet de leeftijd van en hij aanspraak heeft op een jaarlijkse uitkering .) van in totaal
ten hoogste f 10.275 (f 10.100) meer dan f 10.275 (f 10.100)doch niet meer dan f 20.550 (f 20.200)
2000 1999 2000 1999

35 45 f 18.000 f 18.000 f 8.000 f
8.000

45 55 f 55.000 f 54.000 f 28.000 f 28 .000

55 65 f 147.000 f
145.000 f 74.000 f 73.000
65 75 f 205.000 f 201.000 f 102.000 f 101.000

75 -- f 144.000 f
141.000 f 72.000 f 71.000

.) uit hoofde van een pensioenregeling, al dan niet ingegane lijfrenten of polissen van levensverzekering
In euro.s:
Indien de belastingplichtige de leeftijd heeft bereikt van Doch nog niet de leeftijd van en hij aanspraak heeft op een jaarlijkse uitkering .) van in totaal
ten hoogste . 4.663 meer dan . 4.663 doch niet meer dan . 9.325
2000 2000

35 45 . 8.168 . 3.630

45 55 . 24.958 . 12.706

55 65 . 66.706 . 33.580

65 75 . 93.025 . 46.286

75 -- . 65.344 . 32.672

.) uit hoofde van een pensioenregeling, al dan niet ingegane lijfrenten of polissen van levensverzekering

De oudedagsvrijstelling voor gehuwden bedraagt:

In guldens:
Indien de belastingplichtige dan wel, ingeval zijn echtgenoot ouder is maar niet ouder dan 74 jaar ..), diens echtgenoot de leeftijd heeft bereikt van doch nog niet de leeftijd van en hij aanspraak heeft op een jaarlijkse uitkering .) van in totaal
ten hoogste f 14.650 (f 14.400) meer dan f 14.650 (f 14.400)doch niet meer dan f 29.300(f 28.800)
2000 1999 2000 1999

35 45 f 25.000 f 24.000 f 13.000 f 13 .000

45 55 f 81.000 f 80.000 f 40.000 f 40 .000

55 65 f 210.000 f 207.000 f 106.000 f 104.000

65 75 f 292.000 f 287.000 f 146.000 f 144.000

75 -- f 207.000 f 203.000 f 105.000 f 103.000

.) uit hoofde van een pensioenregeling, al dan niet ingegane lijfrenten of polissen van levensverzekering
..) Voor de heffing van de vermogensbelasting mag voor de toepassing van de oudedagsvrijstelling de leeftijd van de echtgenoot van belastingplichtige in aanmerking worden genomen indien dat leidt tot een hoger vrijgesteld bedrag.
In euro.s:
Indien de belastingplichtige dan wel, ingeval zijn echtgenoot ouder is maar niet ouder dan 74 jaar ..), diens echtgenoot de leeftijd heeft bereikt van doch nog niet de leeftijd van en hij aanspraak heeft op een jaarlijkse uitkering .) van in totaal
ten hoogste . 6.648 meer dan . 6.648 doch niet meer dan . 13.296
2000 2000

35 45 . 11.345 . 5.899

45 55 . 36.756 . 18.151

55 65 . 95.294 . 48.101

65 75 . 132.504 . 66.252

75 -- . 93.933 . 47.647

.) Uit hoofde van een pensioenregeling, al dan niet ingegane lijfrenten of polissen van levensverzekering.
..) Voor de heffing van de vermogensbelasting mag voor de toepassing van de oudedagsvrijstelling de leeftijd van de echtgenoot van belastingplichtige in aanmerking worden genomen indien dat leidt tot een hoger vrijgesteld bedrag.

3 Rechten van successie, van schenking en overgang 2000
3.1 Vrijstellingen successierecht

In guldens voor 2000:
Echtgenoten Vrijstelling: f 587.573
Jonge kinderen Vrijstelling: f 8.394 per jaar beneden 23 jaar met een minimum van f 16.788.
Oudere kinderen Vrijstelling: f 16.788 voor kinderen ouder dan23 jaar, mits de verkrijging niet meer bedraagt dan f 50.363 Invalide kinderen Vrijstelling: f 8.394 per jaar beneden 23 jaar met een minimum van f 25.182Vrijstelling: f 16.788 voor kinderen ouder dan23 jaar
Ouders Vrijstelling: f 83.938
Andere bloedverwanten in de rechte lijn Drempel .) van f 16.788

In guldens voor 1999:
Echtgenoten Vrijstelling: f 577.751
Jonge kinderen Vrijstelling: f 8.254 per jaar beneden 23 jaar met een minimum van f 16.507.
Oudere kinderen Vrijstelling: f 16.507 voor kinderen ouder dan23 jaar, mits de verkrijging niet meer bedraagt dan f 49.521 Invalide kinderen Vrijstelling: f 8.254 per jaar beneden 23 jaar met een minimum van f 24.761Vrijstelling: f 16.507 voor kinderen ouder dan23 jaar
Ouders Vrijstelling: f 82.535
Andere bloedverwanten in de rechte lijn Drempel .) van f 16.507

In euro.s 2000:
Echtgenoten Vrijstelling: . 266.629
Jonge kinderen Vrijstelling: . 3.809 per jaar beneden 23 jaar met een minimum van . 7.618
Oudere kinderen Vrijstelling: . 7.618 voor kinderen ouder dan23 jaar, mits de verkrijging niet meer bedraagt dan . 22.854 Invalide kinderen Vrijstelling: . 3.809 per jaar beneden 23 jaar met een minimum van . 11.427Vrijstelling: . 7.618 voor kinderen ouder dan23 jaar
Ouders Vrijstelling: . 38.089
Andere bloedverwanten in de rechte lijn Drempel .) van . 7.618

.) Onder drempel wordt hier verstaan een vrijstelling die in beginsel vervalt als de verkrijging het maximum van de vrijstelling te boven gaat.
Ongehuwd samenwonenden:
Voor ongehuwd samenwonenden die na hun 22e jaar tenminste vijf jaren met erflater tot diens overlijden hebben samengewoond geldt: . Een vrijstelling van f 587.573 (f 577.751) / . 266.629 indien sprake is van een zogenoemde tweerelatie (zie hiervoor noot 2, onderdeel a, bij de hierna opgenomen tabel Tarief van het Successierecht). . Een vrijstelling van f 293.788 (f 288.877) / . 133.315 indien sprake is van een zogenoemde meerrelatie (zie hiervoor noot 2, onderdeel b, bij de tabel Tarief van het Successierecht).
Heeft de samenleving vier, drie of twee jaar geduurd, dan bedraagt in beide hiervoor genoemde gevallen de vrijstelling volgens onderstaande tabel respectievelijk:

Samenleving Vrijstelling 2000 Vrijstelling 1999 Vrijstelling 2000
Vier jaar f 235.030 f 231.101 . 106.652 Drie jaar f 176.273 f 173.326 . 79.989 Twee jaar f 117.515 f 115.551 . 53.326

Rechtspersonen die vallen onder het tarief van 11% Drempel .) van f 16.788 (f 16.507) / . 7.618 indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden die aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang Alle andere gevallen Drempel .) van f 1.678 (f 1.650) / . 761

.) Onder drempel wordt hier verstaan een vrijstelling die in beginsel vervalt als de verkrijging het maximum van de vrijstelling te boven gaat.

Op de vrijstellingen van echtgenoten, meer dan vijf jaren na hun 22e jaar ongehuwd samenwonenden, kinderen tot 23 jaar, en ouders worden eventuele pensioenrechten in mindering gebracht (bij echtgenoten en ongehuwd samenwonenden voor de helft). Deze vermindering is echter aan een maximum gebonden. De vrijstelling voor echtgenoten en ongehuwd samenwonenden kan nooit minder bedragen dan f 167.877 (f 165.071) / . 76.179 en voor de meerrelatie nooit minder dan f 83.938 (f 82.535) / . 38.089.

Voor invalide kinderen tot 23 jaar bedraagt de vrijstelling nooit minder dan f 25.182 (f 24.761) /
. 11.427.

Andere kinderen tot 23 jaar en ouders hebben een vrijstelling die nooit minder dan f 16.788
(f 16.507) / . 7.618 kan bedragen.


3.2 Vrijstellingen schenkingsrecht

Schenkingen door ouders aan kinderen Vrijstelling: (per kalenderjaar) f 8.394 (f 8.254) /. 3.809Vrijstelling eenmalig f 41.972 (f 41.270) / . 19.046 voor kinderen tussen 18 en 35 jaar mits in de aangifte op de vrijstelling een beroep wordt gedaan Rechtspersonen die vallen onder het tarief van 11% Drempel .) per periode van twee jaar f 8.394(f 8.254) / . 3.809 indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden die aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang
Alle andere gevallen Drempel .): (per periode van 2 jaar)f 5.035 (f
4.951) / . 2.285.

.) Onder drempel wordt hier verstaan een vrijstelling die in beginsel vervalt als de verkrijging het maximum van de vrijstelling te boven gaat.


3.3 Tarief successie en schenking
In guldens voor 2000:
Verkrijging tussen En I. Echtgenoot, kinderen en afstammelingen in tweede of verdere graad 1) of een verkrijger als hierna onder 2) vermeld II. Broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn III. Andere verkrijging uitgezonderd de rechtspersonen die vallen onder het tarief van 11% (1) (2) a b a b a b f 0 f 41.979 f 0 5% f 0 26% f 0 41%
f 41.979 f 83.950 f 2.098 8% f 10.914 30% f 17.211 45%
f 83.950 f 167.889 f 5.456 12% f 23.505 35% f 36.098 50%
f 167.889 f 335.767 f 15.529 15% f 52.884 39% f 78.067 54%
f 335.767 f 671.523 f 40.711 19% f 118.356 44% f 168.721 59%
f 671.523 f 1.678.787 f
104.504 23% f 266.089 48% f 366.818 63% f 1.678.787 en hoger f
336.175 27% f 749.576 53% f 1.001.394 68%

In guldens voor 1999:
Verkrijging tussen En I. Echtgenoot, kinderen en afstammelingen in tweede of verdere graad 1) of een verkrijger als hierna onder 2) vermeld II. Broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn III. Andere verkrijging uitgezonderd de rechtspersonen die vallen onder het tarief van 11% (1) (2) a b a b a b f 0 f 41.277 f 0 5% f 0 26% f 0 41%
f 41.277 f 82.546 f 2.063 8% f 10.732 30% f 16.923 45%
f 82.546 f 165.082 f 5.365 12% f 23.112 35% f 35.494 50%
f 165.082 f 330.154 f 15.269 15% f 52.000 39% f 76.762 54%
f 330.154 f 660.297 f 40.030 19% f 116.378 44% f 165.901 59%
f 660.297 f 1.650.724 f 102.757 23% f 261.641 48% f 360.685 63%
f 1.650.724 en
hoger f 330.555 27% f 737.046 53% f 984.6 54 68%

In euro.s voor 2000:
Verkrijging tussen En I. Echtgenoot, kinderen en afstammelingen in tweede of verdere graad 1) of een verkrijger als hierna onder 2) vermeld II. Broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn III. Andere verkrijging uitgezonderd de rechtspersonen die vallen onder het tarief van 11% (1) (2) a b a b a b .

0 . 19.049 . 0 5% . 0 26% .

0 41%

. 19.049 . 38.095 . 952 8% . 4.952

30% . 7.810 45%

. 38.095 . 76.185 . 2.476 12% . 10.666

35% . 16.380 50%

. 76.185 .

152.364 . 7.046 15% . 23.998 39% . 35.4

25 54%

. 152.364 .

304.724 . 18.473 19% . 53.707 44% . 56.5

62 59%

. 304.724 . 761.800 . 47.422 23% .

120.746 48% . 166.454 63%

. 761.800 en hoger . 152.549 27% . 340.142 53% . 454.412 68%

a) Belasting over het in kolom (1) genoemde bedrag. b) Heffingspercentage over het gedeelte van de (belaste) verkrijging, dat ligt tussen de bedragen van kolom (1) en kolom (2). 1) Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan.
2) Onder verkrijger in tariefgroep I wordt verstaan een verkrijger - niet zijnde een echtgenoot; die:
a. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker na hun 22e jaar gedurende een aaneengesloten periode van tenminste vijf jaren en met geen ander dan met één of meer kinderen jonger dan 27 jaar van één van hen of van hen beiden een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Met een kind wordt gelijkgesteld een pleegkind, waaronder voor de toepassing van dit lid wordt verstaan een kind dat door de verkrijger en de erflater of de schenker als een eigen kind is onderhouden en opgevoed; b. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker na hun 22e jaar anders dan bedoeld onder letter a gedurende een aaneengesloten periode van tenminste vijf jaren een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

4 Afdrachtvermindering loonbelasting 2000 Met ingang van 1 januari 1999 is de voltijds werkweek voor alle afdrachtverminderingen op 36 uur gesteld. Er geldt een uitzondering bij de afdrachtvermindering langdurig werklozen; als de werknemer op 31 december 1998 in aanmerking kwam voor deze afdrachtvermindering, dan wordt de voltijdsweek voor die werknemers in 1999 niet op 36, maar op 32 uur gesteld.

De werknemer kan voor meerdere afdrachtverminderingen tegelijk in aanmerking komen. Er zijn twee uitzonderingen:
. de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk en de afdrachtvermindering zeevaart (deze is niet in het overzicht opgenomen) kunnen niet samengaan,
. bij samenloop van de afdrachtvermindering of
doorstroomafdrachtvermindering lage lonen en de afdrachtvermindering onderwijs is het totaal van de afdrachtverminderingen aan een maximum gebonden, voor 2000 bedraagt dit maximum f 6.610 (f 6.440) / .
2.999.

Met ingang van 1 januari 2000 kunnen de afdrachtvermindering onderwijs en de afdrachtvermindering langdurig werkelozen tegelijkertijd voor dezelfde werknemer worden toegepast. Dit geldt alleen voor werknemers voor wie de afdrachtvermindering onderwijs op 31 december 1999 niet van toepassing was.


4.1 Afdrachtvermindering lage lonen en
doorstroomafdrachtvermindering lage lonen
De afdrachtvermindering lage lonen is van toepassing met betrekking tot de werknemer wiens loon in het desbetreffende loontijdvak niet meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak.

In guldens voor 2000:
Indien hij de leeftijd heeft bereikt van Doch niet de leeftijd van bedraagt het toetsloon maximaal bedrag afdrachtvermindering
15 16 f 10.794 f 425
16 17 f 12.414 f 487
17 18 f 14.213 f 559
18 19 f 16.371 f 644
19 20 f 18.890 f 742
20 21 f 22.128 f 868
21 22 f 26.088 f 1.025
22 23 f 30.587 f 1.199
23 -- f 35.721 f 4.080

In guldens voor 1999:
Indien hij de leeftijd heeft bereikt van Doch niet de leeftijd van bedraagt het toetsloon maximaal bedrag afdrachtvermindering
15 16 f 10.475 f 414
16 17 f 12.046 f 475
17 18 f 13.793 f 545
18 19 f 15.887 f 628
19 20 f 18.331 f 723
20 21 f 21.475 f 846
21 22 f 25.315 f 999
22 23 f 29.688 f 1.169
23 -- f 34.673 f 3.980

In euro.s voor 2000:
Indien hij de leeftijd heeft bereikt van Doch niet de leeftijd van bedraagt het toetsloon Maximaal bedrag afdrachtvermindering
15 16 . 4.898 . 193

16 17 . 5.633 . 221

17 18 . 6.450 . 254

18 19 . 7.429 . 292

19 20 . 8.572 . 337

20 21 . 10.041 . 394

21 22 . 11.838 . 465

22 23 . 13.880 . 544

23 -- . 16.209 . 1.851

De doorstroomafdrachtvermindering lage lonen wordt verhoogd tot f
2.040 (f 1.990) / . 926. De doorstroomafdrachtvermindering geldt alleen nog voor werknemers van 23 jaar en ouder die niet meer verdienen dan een van 130% van het minimumloon afgeleid toetsloon. Dit toetsloon voor 2000 is
f 40.150 (f 38.976) / . 18.219.


4.2 Afdrachtvermindering langdurig werklozen De afdrachtvermindering langdurig werklozen bedraagt in 2000 f 4.880 (f 4.750) / . 2.214.
Het toetsloon voor 2000 is f 40.150 (f 38.976) / . 18.219.


4.3 Afdrachtvermindering onderwijs
Het toetsloon van 130% bij de afdrachtvermindering onderwijs geldt met ingang van 1 januari 1998 alleen voor de volgende werknemers indien zij op het inhoudingstijdstip de 25-jarige leeftijd nog niet hebben bereikt:
. voor werknemers die de beroepspraktijkvorming (leerlingwezen) volgen, en
. voor werknemers die de duale leerweg in het hoger beroepsonderwijs volgen.
Voor werknemers die de 25-jarige leeftijd hebben bereikt geldt met ingang van 1 januari 1998 dus geen toetsloon.
De afdrachtvermindering onderwijs bedraagt in 2000 f 4.880 (f 4.750) / . 2.214.

Het toetsloon voor 2000 is f 40.150 (f 38.976) / . 18.219.


4.4 Afdrachtvermindering scholing non-profit Met ingang van 1 januari 1999 is er een nieuwe afdrachtvermindering: de afdrachtvermindering scholing non-profit gekomen. Dit is een faciliteit voor werkgevers die niet zijn onderworpen aan de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting en die kosten van scholing hebben gemaakt ten behoeve van bij hen werkzame personen. Als de afdrachtvermindering scholing non-profit van toepassing is, zal in beginsel 7% van de scholingskosten in mindering mogen worden gebracht op de af te dragen loonheffing. Als de totale scholingskosten lager zijn dan f 260.00 (f 256.000) / . 117.983 geldt voor de eerste f 63.000

(f 62.000) / . 28.588 een afdrachtvermindering van 14% in plaats van 7%. De afdrachtvermindering wordt verhoogd met 14% van de scholingskosten die betrekking hebben op personen van 40 jaar of ouder. De maximale tegemoetkoming bedraagt dus 28% van de scholingskosten. De afdrachtvermindering scholing non-profit kan per werkgever, gelijk als in 1999, nooit meer bedragen dan f 1.750.000 / . 794.115 per kalenderjaar.


4.5 Afdrachtvermindering kinderopvang
De afdrachtvermindering kinderopvang is een tegemoetkoming van 30% van de kosten van kinderopvang die de werkgever maakt voor de opvang van de kinderen van werknemers. Het gaat om kinderopvang voor eigen, stief- en/of pleegkinderen jonger dan 13 jaar.


4.6 Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk Het percentage van de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk over het s&o-loon voor zover dat meer bedraagt dan f 150.000 (f 150.000) / . 68.067 is 13%.
5 Vergroening en verschuiving

5.1 Inleiding
De fiscaliteit is een instrument om de beleidsdoelstellingen op financieel-economisch terrein zoals vastgelegd in het Regeerakkoord, dichterbij te brengen. De fiscale stap van 1999 in de richting van vergroening (van lasten op arbeid naar milieu) en verschuiving (van directe naar indirecte belastingen), wordt gevolgd door een tweede tranche vergroening en verschuiving van het belastingstelsel. Deze tweede tranche vergroening is een belangrijk onderdeel van het Belastingplan 2000, waarmee de weg bereid wordt voor de algehele belastingherziening in 2001. Het pakket aan maatregelen waarmee voor 2000 de belastingmix verder wordt vergroend bedraagt structureel ruim f 1,8 miljard, waarvan circa f 1,2 miljard ten laste komt van gezinnen en f 0,6 miljard ten laste van bedrijven, overheid, onderwijs en non-profit-instellingen.

In lijn met de daarover in het Regeerakkoord gemaakte afspraken, wordt deze opbrengst volledig naar gezinnen en bedrijven teruggesluisd, voornamelijk via lagere tarieven, maar deels ook via de zogenoemde positieve prikkels ter bevordering van milieuvriendelijk gedrag (zie terugsluismaatregelen naar gezinnen en bedrijven). Als gevolg van de voorgestelde vergroeningsmaatregelen uit de tweede tranche ontstaat ruimte voor een verdere verlaging van de lastendruk op arbeid met ruim f 1 miljard.

Tabel 1: Overzicht van heffingen en terugsluismaatregelen voor huishoudens en bedrijven in de 2e tranche vergroening (in miljoenen guldens).
Maatregel Huishoudens Bedrijven Totaal Energiebelastingen 800 360 1.160
Indexatie milieubelastingen 85 45 130

Overige milieubelastingen 110 248 358 waarvan heffing op storten brandbaar afval 60 90 150 waarvan optimale brandstofmix dieselauto.s 50 25 75 waarvan algemene waterbelasting 0 80 80 waarvan algemeen BTW-tarief op
bestrijdingsmiddelen 0 23 23
waarvan gelijktrekken tarief zelfonttrekkers 0 30 30

BTW over energie- en milieubelastingen 170 0 170

Totale lastenverzwaring 1.165 653 1.818

Compensatie bedrijven via generieke
terugsluismaatregelen 0 -500 -500 Compensatie bedrijven via specifieke
terugsluismaatregelen 0 -53 -53
Positieve Prikkels -65 -100 -165

Verlaging loon- en inkomstenbelasting huishoudens (tariefsverlaging schijf 1A met 0,9%) -1.100 0 -1.100

Totale lastenverlichting -1.165 -653 -1.818


5.2 Regulerende energiebelasting
Per 1 januari 1996 is de regulerende energiebelasting voor huishoudens en bedrijven ingevoerd. In lijn met het Regeerakkoord wordt de verhoging van de energiebelastingen en de daarbij horende compensatie per 1 januari 2000 gefaseerd ingevoerd. De verhoging en jaarlijkse indexatie van de energiebelasting leidt tot de onderstaande REB-tarieven.

Tabel 2: Huidige en nieuwe tarieven voor aardgas en elektriciteit per 1 januari 2000:
Aardgasm3 Huidige
tarievenCt/m3 Indexatie Verhoging Tarieven1-1-2000excl. BTW

tot 800 800 - 5 000 5 000 - 170 000170 000 - 1 mln boven 1
mln -15,9810,44 0,71- -0,270,180,01- -4,570,820,82- -20,8211, 44 1,54-

ElektriciteitkWh Huidige
tarievenCt/kWh Indexatie Verhoging Tarieven1-1-2000excl. BTW

tot 800 800 - 10 00010 000 - 50 00050 000 - 10 mln boven 10 mln -4,953,230,22- -0,080,05-- -3,170,260,26- - 8,20 3,54 0, 48

Voor halfzware olie: f 174,30 (f 126,80) / . 79,09 per 1000 liter,
voor gasolie: f 175,60 (f 127,85) / . 79,68 per 1000 liter,
voor LPG: f 207,80 (f 151,25) / . 94,30 per 1000 kg.

De extra lasten worden zoals hierboven aangegeven voor zowel huishoudens als bedrijven adequaat gecompenseerd door lastenverlichting.
De voorgestelde terugsluis voor bedrijven van hun aandeel in de verhoging van de energie- en milieubelastingen vindt naast de verhoging van het budget voor positieve prikkels plaats via een verlaging van het Vpb-tarief met 3% over de eerste f 50.000 van het totale belastbare winstbedrag, een verhoging van de zelfstandigenaftrek met f 1.090, en een verhoging van het budget voor de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Duurzame Ondernemersaftrek (DOA). De MIA en DOA zullen eerst in werking treden nadat goedkeuring van de Europese Commissie is verkregen.


5.3 Belasting op leidingwater
Per 1 januari 2000 wordt er een heffing op leidingwater ingevoerd van f 0,285 per kubieke meter water ingevoerd. Tegelijkertijd wordt het BTW-tarief op de levering van leidingwater van het algemene BTW-tarief van 17,5% naar het verlaagde BTW-tarief van 6% gebracht. Voor de heffing wordt aangesloten bij de hoeveelheid geleverde kubieke meter leidingwater per zelfstandige onroerende zaak. Met betrekking tot de onroerende zaken die (nog) niet bemeterd zijn, wordt om uitvoeringstechnische redenen aangesloten bij het systeem dat waterleidingbedrijven hanteren voor de vaststelling van de waterrekening. Het door het waterleidingbedrijf in rekening gebrachte bedrag wordt teruggerekend naar een - fictieve - hoeveelheid geleverd water.


5.4 Overige milieubelastingen
In het kader van de vergroening van het belastingregime vallen bestrijdingsmiddelen en meststoffen voortaan onder het standaard BTW-tarief. Het grondwatertarief voor eigen winners wordt in twee stappen opgehoogd tot het algemene grondwatertarief. Per 1 januari 2000 wordt de eerste stap ingevoerd.
Het Belastingplan 2000 voorziet daarnaast in een verhoging van de tarieven van de afvalstoffenbelasting. De Europese Commissie heeft met betrekking tot een aantal in de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) opgenomen tegemoetkomingen laten weten dat deze regelingen als gevolg van bovengenoemde tariefverhogingen opnieuw formeel moeten worden aangemeld in het kader van de staatssteunprocedure. Bij deze tegemoetkomingen gaat het om de vrijstellingen voor spoelwater in de grondwaterbelasting (voor eigen winners), voor bagger, asbest en ontinktingsresidu in de afvalstoffenbelasting, het nihiltarief voor groene stroom en de bijzondere regeling voor afvalverbrandingsinstallaties in de regulerende energiebelasting. Hoewel ervan wordt uitgegaan dat de Commissie tot goedkeuring zal overgaan, is een wettelijke voorziening getroffen voor het geval de Commissie negatief zou beslissen. Na een eventuele negatieve beslissing zal de Wbm zo spoedig mogelijk worden aangepast met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000. De bij deze tegemoetkomingen betrokken belastingplichtigen en belanghebbende bedrijven moeten er dus rekening mee houden dat de tegemoetkomingen met ingang van 1 januari 2000 geheel of gedeeltelijk kunnen vervallen.

tarieven

De jaarlijkse indexatie van de grondwaterbelasting (inclusief de verhoging), de afvalstoffenbelasting en de brandstoffenbelasting leidt tot de onderstaande tarieven.

Tabel 1: Huidige en nieuwe tarieven voor grondwateronttrekkingen per 1 januari 2000:
Huidige tarieven per m3 ( in Ct) Tarieven1-1-2000 per m3 ( in Ct)excl. BTW vermindering bij infiltratieper m3 ( in Ct)2000 (1999)

- voor waterleiding-bedrijven - voor
anderen 34,7117,36 35,3026,34 29,59 (29,10)20,63 (11,74 )

Tabel 2: Huidige en nieuwe tarieven voor de afvalstoffenbelasting per 1 januari 2000
Huidige tarieven per1000 kg Tarieven1-1-2000per 1000 kgexcl. BTW

- voor storten van niet brandbaar afval- voor storten vanbrandbaar afval f 29,81f 65,66 f 27,29f 141,66
Tabel 3: Huidige en nieuwe tarieven voor de brandstoffenbelasting per 1 januari 2000
soort brandstof tarief 1999 tarief 2000
ongelode benzine (per 1000 liter) f 25,63 f 26,07 gelode benzine (per 1000 liter) f 25,63 f 26,07 halfzware olie (per 1000 liter) f 28,08 f 28,56 gasolie (motorbrandstof) (per 1000
liter) f 28,28 f 28,76
gasolie (ander gebruik) (per 1000
liter) f 28,28 f 28,76
zware stookolie (per 1000 kg) f 33,01 f 33,57 LPG (motorbrandstof; per 1000 kg) f 33,77 f 34,34 kolen (per 1000 kg) f 23,87 f 24,28 hoogoven-, cokesoven-, kolen- en raffinaderijgas (per 1000 GJ) f 241,79 f 245,90
aardgas (per 1000 m3)
0 - 10 mln m3 f 22,00 f 22,40 > 10 mln m3 f 14,40 f 14,60
KV-gas (per 1000 GJ) f 954,83 f 971,06

6 Autobelastingen


6.1 De eerste tranche vergroening bij autobelastingen In NMP 3 is een onderzoek aangekondigd naar de mogelijkheden om in de grondslagen van de motorrijtuigenbelasting (MRB) en/of de belasting van personenauto.s en motorrijwielen (BPM) meer rekening te houden met het milieu (schoon, zuinig en brandstofsoort). Dus bij de heffing van deze autobelastingen het stimuleren van schone en zuinige voertuigen en het tot stand brengen van de zogenoemde Optimale brandstofmix 2010.

Met ingang van 1 mei 2000 wordt de BPM voor dieselpersonenauto.s met f
2.000 verhoogd. Om de aanschaf van dieselpersonenauto.s die voldoen aan de zogenoemde emissiegrenswaarden voor het jaar 2005 te bevorderen, blijft de BPM-verhoging voor die dieselpersonenauto.s beperkt tot f 800. De MRB voor LPG-3 personenauto.s wordt per 1 mei 2000 met f 450 per jaar verlaagd.

Hiermee ontstaat een meer evenwichtige verhouding tussen de omslagpunten tussen benzine, dieselolie en LPG. Dit draagt mede bij tot minder dieselverbruik in de steden. Voor veelrijders, die het merendeel van hun kilometers op de buitenwegen afleggen, kan dieselolie een redelijk alternatief blijven.

Voorts wordt de inbouw van zogenoemde in-car-intrumenten zoals cruisecontrol en econometer en boordcomputer gestimuleerd door een lagere BPM. Deze maatregelen treden in werking met ingang van 1 mei 2000.

Met ingang van 1 januari 2000 wordt voorts de aanschaf van schonere - zogenoemde Euro 3 - vrachtwagens gestimuleerd door deze onder de VAMIL-regeling te brengen. Uitgangspunt daarbij is dat de stimulering van Euro 3 vrachtwagens doorloopt tot 1 oktober 2001. Het beroep op de VAMIL-middelen door de investeringen in schonere vrachtwagens zal gedurende de stimuleringsperiode
(1 januari 2000 tot 1 oktober 2001) worden gemonitoord.


6.2 Verlaging tarieven eurovignet
De tarieven voor het eurovignet worden gelijkgesteld aan de tarieven in euro.s die daarvoor in de Europese richtlijn voor zware vrachtwagens zijn opgenomen. Dit betekent dat de meeste tarieven omlaag gaan: zo gaat een jaarkaart voor zware vrachtwagens met ten minste 4 assen omlaag van
f 2.763 naar f 2.754,65 / . 1.250 en een jaarkaart voor zware vrachtwagens met ten hoogste 3 assen van f 1.658 naar f 1.652,80 / .
1.250. Voor de maand- en weekkaarten dalen de tarieven met 70 tot 5 cent. Alleen de weekkaart voor maximaal 3-assige vrachtwagens gaat 5 cent meer kosten dan nu en de administratiekosten gaan met 10 cent omhoog.

Ook de andere landen die deel uitmaken van de EMU en waar een eurovignet is voorgeschreven, België, de Bondsrepubliek Duitsland en Luxemburg, passen hun tarieven aan. Verder hebben Zweden en Denemarken aangekondigd dat zij, in verband met de voor hen geldende eurokoersen, een verlaging gaan doorvoeren in 2000: in Zweden gaan alle tarieven omlaag en in Denemarken het jaartarief voor zware vrachtwagens met ten hoogste 3 assen.


6.3 Invaliditeitsvrijstelling motorrijtuigenbelasting De invaliditeitsvrijstelling in de motorrijtuigenbelasting wordt verlengd. Toen de invaliditeitsvrijstelling in de motorrijtuigenbelasting in 1983 werd afgeschaft, is een overgangsregeling gemaakt waardoor invalide mensen die toen 65 jaar of ouder waren toch nog van de vrijstelling konden blijven profiteren. Deze overgangsregeling, die eigenlijk met ingang van 2000 zou eindigen, wordt verlengd voor onbepaalde tijd. Gebleken is dat er nog steeds een kleine groep invaliden is die de vrijstelling benut.


6.4 Accijnzen op autobrandstof
Door de wettelijke indexatie wordt met ingang van 1 januari 2000 de accijns van benzine en dieselolie aangepast. Voor ongelode benzine wordt de accijns per liter met 2,14 ct verhoogd; voor dieselolie bedraagt de verhoging 1,23 ct per liter.
Het teruggaafbedrag voor dieselolie die wordt gebruikt door zware vrachtauto.s wordt verhoogd van
5,11 ct tot 5,2 ct per liter.
7 Positieve prikkels
In het kader van de terugsluis van de REB naar gezinnen zijn bij de aankoop van milieuvriendelijke duurzame consumptiegoederen en/of voorzieningen de volgende premies ingevoerd per 1 januari 2000. Deze energiepremies (positieve prikkels) kunnen worden aangevraagd bij de Energiebedrijven.

Nummer Apparaat/Voorziening Eenheid Premiebedrag (in guldens per eenheid)
1001 Koelkast/vriezer stuk 100
1002 Vaatwasser stuk 100
1003 Wasmachine stuk 100
1004 Elektrische wasdroger stuk 350
1005 Gasverwarmde wasdroger stuk 350
1006 Wasdrogercombinatie stuk 450
1007 Gelijktijdige aanschaf1) aankoop 50

2001 Vloerisolatie m2 10
2002 Bodemisolatie m2 5
2003 Spouwmuurisolatie m2 10
2004 Gevelisolatie m2 20
2005 Dak-of vlieringisolatie m2 20
2006 Doe-het-zelf toepassing isolatie m2 5 2007 HR++glas (spouw .15 mm) m2 60
2008 HR++glas (spouw .9 .15 mm) m2 40 2009 Galerij- of balkonafdichting woning 200 2010 HR-(combi)ketel 107 (.35 kW) ketel 100 2011 HR-(combi)ketel 107 (>35 kW) kW 3 2012 Woningaanpassing warmtelevering woning 100 2013 Individuele warmtebemetering woning 150 2014 HR warmteterugwinning uit ruimteventilatielucht stuk 200 2015 Gelijkstroomventilator stuk 100
2016 HF-verlichting stuk 20
2017 Aanwezigheids- en/of daglichtsensoren sensor 30 2018 Laagtemperatuur CV woning 500
2019 Laagtemperatuur CV met vloer- of wandverwarming woning 500 2020 Laagtemperatuur luchtverwarming woning 500 2021 EPA t.b.v. één woning2) woning 350
2022 EPA t.b.v. blok 2 t/m 10 woningen2) woning 250; max 1000 per blok
2023 EPA t.b.v. blok > 10 woningen2) woning 100; max 3500 per blok

1) Bij de gelijktijdige aankoop van twee of meer apparaten, die behoren tot de nummers van 1001 t/m 1006 van deze Energiepremie-lijst bedraagt de premie het cumulatieve bedrag als vastgesteld op grond van de bovenstaande premiebedragen, eenmalig vermeerderd met f 50 voor de aangeschafte combinatie.
2) Wanneer op basis van een EPA (Energie Prestatie Advies) één of meerdere maatregelen worden getroffen die behoren tot de nummers 2001 t/m 2020, dan wordt de premie van die maatregel(en) vermeerderd met een bonus van 25%.

8 Versterking ondernemerschap
Ter versterking van het ondernemerschap zijn er een aantal herkenbare fiscale maatregelen getroffen. Deze maatregelen die samenhangen met het 'ondernemerspakket 21e eeuw' worden gekenmerkt door een zeker evenwicht tussen de maatregelen die vooral gunstig zijn voor het grootbedrijf, zoals de verlaging van de kapitaalsbelasting, en maatregelen die vooral gunstig zijn voor ondernemers van het midden- en kleinbedrijf. De knip in het Vpb-tarief komt vooral ten goede aan het midden- en kleinbedrijf, hetgeen binnen deze sector ruimte schept voor voortgaande werkgelegenheidsgroei en innovatie.

Veranderingen per 1 januari 2000 voor ondernemers die voortvloeien uit het Belastingplan 2000 zijn de volgende:
. verlaging Vpb-tarief van 35% naar per saldo 30% over de eerste f 50 000 van het totale belastbare winstbedrag; zie ook terugsluismaatregel bedrijven vergroening 2e tranche;
. verlaging tarief kapitaalsbelasting van 1% naar 0,9%; . afschaffing van de assurantiereserve eigen risico en de exportrisicoreserve;
. verhoging van de zelfstandigenaftrek met f 1.090; . verbreding Milieu Investeringsaftrek en de introductie van Duurzame Ondernemersaftrek.

9 0verigen


9.1 Afschaffing omroepbijdrage
Per 1 januari 2000 wordt de omroepbijdrage afgeschaft. Deze bijdrage werd geheven door de Dienst Omroep Bijdrage (DOB), onderdeel van het ministerie OCW. De heffing zal vanaf 1 januari verlopen via de Inkomstenbelasting. De in 1999 reeds vooruitbetaalde omroepbijdragen over het jaar 2000, worden in 2000 aan de huishoudens door de Belastingdienst gerestitueerd.


9.2 Verlaging landbouwforfait in de BTW De forfaitaire BTW-aftrek voor de afnemers van voor BTW vrijgestelde agrariërs wordt landbouwforfait genoemd. De hoogte van het landbouwforfait moet, op grond van Brusselse regels (de Zesde BTW-richtlijn) worden bepaald aan de hand van macro-economische gegevens betreffende uitsluitend de agrariërs die de landbouwregeling toepassen. In het kader van de Zesde BTW-richtlijn (een te hoog landbouwforfait is een vorm van staatssteun en wordt niet toegestaan) en om het karakter van de landbouwregeling te behouden, wordt voorgesteld het landbouwforfait met 0,8 percentpunt te verlagen van 5,6 naar 4,8 percent.


9.3 Verlaagd BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten Op initiatief van Nederland is in Europees verband afgesproken vanaf 1 januari 2000 een experiment te doen met verlaagde BTW-tarieven voor arbeidsintensieve diensten. In Nederland zijn dat de onderstaande sectoren:

- Reparatie van kleding, schoenen en fietsen,
- Kappersdiensten,

- Verbetering en renovatie van particulieren woningen.

Het experiment heeft een looptijd van 3 jaar. De effectiviteit, met name het werkgelegenheidseffect, van deze maatregel zal worden geëvalueerd. Het resultaat daarvan zal, zowel nationaal als in EU-verband bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of definitief kan worden besloten over het verlaagde BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten.


9.4 Jonggehandicaptenaftrek
Aan personen die een Wajonguitkering ontvangen zal een jonggehandicaptenaftrek worden verleend. Deze aftrek zal voor het jaar 2000 f 2.680 / . 1.216 bedragen en zal als verhoging van het belastingvrije bedrag worden toegekend. De jonggehandicaptenaftrek wordt gekoppeld aan de Wajonguitkering.


9.5 Maatregel tegen katvangers (motorrijtuigenbelasting) Door middel van het inschakelen van een zogenoemde .katvanger. ontlopen sommige autobezitters de motorrijtuigenbelasting en bijvoorbeeld ook de aansprakelijkheid voor verkeersboetes. Katvangers zijn vaak burgers zonder enig vermogen, die tegen beloning, het kenteken van de auto van anderen op zijn naam (de katvanger) laten stellen. De werkelijke eigenaar/houder van de auto is dan onbekend. Daarom komt er met ingang van het jaar 2000 een bijzonder verhaalsrecht, dat de belastingontvanger bevoegd maakt auto's waarvan het kenteken op naam staat van een katvanger, in beslag te nemen en te verkopen. De opbrengst mag gebruikt worden voor de voldoening van alle (naheffings)aanslagen motorrijtuigenbelasting die op naam van de katvanger staan.


9.6 Verruiming faciliteit voor bedrijfsopvolging

De kwijtscheldingsregeling voor het successie- en schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging in de Invorderingswet 1990 wordt op een tweetal punten verruimd:

- Om de druk van het successie- en schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging te verlagen wordt het successie- of schenkingsrecht dat kan worden toegerekend aan het verschil tussen de waarde van gronden, gewaardeerd tegen de waarde in duurzaam verpachte staat, en de feitelijk aan de heffing ten grondslag gelegde hogere waarde geheel kwijtgescholden.

- Indien een onderneming wordt overgedragen tegen een tegenprestatie wordt deze tegenprestatie voor het bepalen van de grondslag van de 25% kwijtschelding niet in mindering gebracht op het saldo van het verkregen ondernemingsvermogen.
De maatregelen werken terug tot 1 januari 1997.


9.7 Willekeurige afschrijving zwakke regio.s In 1996 is als experiment een regeling getroffen voor willekeurige afschrijving van nieuwe bedrijfsgebouwen in economisch zwakke regio.s. Onder voorwaarden kunnen ondernemers (BV of NV) hierdoor zelf de periode bepalen waarover zij de aanschaffings- of bouwkosten voor deze bedrijfsvestigingen willen afschrijven (ten laste brengen van de winst). De genoemde kosten moeten tenminste 5 miljoen gulden bedragen. De voorgenomen verlenging van de regeling voor 1999 is aangemeld bij de Europese Commissie doch nog niet goedgekeurd. Het kabinet wil deze regeling in 2000 continueren hetgeen opnieuw tot aanmelding bij de Europese Commissie noodzaakt. Dit zal pas mogelijk zijn indien de nieuwe regionale staatssteunkaart die betrekking heeft op de periode 2000 tot en met 2006 is vastgesteld.

Woordvoerders:

drs. P.A.W. Lamers
Tel.nr.: 070 - 342 8403

drs. G. van Weenum
Tel.nr.: 038 - 467 2563

22 dec 99 09:14

Deel: ' Wijzigingen belastingheffing met ingang van januari 2000 '




Lees ook