Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Wsw-statistiek
Jaarrapport 2001





Wsw-statistiek
Jaarrapport 2001

Een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Peter Plooij
Eva Mandos
Piet van Santen

Leiden, 26 juli 2002





Voorwoord

In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voert Research voor Be- leid de Wsw-statistiek uit bij gemeenten en WGR-verbanden. In deze statistiek worden elk half- jaar gegevens verzameld over alle personen die een beroep doen op de Wet sociale werkvoorziening. Het gaat hierbij zowel om mensen met een dienstbetrekking of een arbeids- overeenkomst begeleid werken als om mensen op de wachtlijst en alle genomen indicatiebeslui- ten in het betreffende halfjaar.

De benodigde gegevens voor de Wsw-statistiek worden halfjaarlijks aangeleverd door alle sw- bedrijven in Nederland namens de gemeenten. Na controle, eventueel noodzakelijke reparaties en statistische verwerking van de gegevensbestanden wordt een landelijke rapportage opgesteld die inzicht geeft in de omvang en kenmerken van de doelgroep en ontwikkelingen daarin.

Tot nu toe zijn vier metingen uitgevoerd, namelijk over het eerste en het tweede halfjaar van 2000 en over het eerste en tweede halfjaar van 2001. In deze rapportage wordt de situatie in heel 2001 beschreven. Van alle sw-bedrijven zijn gegevens ontvangen en gebruikt voor statistische analy- ses.

Het projectteam van Research voor Beleid dat de Wsw-statistiek uitvoert, heeft regelmatig over- leg met een begeleidingscommissie bestaande uit:
· Fred Straatjes, Fred Martinot, Arjen Verkaik, Servaas Toebosch van het ministerie van SZW; · Nicole van der Wekken (tijdelijk vervangen door Frank Kentin, later vervangen door Maarten van Berckel) van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG); · Henk Kronenberg van de Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening (NOSW). Daarnaast is regelmatig overleg geweest met de ingestelde landelijke werkgroep met vertegen- woordigers van sw-bedrijven.

Het Wsw-projectteam van Research voor Beleid bestaat uit Peter Plooij, Lydia van der Geest, Eva Mandos en Piet van Santen. Het projectteam is in haar activiteiten ondersteund door Muriëlle van Hilten en Debby Langeveld. Bijzondere vermelding verdienen Paul Vogels en Gerard Volker, zij bouwden en onderhouden ten behoeve van de Wsw-statistiek het geautomatiseerde beheers-, controle- en verwerkingssysteem.

Eva Mandos
Projectleider Sociale Zaken en Werkgelegenheid


---



4



Inhoudsopgave

Samenvatting 7


1 Inleiding 11
1.1 De Wet sociale werkvoorziening 11
1.2 Doel en opzet van de Wsw-statistiek 12
1.3 Inhoud en opzet van het rapport 13


2 Omvang van de wsw 15
2.1 Volumegegevens Wsw in 2001 15
2.2 Verdeling over provincies 16
2.3 Historische gegevens 17


3 Indicaties 21 3.1 Eerste indicaties 21 3.1.1 Profiel deelnemers met een eerste indicatiebesluit 23 3.1.2 Duur tot een eerste indicatie 24 3.1.3 Nadere gegevens doelgroep van de Wsw 25 3.2 Herindicatie periodiek 27 3.2.1 Herindicatie wachtlijst 27 3.2.2 Herindicatie werknemersbestand 2 jaar na plaatsing 29 3.3 Herindicatie op eigen verzoek en ontslagaanvraag 29


4 Wachtlijst 31 4.1 Profiel deelnemers op de wachtlijst 31 4.2 Uitstroom wachtlijst 34


5 Werknemersbestand 39 5.1 Kenmerken deelnemers met een dienstbetrekking 39 5.2 Kenmerken deelnemers begeleid werken 41 5.3 Kenmerken dienstbetrekkingen en begeleid werken plekken 43 5.4 Instroom en uitstroom werknemersbestand 45 5.4.1 Instroom in het werknemersbestand 46 5.4.2 Uitstroom uit het werknemersbestand 47 5.4.3 Terugkeergarantie 49


6 Vergelijking van groepen 51 6.1 Geslacht 51 6.2 Leeftijd 52 6.3 Type handicap 52 6.4 Arbeidshandicap 53

Bijlage 1 Uitvoering en responsverantwoording 4e meting 55 Bijlage 2 Volledigheid van de gegevens 4e meting 59 Bijlage 3 Kenmerken uitvoerende organisaties 61 Bijlage 4 Aanvullende tabellen 63 Bijlage 5 Verdeling over provincies 71 Bijlage 6 Te registreren kenmerken Wsw-statistiek 75


---



6



Samenvatting

De nieuwe Wet sociale werkvoorziening (nWsw), die per 1 januari 1998 in werking is getreden, vervangt de oude uit 1969 daterende Wet sociale werkvoorziening. Net als in de wet vóór 1 ja- nuari 1998 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het aanbieden van werk onder aangepaste om- standigheden aan de doelgroep van de Wsw. De Wsw-doelgroep bestaat uit personen die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder specifiek aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn. De arbeidsinpassing kan variëren van arbeid onder volledig aangepaste omstandigheden in een sw-bedrijf voor hen die daarop zijn aangewe- zen (dienstbetrekking) tot arbeid onder zo normaal mogelijke omstandigheden bij een reguliere werkgever voor hen die dat aankunnen en wensen (arbeidsovereenkomst begeleid werken).

De gegevensverzameling in het kader van de Wsw-statistiek bestaat uit een integrale gegevens- verzameling over alle personen in de Wsw. Gemeenten en WGR-verbanden dienen sinds 1 ja- nuari 2000 eenmaal per half jaar gegevens te leveren over alle personen die in het voorafgaande half jaar geï ndiceerd zijn, gedurende enige periode op de wachtlijst waren geplaatst en/of tot het werknemersbestand van de Wsw behoorden (dienstbetrekkingen en begeleid werken). In deze rapportage van de Wsw-statistiek gaat het om de omvang en kenmerken van de Wsw in 2001.

Aantal deelnemers aan de Wsw in 2001
In Nederland zijn er in 2001 ongeveer 11.900 indicatiebesluiten genomen. Het aantal herindicaties wordt geschat op ongeveer 4.790. De wachtlijst van de Wsw in Nederland is van ongeveer 6.410 personen eind 2000 gedaald naar ongeveer 5.400 personen eind 2001. Dat is een afname van 16%. Het werknemersbestand van de Wsw in Nederland is in de loop van 2001 toegenomen van ongeveer 91.780 naar 92.250 dienstbetrekkingen en van 600 naar 810 begeleid werkplekken. De groei van het aantal dienstbetrekkingen is minder dan 1%. De mogelijkheid van begeleid werken bestaat sinds 1 januari 1998 en de groei is dan ook fors hoger dan bij de dienstbetrekkingen (35%). Het aantal gerealiseerde begeleid werken plekken blijft wel achter bij de verwachtingen.

Over de deelnemers

Eerste indicatiebesluiten
Driekwart van degenen die in 2001 een eerste indicatie hebben gehad wordt toegelaten tot de sociale werkvoorziening (77%). Van degenen die niet toegelaten zijn, behoort 18% tot de boven- zijde (niet strikt aangewezen op arbeid onder aangepaste omstandigheden) en 5% tot de onder- zijde (doelgroep van zorgvoorzieningen).

Kenmerkend voor degenen die gedurende 2001 een eerste indicatie hebben gehad, is: · Bijna tweederde van degenen die geï ndiceerd zijn voor de Wsw is man (63%). Bij de onderzij- de is het aandeel mannen iets lager (61%) dan bij de doelgroep en de bovenzijde (beide 63%). · De gemiddelde leeftijd van degenen die tot de doelgroep en de onderzijde behoren (respec- tievelijk 35 jaar en 32 jaar) is lager dan degenen die tot de bovenzijde behoren (40 jaar). · Iets meer dan een derde van degenen die geï ndiceerd zijn is lichamelijk gehandicapt (36%), minder dan een kwart verstandelijk gehandicapt (24%) en meer dan een derde psychisch ge- handicapt (41%). Ruim driekwart van degenen die tot de bovenzijde behoren heeft een licha- melijke handicap (85%). Bij de doelgroep zijn het vooral degenen met een psychische


7



handicap die er ­ weliswaar in mindere mate ­ uitspringen (46%). Bij de onderzijde vormen de lichamelijk gehandicapten de grootste groep (47%). · De wachttijd van de datum aanvraag tot de datum indicatiebesluit is voor de onderzijde gemid- deld 2 weken langer (19 weken) dan voor de doelgroep en de bovenzijde (beide 17 weken).

Wachtlijst
De personen die eind 2001 wachten op plaatsing in het werknemersbestand staan inmiddels ge- middeld ruim 1,5 jaar op de wachtlijst, 31% van hen heeft een indicatie begeleid werken. Einde 2001 ziet de samenstelling van de groep personen op de wachtlijst er als volgt uit: · Er staan beduidend meer mannen (64%) op de wachtlijst dan vrouwen (37%). · Meer dan de helft is ouder dan 35 jaar (55%), de gemiddelde leeftijd is 36 jaar. · De grootste groep van de wachtenden heeft een psychische handicap (46%), gevolgd door de groep lichamelijk gehandicapten (33%) en de verstandelijk gehandicapten (22%). · Meer dan de helft van de personen op de wachtlijst is matig arbeidsgehandicapt (56%) en minder dan een derde is ernstig gehandicapt (31%). De licht arbeidsgehandicapten vormen de kleinste groep (13%).

Dienstbetrekkingen
Eind 2001 ziet de samenstelling van de groep personen met een dienstbetrekking er als volgt uit: · Ruim driekwart van de personen met een dienstbetrekking is man (76%). · Minder dan een kwart is jonger dan 35 jaar (22%). De gemiddelde leeftijd is dan ook hoog, namelijk 43 jaar.
· Minder dan de helft heeft een lichamelijke handicap (41%), een derde is verstandelijk gehan- dicapt (33%) en minder dan een vijfde heeft een psychische handicap (19%). 6 procent heeft een handicap in de categorie overig.
· Bijna alle personen met een dienstbetrekking aangegaan vóór 1 januari 1998 worden be- schouwd als matig arbeidsgehandicapt. Vanwege de grote omvang van deze groep is het aandeel matig arbeidsgehandicapten onder alle dienstbetrekkingen tezamen hoog (93%). De groepen licht en ernstig arbeidsgehandicapten zijn in omvang nog gering (respectievelijk 2% en 5%). Deze verhouding zal door de relatief lage instroom in dienstbetrekkingen slechts langzaam veranderen.

Begeleid werken
Eind 2001 ziet de samenstelling van de groep personen met een begeleid werkplek er als volgt uit: · Er zijn beduidend meer mannen (64%) dan vrouwen (36%) met een begeleid werkplek. · De personen die begeleid werken zijn relatief jong, 60% is jonger dan 35 jaar en de gemiddel- de leeftijd is 33 jaar.
· Iets minder dan een derde heeft een lichamelijke handicap (31%), ook iets minder dan een derde een verstandelijke handicap (33%) en meer dan een derde is psychisch gehandicapt (36%).
· Tweederde van de personen met een arbeidsovereenkomst begeleid werken is matig ar- beidsgehandicapt (68%). Iets minder dan een vijfde heeft een ernstige arbeidshandicap (18%). De personen met een lichte arbeidshandicap vormen de kleinste groep (14%).


8



Achtergrondkenmerken deelnemers

Geslacht
De Wsw bestaat vooral uit mannen. Met name bij de dienstbetrekkingen is dit evident (76%). Ge- zien de omvang van het aantal dienstbetrekkingen en het geringe verloop zal de verhouding tus- sen mannen en vrouwen slechts langzaam veranderen. Ook bij de begeleid werkers (64%) en dienstbetrekkingen gestart sinds 1 januari 1998 is het aandeel mannen (65%) iets groter dan het aandeel mannen op de wachtlijst (64%) en bij degenen die in 2001 tot de doelgroep van de Wsw zijn toegelaten (63%).

Leeftijd
Uiteraard is de gemiddelde leeftijd van de groep met een dienstbetrekking het hoogst (43 jaar). Dit onderdeel van de Wsw bestaat het langst en de uitstroom is relatief laag. Opvallend is dat be- geleid werkers gemiddeld 3 jaar jonger zijn (33 jaar) dan degenen die in dezelfde periode zijn ge- start in een dienstbetrekking (36 jaar) en dan degenen die op de wachtlijst staan (36 jaar). Het verschil tussen de begeleid werkers degenen die zijn toegelaten tot de doelgroep bedraagt 2 jaar (respectievelijk 33 en 35 jaar).

Type handicap
In de nieuwe aanwas voor de doelgroep van de Wsw is het aandeel lichamelijk gehandicapten aanzienlijk kleiner (28/) dan op de wachtlijst (33%) en in het werknemersbestand (DB: 41% en BW: 31%). Het aandeel psychisch gehandicapten onder degenen die in 2001 zijn toegelaten tot de doelgroep en onder degenen op de wachtlijst is hoog (46% en 42%) terwijl dit in het werkne- mersbestand laag is (DB totaal: 19%, DB vanaf 1998: 36% en BW: 36%). Het aandeel verstande- lijk gehandicapten is in het werknemersbestand daarentegen aanmerkelijk hoger (DB: 33% en BW: 33%) dan op de wachtlijst (22%). De gehandicapten in de categorie overig hebben alleen bij de dienstbetrekkingen een redelijk aandeel (6%). Bij zowel de nieuwe instroom, de personen op de wachtlijst alsmede de personen met een begeleid werken-plek is dit aandeel gelijk aan of lager dan 1%.

Arbeidshandicap
Personen met een dienstbetrekking vóór 1998 zijn allen, met uitzondering van visueel gehandi- capten met de arbeidshandicapcategorie `ernstig', beschouwd als `matig' arbeidsgehandicapt. Het aandeel `ernstig' arbeidsgehandicapten onder begeleid werkers is klein (18%) in vergelijking tot de `nieuwe' dienstbetrekkingen (27%), de wachtlijst (31%) en nieuw toegelatenen tot de Wsw (32%). Het is echter niet zo dat vooral `licht' arbeidsgehandicapten in het begeleid werk terecht komen (op wachtlijst 13%, bij `nieuwe' dienstbetrekkingen 13% en in begeleid werk 14%).

Profiel van dienstbetrekkingen en begeleid werken
Van de dienstbetrekkingen en begeleid werkplekken in de Wsw-statistiek is bekeken wat de duur en de omvang is eind 2001. Vanwege de vergelijkbaarheid met begeleid werkplekken is bij de dienstbetrekkingen onderscheid gemaakt tussen dienstbetrekkingen aangegaan vóór 1 januari 1998 (86%) en dienstbetrekkingen vanaf 1 januari 1998 (14%). In totaal bestaat het werknemers- bestand voor 82% uit dienstbetrekkingen van voor 1998 (n=75650), voor bijna 18% uit dienstbe- trekking van na 1998 (n=16600) en voor bijna 1% uit begeleid werken plekken (n=810).


9



Een dienstbetrekking blijkt veelal een baan voor langere tijd, de gemiddelde duur is 13 jaar. Bijna de helft van de begeleid werken plekken is niet meer dan 1 jaar oud (44%), bij de dienstbetrek- kingen is dat een derde van de instroom vanaf 1998 (32%). Dienstbetrekkingen vanaf 1998 kennen gemiddeld net zoveel uren (31 uur) per week als de bege- leid werken plekken. Dit ondanks het feit dat begeleid werken plekken meer uren kunnen bevat- ten dan het maximum van 36 uur per week bij de sociale werkvoorziening. In meer dan driekwart van de dienstbetrekkingen van vóór 1998 werkt men voltijd (80%). In dienstbetrekkingen vanaf 1998 werkt men in minder dan de helft van de gevallen voltijd (48%). In de begeleid werken plekken werkt de helft voltijd (49%). Onder voltijd werk wordt hier verstaan 36 uur per week of meer.

Uitstroom wachtlijst
Niet alle personen die uitstromen uit de wachtlijst komen terecht in het werknemersbestand van de Wsw. De grootste groep stroomt vanaf de wachtlijst in een dienstbetrekking (72%) en een klein aantal begint in een arbeidsovereenkomst begeleid werken (4%) bij dezelfde gemeente of WGR-verband. Van de overige 24% is de uitstroombestemming vanuit de wachtlijst niet bekend. Instroom werknemersbestand
De (inkomens)situatie voorafgaand aan plaatsing in het werknemersbestand in 2001 komt bij dienstbetrekkingen en begeleid werken in grote lijnen overeen. De grootste groep, ongeveer een derde, heeft voorafgaand aan plaatsing een uitkering voor ziekte of arbeidsongeschiktheid gehad (beide 38%).

De begeleid werkers en personen met een `nieuwe' dienstbetrekking die in 2001 uitstromen heb- ben gemiddeld zeer kort in de Wsw als zodanig gewerkt (beide 1 jaar). Degenen die al wat langer werkzaam waren in een dienstbetrekking (gestart vóór 1 januari 1998) hebben bij uitstroom ge- middeld 16 jaar in de sociale werkvoorziening doorgebracht.

Uitstroom werknemersbestand

Reden uitstroom
De helft van de personen die uitstromen uit het werknemersbestand hebben een reden in de ca- tegorie overig (ondermeer dringende redenen, 2 jaar ziek, 65 jaar en in deze categorie is ook overlijden een oorzaak voor uitstroom). Meer dan een derde (37%) stroomt uit vanwege een ont- slag op eigen verzoek.

Bestemming uitstroom
Van de uitstromers gaat de grootste groep met tijdelijk ouderdoms pensioen (TOP) of met ouder- doms pensioen (28%). 22% bevind zich in de categorie overige bestemmingen. Iets minder dan een vijfde krijgt een uitkering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid (19%) en 13% gaat naar reguliere arbeid buiten de Wsw. 8% van de uitstromers keert weer terug naar de wachtlijst van de Wsw.

De uitwisseling tussen Wsw en Wiw lijkt eenzijdig, er is wel een stroom vanuit de Wiw naar de Wsw (11% van de instroom in het werknemersbestand van de Wsw is afkomstig uit de Wiw) maar andersom is deze stroom beperkt (<1%).


10




1 Inleiding



1.1 De Wet sociale werkvoorziening
De nieuwe Wet sociale werkvoorziening (nWsw), die per 1 januari 1998 in werking is getreden, vervangt de oude uit 1969 daterende Wet sociale werkvoorziening. Net als in de wet vóór 1 ja- nuari 1998 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het aanbieden van werk onder aangepaste om- standigheden aan gehandicapten. Ten opzichte van de oude wet zijn onder meer de volgende veranderingen opgetreden:
· De doelgroep is nauwkeuriger afgebakend;
· Er is een nieuwe procedure voor het indiceren van kandidaat werknemers; · Er zijn meer mogelijkheden om bij een reguliere werkgever te werken via `begeleid werken'; · De arbeidsverhouding is verder genormaliseerd;
· Er is een andere wijze van bekostiging (naar arbeidshandicapcategorie). · Herschikking van de bestuurlijke verantwoordelijkheden tussen rijksoverheid en gemeenten.

Ook is de nieuwe wet afgestemd op andere regelingen op het terrein van gesubsidieerde arbeid, zoals de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw). De doelgroepen van de Wiw en de Wsw heb- ben beide te maken met hindernissen die de toegang tot de reguliere arbeidsmarkt bemoeilijken dan wel onmogelijk maken. In de nieuwe Wsw is met name aandacht geschonken aan een scherpere scheiding tussen de doelgroepen van beide wetten.

Uitvoering van de nWsw
Gemeenten zijn bestuurlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wsw. Zij kunnen die ver- antwoordelijkheid overdragen aan een samenwerkingsverband van gemeenten conform de Wet Gemeenschappelijke Regelingen (WGR). In totaal geven 116 bestuurlijke eenheden uitvoering aan de Wsw1. In de meeste bestuurlijke eenheden werken meerdere gemeenten samen in WGR- verbanden, de zogenoemde `schappen'. Daarnaast voeren een aantal gemeenten de Wsw `zelf- standig' uit.
De feitelijke uitvoering van de Wsw wordt vrijwel geheel verricht door sw-bedrijven, die weer be- staan uit werkverbanden op bijvoorbeeld industrieel, administratief of cultuur-civieltechnisch ge- bied. De gemeente/WGR-verband kan het eigen sw-bedrijf of een reguliere werkgever (`aangewezen werkgever') aanwijzen voor het (deels) uitvoeren van de Wsw. De administratie en het werven en inrichten van begeleid werkplekken wordt door de gemeente/WGR-verband uitbe- steed aan een aparte begeleidingsorganisatie. Het beheer van de wachtlijsten berust bij de ge- meenten en WGR-verbanden.

Doelgroep van de nWsw
Na een verzoek om toegelaten te worden tot de Wsw dient een persoon geï ndiceerd te worden door een onafhankelijke indicatiecommissie. Deze commissie onderzoekt of de persoon tot de doelgroep van de Wsw behoort. De Wsw-doelgroep bestaat uit personen die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder specifiek aangepaste omstandigheden


---

1 Het (totaal) aantal bestuurlijke eenheden is steeds in beweging in verband met gemeentelijke herindelingen, wijzi- gingen in afgrenzingen bestuurlijke eenheden en wijzigingen in vormgeving van uitvoering van de Wsw door ge- meenten. Eind 2001 betrof het 114 bestuurlijke eenheden.


11



tot regelmatige arbeid in staat zijn. Personen moeten gelijktijdig voldoen aan de drie genoemde aspecten: specifieke beperkingen, aangepaste omstandigheden en regelmatige arbeid. De indi- catiecommissie onderzoekt enerzijds of er een noodzaak bestaat voor het werken onder aange- paste omstandigheden (afgrenzing met de reguliere arbeidsmarkt) en anderzijds of de persoon voldoende geschikt is productieve arbeid te verrichten (afgrenzing met de zorgsector). Indien de gemeente het advies van de indicatiecommissie overneemt komt de persoon in kwestie op een wachtlijst, in afwachting van plaatsing in het werknemersbestand. De gemeente kan de arbeids- inpassing voor personen met een Wsw-indicatie zoveel mogelijk toesnijden op individuele wen- sen en mogelijkheden van de betrokken werknemer. De arbeidsinpassing kan variëren van arbeid onder volledig aangepaste omstandigheden in een sw-bedrijf voor hen die daarop zijn aangewe- zen (dienstbetrekking) tot arbeid bij een reguliere werkgever voor hen die dat aankunnen en wen- sen (detacheringen en begeleid werken).


1.2 Doel en opzet van de Wsw-statistiek


Via de jaarlijkse volume en financiële opgaven wordt het ministerie van Sociale Zaken en Werk- gelegenheid op de hoogte gehouden van de omvang van de Wsw-populatie en de realisatiecij- fers. Deze gegevens worden onder meer gebruikt om de begroting en jaarlijkse subsidies vast te stellen. Daarnaast biedt de zogenoemde jaarstatistiek inzicht in bepaalde kenmerken van de Wsw-populatie.

Het ministerie van SZW heeft echter behoefte aan meer uitgebreide beleidsinformatie en heeft daarom besloten de jaarstatistiek per 2001 te vervangen door een halfjaarlijkse statistiek op per- soonsniveau. Het voordeel van een persoonsstatistiek is onder meer dat er meer informatie be- schikbaar komt, en bij gewijzigde beleidsvragen de statistiek niet hoeft te worden aangepast. Voor de betrokken uitvoerders van de Wsw betekent een statistiek op persoonsniveau dat men zelf de gegevens niet meer hoeft te aggregeren en de informatievoorziening daarmee nauwer zou moeten aansluiten op de bestaande persoonsadministratie. Bovendien sluit de Wsw- persoonsstatistiek aan op methoden van gegevensverzameling over andere uitkerings- en ar- beidsmarktregelingen die gemeenten uitvoeren (Wiw, Rea, Abw).

De gegevensverzameling in het kader van de Wet sociale werkvoorziening omvat statistische in- formatievoorziening en periodieke rapportages over de uitvoering van de Wet sociale werkvoor- ziening. Het gaat daarbij om beleidsinformatie over indicatiebesluiten, wachtlijst, dienstbetrekkingen en begeleid werken.
Uitvoering van de Wsw-statistiek
De gegevensverzameling in het kader van de Wsw-statistiek bestaat uit een integrale gegevens- verzameling over alle personen in de Wsw. Gemeenten en WGR-verbanden dienen eenmaal per half jaar gegevens te leveren over alle personen die in het voorgaande half jaar geï ndiceerd zijn, gedurende enige periode op de wachtlijst waren geplaatst en/of tot het werknemersbestand van de Wsw behoorden (een dienstbetrekking met de gemeente of een arbeidsovereenkomst met een werkgever).


12



Bij de gevraagde gegevens gaat het om:
· persoonsgegevens
· gegevens over het indicatie-advies
· gegevens over het indicatiebesluit
· wachtlijstgegevens
· gegevens over de dienstbetrekking
· gegevens over de arbeidsovereenkomst begeleid werken · gegevens over de uitstroom uit het werknemersbestand. In bijlage 6 is een overzicht opgenomen van de kenmerken die deel uitmaken van de Wsw- statistiek.
Tot nu toe zijn vier metingen uitgevoerd. De eerste meting had betrekking op het eerste halfjaar van 20001, de tweede meting omvat het tweede halfjaar van 2000, de derde meting omvat het eerste halfjaar van 2001 en de vierde meting omvat het tweede halfjaar van 2001. Volledigheid van de gegevens
In 2001 zijn alle organisaties, in zowel het eerste als het tweede halfjaar, in staat gebleken om circa 6 weken na afloop van de meetperiode een bestand aan te leveren. Van alle organisaties zijn de gegevens van voldoende kwaliteit bevonden voor verdere analyse. Ondanks een verbetering in de kwaliteit en de volledigheid van de aangeleverde gegevens is er ook bij de derde meting op onderdelen nog steeds sprake van een hoge item-nonrespons. Dit be- treft met name historische gegevens. Ook een correcte combinatie van verschillende kenmerken levert nog problemen op.
Een uitgebreider beschrijving van de uitvoering van de statistiek door Research voor Beleid en de gerealiseerde respons is opgenomen in bijlage 12 van dit rapport. In bijlage 2 wordt een overzicht van de volledigheid van gegevens per kenmerk gegeven.


1.3 Inhoud en opzet van het rapport


In deze rapportage van de Wsw-statistiek wordt een beeld gegeven van de omvang en kenmer- ken van de Wsw in 2001.
Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van het aantal personen dat in 2001 geï ndiceerd is, op de wacht- lijst staat, een dienstbetrekking of begeleid werkplek heeft. Op basis van de aangeleverde gegevens ten behoeve van de Wsw-persoonsstatistiek van alle 95 sw-bedrijven (tezamen 116 zelfstandige gemeenten en WGR-verbanden) zijn in de hoofdstukken
3 tot en met 6 kenmerken van de Wsw geschetst. In hoofdstuk 3 worden resultaten gepresen- teerd over de indicaties en herindicaties in 2001, hoofdstuk 4 bevat informatie over de ontwikke- ling van de wachtlijst en hoofdstuk 5 handelt over de ontwikkelingen van het werknemersbestand (dienstbetrekkingen en begeleid werken). In hoofdstuk 6 tenslotte worden de verschillende groe- pen uit de voorgaande hoofdstukken naast elkaar gelegd. In meerdere tabellen in het rapport wordt een gemiddelde leeftijd gegeven. De peildatum waarop deze leeftijd is berekend kan per tabel verschillen. Daar waar het de gemiddelde leeftijd aan het begin of het eind van de meetperiode betreft is de peildatum het begin dan wel het einde van de meetperiode. De peildatum voor het berekenen van de gemiddelde leeftijd bij instroom en uit- stroom is de datum waarop een persoon in- dan wel uitgestroomd is.


---

1 De eerste meting heeft, gezien de kwaliteit van de gegevens, niet geleid tot een volledige rapportage.
2 Bijlage 1 en 2 ontbreken aan deze versie van het rapport. In een volgende versie zijn deze wel aanwezig.








13




14




2 Omvang van de wsw


2.1 Volumegegevens Wsw in 2001
Op basis van de verzamelde gegevens van de Wsw-statistiek in 2001 is een overzicht gemaakt van de volumeontwikkeling in de Wsw. De schattingen van de volumegegevens betreffen het aantal indicatiebesluiten (eerste indicaties en herindicaties tezamen) in 2001, de ontwikkeling van het aantal personen op de wachtlijst, in dienstbetrekkingen en met begeleid werken plekken in 2001. Deze laatste twee onderdelen tezamen vormen het werknemersbestand van de Wsw.

Tabel 2.1 Volumeontwikkeling Wsw in 2001, in aantal personen

Beginstand Instroom Uitstroom Eindstand In%* Uit%** Toename/ 2001 2001 2001 2001 afname% Indicaties 11900 Wachtlijst 6410 5970 6990 5400 93% 109% -16% Dienstbetrekkingen 91780 5520 5060 92250 6,0% 5,5% 0,5% Begeleid werkers 600 410 200 810 68% 33% 35% Werknemersbestand 92380 5930 5260 93060 6,4% 5,7% 0,8%
* Instroompercentage = instroom / beginstand 2001
** Uitstroompercentage = uitstroom / beginstand 2001
In vergelijking met de beginstand van 2001 is de wachtlijst op 31 december 2001 met 16 procent afgenomen en bevat circa 5400 personen. Het werknemersbestand (dienstbetrekkingen en bege- leid werkers) is met 0,8% toegenomen, waarvan 0,2% afkomstig is van de begeleid werkers. Het aantal begeleid werkers is in 2001 met 35% toegenomen van circa 600 tot circa 810 personen. Het aantal dienstbetrekkingen is slechts licht gegroeid in 2001. Een toename van 0,5% van 91780 tot circa 92250 personen.

Een maat voor de omvang van het aantal indicatiebesluiten (zowel 1e indicaties als herindicaties) is het aantal besluiten in 2001 als percentage van het werknemersbestand. Dit is iets minder dan 13%. Het aantal personen op de wachtlijst op 31 december 2001 komt, als percentage van het werknemersbestand, uit op een kleine 6%. Het aantal begeleid werkplekken op 31 december 2001 vormt iets minder dan 1% van het werknemersbestand.

Vergelijking Persoonsstatistiek en Voorlopige Volume Opgave Voorheen werd er een controle op de persoonstatistiek uitgevoerd aan de hand van de Jaarstatis- tiek. Door de vergelijking van de Jaarstatistiek met de persoonsstatistiek kon helderheid worden verschaft of de persoonsstatistiek (en de Jaarstatistiek) wel volledig waren. Vanaf dit jaar wordt de Jaarstatistiek echter niet meer uitgevoerd en is alleen de Voorlopige Volume Opgave nog be- schikbaar. Uit de vergelijking van de Persoonsstatistiek met de VVO is gebleken dat er op een tweetal kenmerken of te weinig gegevens in de persoonsstatistiek zitten of teveel gegevens in de VVO. Zo is er een verschil in aantal personen op de wachtlijst ultimo vierde kwartaal van 150 personen en een verschil van 250 personen in uitstroom uit het werknemersbestand. Voor deze


15



verschillen hebben wij echter niet gecorrigeerd. De redenen daarvoor zijn de volgende: Het is las- tig de persoonsstatistiek voor bijvoorbeeld het verschil in personen op de wachtlijst ultimo vierde kwartaal te corrigeren omdat niet bekend is of dit verschil wordt veroorzaakt doordat er te weinig instromers in de statistiek zitten, te veel uitstromers of juist een combinatie van deze twee. Een tweede reden is dat de VVO, zoals de naam al zegt, voorlopige opgaven zijn en deze nog kunnen afwijken van de definitieve opgaven.

2.2 Verdeling over provincies

Per provincie is een berekening gemaakt van aantallen indicaties, wachtlijst, begeleid werkers als percentage van het werknemersbestand (begeleid werkers + dienstbetrekkingen) en wachtlijst van een provincie. Eventuele verschillen tussen provincies worden daarmee beter zichtbaar. Bij de berekeningen, die in navolgende tabel zijn opgenomen, is gebruik gemaakt van waarge- nomen1 aantallen per provincie. De waargenomen aantallen indicatiebesluiten, personen op de wachtlijst, personen met een dienstbetrekking en personen met een begeleid werkplek per pro- vincie staan in bijlage 5 vermeld.

Tabel 2.2 Standcijfers per eind 2001 per provincie als percentage van het werknemersbestand en wachtlijst van die provincie


1e indicaties / wn- Alle indicaties / wn- Wachtlijst / wn- Begeleid werken / wn- bestand + wachtlijst bestand + wachtlijst bestand + wachtlijst bestand + wachtlijst Groningen 7,6% 12,6% 5,9% 0,3% Friesland 8,1% 12,6% 5,8% 2,5% Drenthe 7,1% 11,3% 6,3% 0,4% Overijssel 6,0% 11,2% 3,8% 1,1% Flevoland 7,5% 15,9% 8,1% 2,0% Gelderland 6,5% 12,4% 4,5% 0,9% Utrecht 6,6% 9,6% 6,0% 0,6% Noord-Holland 7,2% 12,0% 5,4% 0,8% Zuid-Holland 6,0% 10,6% 5,1% 0,8% Zeeland 9,7% 12,4% 7,4% 0,5% Noord-Brabant 8,2% 13,2% 5,6% 0,8% Limburg 7,9% 12,6% 6,4% 0,6% Totaal 7,2% 12,1% 5,4% 0,8%

Indicatiebesluiten
Voor heel Nederland komt het aantal eerste indicatiebesluiten in 2001 uit op 7,2% van de omvang van het werknemersbestand plus de wachtlijst. In Zeeland is het aanbod aan potentiële kandida- ten voor de Wsw in 2001 ten opzichte van het werknemersbestand plus de wachtlijst het grootst geweest (9,7%). In Overijssel en Zuid-Holland is het nieuwe aanbod in verhouding tot het aanwe- zige werknemersbestand plus de wachtlijst relatief laag (beide 6,0%).


---

1 De provincies zijn afgeleid van de CBS-codes van de woongemeenten van deelnemers aan de Wsw-statistiek (kenmerk 10 gemeente). In het bestand ontbreekt bij 0,8% een CBS-code.


16



Het totaal aantal indicatiebesluiten, dus eerste indicaties en herindicaties tezamen, omvat 12,1% van het de omvang van het werknemersbestand plus de wachtlijst. Met name in Flevoland zijn relatief veel indicatiebesluiten genomen (15,9%), en in Utrecht relatief weinig (9,6%).

Wachtlijst
Er zijn verschillen aanwezig tussen provincies wat betreft het aandeel van de wachtlijst in ver- houding tot het werknemersbestand plus de wachtlijst. De provincie Flevoland springt er uit (8,1%), deze heeft een relatief omvangrijke wachtlijst in verhouding tot het werknemersbestand plus de wachtlijst. Daarna volgt Zeeland met 7,4%. Hiervoor zijn twee mogelijke verklaringen: het aanwezige werknemersbestand plus de wachtlijst is relatief gering of de wachtlijst is relatief groot. De provincies Overijssel (3,8%) en Gelderland (4,5%) hebben naar verhouding een kleine wacht- lijst ten opzichte van het werknemersbestand plus de wachtlijst. De omvang van de wachtlijst over alle provincies tezamen komt uit op 5,4% van het werknemersbestand. Begeleid werkers
Bijna 1% van het totale werknemersbestand plus de wachtlijst van de Wsw bestaat uit begeleid werkers (gemiddeld 0,8%). Tussen provincies bestaan op dit punt verschillen. De provincie Fries- land is relatief gezien koploper met 2,5% begeleid werkers. Daarna volgt Flevoland met 2,0% be- geleid werkers. In absolute aantallen is Noord-Brabant de koploper (130 personen). Daarentegen blijven de provincies Groningen en Drenthe fors achter. Minder dan 0,5% (respectievelijk 0,3 en 0,4%) van het werknemersbestand plus de wachtlijst is in deze provincies werkzaam op een be- geleid werkplek.


2.3 Historische gegevens


Voor een overzicht van de ontwikkeling van de Wsw over meerdere jaren kan gebruik worden gemaakt van meerdere bronnen, zoals de Wsw-statistiek, de Jaarstatistiek, de Jaaropgaven, e.d. Per tabel of grafiek is aangegeven van welke bronnen gebruik gemaakt is.

De ontwikkeling van het werknemersbestand van de Wsw is in onderstaande tabel weergegeven. De ontwikkeling in 2001 is hieraan toegevoegd.

Tabel 2.3 Ontwikkeling omvang werknemersbestand (dienstbetrekkingen en begeleid werken) door de jaren heen

In Uit Eindstand In% Uit% Toename/ afname% Eindstand 1996 87224 1997 8253 4465 91021 9,1% 4,9% + 4,2% 1998 2010 3140 90167 2,2% 3,5% - 1,3% 1999 5178 4264 91473 5,7% 4,7% + 1,0% 2000 6765 5858 92380 7,3% 6,3% + 1,0% 2001 5930 5260 93060 6,4% 5,7% +0,8% Bron: kwartaalrapportage SZW (1996, 1997); Jaarstatistiek (1998, 1999, 2000); Wsw-statistiek (2001).


17



De omvang van het werknemersbestand is in de loop der jaren toegenomen en omvat eind 2001 ruim 93.000 personen. In het jaar 1997, vlak voor de invoering van de nieuwe Wet sociale werk- voorziening, was sprake van de grootste toename tot nu toe die terstond gedeeltelijk werd ge- compenseerd door een afname in het jaar 1998.
Grafiek 2.1 Ontwikkeling omvang werknemersbestand (dienstbetrekkingen en begeleid werken) door de jaren heen

100000
90000
80000
70000
60000 instroom 50000 uitstroom 40000 eindstand 30000
20000
10000
0
eindstand 1997 1998 1999 2000 2001 1996

Bron: kwartaalrapportage SZW (1996, 1997); Jaarstatistiek (1998, 1999, 2000); Wsw-statistiek (2001). In grafiek 2.1 zien we dat het werknemersbestand licht gegroeid is door de jaren heen, met een kleine terugval in 1998. In grafiek 2.2 is de instroom en uitstroom nader bekeken.

Grafiek 2.2 Ontwikkeling in- en uitstroom werknemersbestand (dienstbetrekkingen en begeleid werken) door de jaren heen

9000
8000
7000
6000
5000 instroom 4000 uitstroom 3000
2000
1000
0
1997 1998 1999 2000 2001

Bron: kwartaalrapportage SZW (1996, 1997); Jaarstatistiek (1998, 1999, 2000); Wsw-statistiek (2001).


18



In grafiek 2.2 zien we dat in de laatste 3 jaar het verschil tussen de instroom en uitstroom redelijk stabiel is gebleven. Ook hier zien we weer dat 1998 qua beeld afwijkt van de overige jaren. Het is het enige jaar waarbij er meer uitstroom dan instroom in het werknemersbestand plaatsvond.

Voorafgaand aan instroom in het werknemersbestand worden personen die in aanmerking komen voor plaatsing op een wachtlijst gezet. De wachtlijst van de Wsw is in de afgelopen jaren sterk afgenomen, van ruim 23.000 personen in 1996 tot circa 5.400 personen eind 2001. Grafiek 2.3 Ontwikkeling omvang wachtlijst door de jaren heen

25000

20000

15000 instroom uitstroom 10000 eindstand

5000

0
1996 1997 1998 1999 2000 2001

Bron: kwartaalrapportage SZW (1996, 1997); Jaarstatistiek (1998, 1999, 2000); Wsw-statistiek (2001).


19




20




3 Indicaties


Via indicaties en herindicaties wordt bepaald of personen (nog) tot de doelgroep van de Wet soci- ale werkvoorziening behoren. In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens eerste indicaties, perio- dieke herindicaties (van wachtlijst en werknemersbestand) en indicaties voor enkele specifieke doeleinden (eigen verzoek, ontslagaanvraag) besproken.

3.1 Eerste indicaties

Vanaf 1 januari 1998 dient eenieder die toegelaten wil worden tot de Wet sociale werkvoorziening door een daartoe samengestelde indicatiecommissie geï ndiceerd te worden1. Deze commissie2 brengt advies uit aan het bestuur van het WGR-verband of de zelfstandige gemeente over de aangemelde persoon. Het uit te brengen advies bevat antwoord op de volgende vragen:
1. Behoort de persoon tot de doelgroep van de Wsw en zo ja;
2. In welke arbeidshandicapcategorie kan de persoon worden ingedeeld;
3. Wordt de persoon in staat geacht tot begeleid werk in een arbeidssituatie buiten een sw- bedrijf, en;

4. Is de persoon in staat deel te nemen aan een scholingstraject (waarbij deze scholing niet noodzakelijk hoeft te zijn voor het vinden van passend werk). Het gemeentebestuur kan vervolgens het advies van de indicatiecommissie overnemen, (op on- derdelen) gemotiveerd afwijzen of om nader onderzoek vragen. Wel of niet doelgroep van de Wsw
Om te bepalen of een persoon tot de doelgroep van de Wsw behoort worden door de indicatie- commissie een aantal vragen behandeld. In het kort:
1. Heeft de persoon beperkingen van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard?
2. Is de persoon vanwege deze beperkingen aangewezen op werken onder aangepaste om- standigheden?

3. Is de persoon met deze beperkingen en onder aangepaste omstandigheden in staat om re- gelmatig te werken?

Wanneer een persoon is aangewezen op werken onder aangepaste omstandigheden betekent dat bij toelating tot de Wsw dat deze omstandigheden in een reguliere arbeidsomgeving niet gereali- seerd kunnen worden, maar in de sociale werkvoorziening wel. Eventueel noodzakelijke voorzie- ningen en/of maatregelen kunnen liggen op het gebied van: technische aanpassingen in werkplek en werkomgeving, organisatorische aanpassingen (bijvoorbeeld taakdeling), speciale werkbegelei- ding in aard en/of omvang, aanpassing van werktijd en/of aanpassing van werktempo. Indien even- tueel noodzakelijke aanpassingen met behulp van andere arbeidsmarktinstrumenten wel in een arbeidsomgeving buiten het sw-bedrijf gerealiseerd kunnen worden dan behoort de persoon tot de `bovenzijde' (afgrenzing met de reguliere arbeidsmarkt), en dus niet tot de doelgroep.


---

1 De `oude' wachtlijst, dat zijn degenen die op 31 december 1997 op de wachtlijst stonden, dienden in 1998 of 1999 eveneens geïndiceerd te worden volgens de nieuwe Wet sociale werkvoorziening.
2 Een indicatiecommissie bestaat minimaal uit een arbeidskundige, een arbeidsmarktdeskundige, een arts en een psycholoog. Ten behoeve advisering over ontslagaanvragen dient tevens een jurist toegevoegd te zijn. Personen in dienst van de gemeente of van het sw-bedrijf mogen geen deel uitmaken van de commissie van hun gemeente.


21



Vraag 3 betreft de minimumeisen voor toelating tot de Wsw. Hierbij geldt gelijktijdig: meer dan één functie kunnen vervullen met een maximaal benodigde inwerktijd van 10 weken per functie, maxi- maal een tiende van de werktijd nodig voor persoonlijke begeleiding, minimaal een uur per dag- deel aaneengesloten kunnen werken, minimale prestatie van 10% van een normale arbeidsprestatie. Personen die niet kunnen voldoen aan deze minimumeisen worden tot de `on- derzijde' gerekend (afgrenzing met de zorgsector), en behoren dus niet tot de doelgroep.

Eerste indicatiebesluiten
Van de personen die een eerste indicatiebesluit hebben ontvangen in 2001 is ruim driekwart toe- gelaten tot de sociale werkvoorziening (77%). Degenen die niet toegelaten zijn, behoren vooral tot de bovenzijde (18%). Deze personen zijn volgens de Wsw niet strikt aangewezen op arbeid onder aangepaste omstandigheden. De overige 5% behoort tot de onderzijde en wordt geacht tot de doelgroep van zorgvoorzieningen te behoren (zie tabel 3.1). Tabel 3.1 Eerste indicatiebesluiten in 2001, naar doelgroepbesluit 2001 Behoort tot doelgroep 77% Geen doelgroep: onderzijde 5% Geen doelgroep: bovenzijde 18% Totaal 100% (n=7100)

In onderstaande tabel is per categorie van diverse persoonskenmerken aangegeven welk deel van de eerste indicatiebesluiten tot de doelgroep, onderzijde en bovenzijde behoort.

Tabel 3.2 Eerste indicatiebesluiten in 2001, persoonskenmerken naar doelgroepbesluit

Doelgroep Onderzijde Bovenzijde Totaal Geslacht
Man 77% 5% 18% 100% (N=4450) Vrouw 77% 5% 18% 100% (N=2650) Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 85% 9% 6% 100% (N=1610) 23-24 jaar 85% 5% 10% 100% (N=280) 25-34 jaar 79% 4% 16% 100% (N=1360) 35-44 jaar 74% 4% 22% 100% (N=1890) 45-54 jaar 71% 4% 26% 100% (N=1670) 55 jaar en ouder 67% 3% 30% 100% (N=290) Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 65% 5% 30% 100% (N=2560)
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 96% 2% 2% 100% (N=1380) 2b = Matig verstandelijk gehandicapt 86% 13% 1% 100% (N=250)
3 = Psychisch gehandicapt 84% 7% 10% 100% (N=30)
3a = Matig psychisch gehandicapt 94% 2% 5% 100% (N=2140) 3b = Ernstig psychisch gehandicapt 96% 4% 1% 100% (N=680)
4 = Overig 87% 6% 6% 100% (N=60) Totaal 77% 5% 18% 100% (N= 7100)


22



Mannen en vrouwen worden naar verhouding ongeveer even vaak tot de doelgroep van de Wsw toegelaten (beide 77%) . Het percentage dat toegelaten wordt tot de Wsw neemt af met leeftijd. Van de 35 jaar en ouderen behoort een belangrijk deel tot de bovenzijde (22%, 26% en 30%).

Met name de aangemelde personen met een matige of ernstige psychische handicap en licht ver- standelijk gehandicapten worden toegelaten (94% of meer van deze categorieën). Personen die als matig verstandelijk gehandicapt beoordeeld zijn behoren, meer dan de andere categorieën, tot de onderzijde (13%). Van de aanmeldingen met lichamelijke handicap(s) blijkt daarentegen bijna een derde tot de bovenzijde te behoren (30%).

3.1.1 Profiel deelnemers met een eerste indicatiebesluit

Van degenen die tot de doelgroep, onderzijde of bovenzijde behoren en van alle eerste indicaties in 2001 tezamen zijn tevens profielen opgesteld1. In onderstaande (en alle navolgende) tabellen tellen kolommen per kenmerk op tot 100%. Per kenmerk kan de verdeling over de drie categorie- en vergeleken worden2.

Tabel 3.3 Eerste indicatiebesluiten in 2001, doelgroepbesluit naar persoonskenmerken

Doelgroep Onderzijde Bovenzijde Totaal Geslacht
Man 63% 61% 63% 63% Vrouw 37% 39% 37% 37% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 25% 38% 8% 23%
23-24 jaar 4% 4% 2% 4% 25-34 jaar 20% 17% 17% 19% 35-44 jaar 26% 22% 33% 27% 45-54 jaar 22% 17% 33% 24% 55 jaar en ouder 4% 3% 7% 4% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 35,0 31,6 40,0 34,0 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 28% 47% 85% 36%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 23% 13% 2% 20% 2b = Matig verstandelijk gehandicapt 4% 13% <1% 4%
3 = Psychisch gehandicapt 1% 1% <1% 1% 3a = Matig psychisch gehandicapt 34% 14% 11% 30% 3b = Ernstig psychisch gehandicapt 11% 11% <1% 10%
4 = Overig 1% 1% <1% 1% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=5450) (n=360) (n=1290) (n=7100)


---

1 Voor tabel doelgroepbesluit en geslacht naar persoonskenmerken zie bijlage 4 Aanvullende tabellen.
2 Bijvoorbeeld: de verhouding tussen de categorieën `mannen' en `vrouwen' van het kenmerk `geslacht' in de `doel- groep' kan vergeleken worden met de verhouding tussen deze categorieën in de groep `bovenzijde'. Zo bevat de doelgroep relatief net zo veel mannen als de bovenzijde.

23



Kenmerkend voor degenen die in 2001 een eerste indicatie hebben gehad, is: · Bijna tweederde van degenen die geï ndiceerd zijn voor de Wsw is man (63%). Dat geldt zowel voor de doelgroep en als voor de bovenzijde geï ndiceerden. De onderzijde geï ndiceerden wij- ken daar heel licht vanaf (61% man).
· De helft van de geï ndiceerden is 35 jaar of ouder (55%). Bij de bovenzijde is het aandeel oude- ren beduidend groter (73%) dan bij de doelgroep en onderzijde (52% en 42%). De gemiddelde leeftijd van degenen die tot de doelgroep en de onderzijde behoren (respectievelijk 35 en 32 jaar) is dus lager dan degenen die tot de bovenzijde behoren (40 jaar). · Ruim een derde van degenen die geï ndiceerd zijn is lichamelijk gehandicapt (36%), iets meer dan een vijfde is verstandelijk gehandicapt (24%) en meer dan een derde psychisch gehandi- capt (41%). Ruim 80 procent van degenen die tot de bovenzijde behoren heeft een lichamelij- ke handicap (85%). Bij de doelgroep zijn het vooral degenen met een psychische handicap die er ­ weliswaar in mindere mate ­ uitspringen (46%). Bij de onderzijde vormen de lichamelijk gehandicapten de grootste groep (47%).

Het komt een enkele keer voor dat het advies van de indicatiecommissie aangaande het doel- groepbesluit niet overgenomen wordt door het bestuur van WGR-verband of zelfstandige gemeen- te (totaal 1%).


3.1.2 Duur tot een eerste indicatie

Het moment waarop een cliënt (of zijn/haar vertegenwoordiger) een aanvraag tot indicatie indient bij het gemeentebestuur geldt als de datum van aanvraag tot indicatie. Binnen vier weken dient deze aanvraag aan de indicatiecommissie voorgelegd te worden. De indicatiecommissie geeft binnen zes weken een advies aan het gemeentebestuur over de aanvraag tot indicatie (datum advies). In- dien de commissie nog nader onderzoek wil verrichten, dient binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag tot indicatie een advies te worden afgegeven. Vervolgens stelt het gemeentebestuur de indicatie vast (datum indicatiebesluit) binnen vier weken na ontvangst van het advies van de indicatiecommissie. De doorlooptijd van de gehele procedure bedraagt dus maximaal 14-24 weken, tenzij een persoon het oneens is met de uitslag van het indicatiebesluit en in beroep gaat.

In onderstaande tabel is de tijdsduur van het totale indicatieproces, namelijk tussen datum van aanvraag tot indicatie en datum indicatiebesluit, weergegeven.

Tabel 3.4 Wachttijd van datum aanvraag tot datum indicatiebesluit van eerste indicatiebesluiten in 2001 naar doelgroepbesluit

Behoort tot de Geen doelgroep: Geen doelgroep: Totaal doelgroep onderzijde bovenzijde Minder dan 4 weken 11% 11% 9% 10%
4 tot 6 weken 7% 10% 6% 7% 6 tot 10 weken 18% 17% 18% 18% 10 tot 14 weken 18% 15% 20% 18% 14 tot 20 weken 18% 16% 21% 18% 20 tot 24 weken 9% 8% 9% 9%
24 weken of meer 20% 23% 18% 20% Gemiddelde duur in weken 17 19 17 17 Totaal 100% 100% 100% 100% (n=5450) (n=360) (n=1290) (n=7100)

24



Van de personen die in 2001 een eerste indicatie hebben ontvangen blijkt de grootste groep tussen de 14 en 26 weken op een indicatiebesluit te moeten wachten (47%). De gemiddelde wachtduur is voor bijna alle geï ndiceerden 17 weken. Alleen de onderzijde wijkt daar iets vanaf (19 weken).

De tijd tussen de verschillende stappen in het indicatieproces is ook apart bekeken. In de navol- gende tabel is de tijd tussen datum aanvraag tot indicatie (tabel 3.5) opgenomen.

Tabel 3.5 Wachttijd van datum aanvraag tot datum advies van eerste indicatiebesluiten in 2001 naar doelgroepbesluit

Behoort tot de Geen doelgroep: Geen doelgroep: Totaal doelgroep onderzijde bovenzijde Minder dan 4 weken 16% 17% 13% 15%
4 tot 6 weken 9% 9% 8% 9% 6 tot 10 weken 19% 18% 19% 19% 10 tot 14 weken 17% 14% 19% 17% 14 tot 20 weken 15% 16% 19% 16% 20 weken of meer 25% 26% 22% 25% Gemiddelde duur in weken 16 17 15 16 Totaal 100% 100% 100% 100% (n=5450) (n=360) (n=1290) (n=7100)

Opvallend is dat de wachttijd tot een datum advies gemiddeld 16 weken duurt. Het lijkt erop dat in bijna alle gevallen nader onderzoek door de indicatiecommissie nodig is. Uit het veld blijkt echter dat er in slechts enkele gevallen een extra onderzoek nodig is. De wettelijk gestelde termijnen blij- ken in de praktijk te kort te zijn om tot een indicatiebesluit te komen.

Wat betreft het nemen van een indicatiebesluit door het gemeentebestuur nadat er een advies is gegeven blijkt, dat dit gemiddeld sneller gaat dan de tijd die de gemeente beschikbaar heeft (ge- middelde duur is twee weken terwijl de gemeente daar maximaal vier weken de tijd voor heeft).

3.1.3 Nadere gegevens doelgroep van de Wsw
Van degenen die tot de doelgroep behoren zijn in het indicatiebesluit nadere gegevens opgeno- men, zoals een indeling in de arbeidshandicapcategorieën licht, matig of ernstig, de (on)geschiktheid voor begeleid werken en eventueel benodigde scholing.


25



Tabel 3.6 Eerste indicatiebesluiten in 2001 naar arbeidshandicap, werkvorm, scholing

2001 Besluit arbeidshandicap1
Licht 11% Matig 57% Ernstig 32% Besluit werkvorm1
Begeleid werken 28% Niet begeleid werken 72% Besluit scholing2
Scholing 32% Geen scholing 68% Totaal 100% (n=5450)

Arbeidshandicap
De vaststelling van arbeidshandicapniveaus (licht-matig-ernstig) vindt plaats aan de hand van prestatiemogelijkheden van betrokkene in combinatie met noodzakelijke voorzieningen en/of maat- regelen ten aanzien van werkplek en werkomgeving (vérstrekkend ­ niet vérstrekkend)3. Zo leidt een prestatieniveau van meer dan 10% en minder dan 50% van een normale prestatie, in combinatie met vérstrekkende voorzieningen, tot een indeling in arbeidshandicapniveau `ernstig'. Een prestatieniveau van 50% of meer van een normale prestatie gecombineerd met niet-vérstrek- kende voorzieningen leidt tot een arbeidshandicapniveau `licht'. De overige combinaties, een hoger prestatieniveau plus vérstrekkende voorzieningen respectievelijk een lager prestatieniveau plus niet-vérstrekkende voorzieningen, worden ingedeeld in een arbeidshandicapniveau `matig'.

Ruim de helft van de personen die in 2001 toegevoegd worden aan de doelgroep van de sociale werkvoorziening heeft de arbeidshandicap `matig' gekregen (57%). De overige personen worden vooral ingedeeld in de categorie `ernstig' (32%), 11% is licht arbeidsgehandicapt.

Begeleid werken
Een persoon komt in aanmerking voor begeleid werken indien: · Eventueel noodzakelijke voorzieningen en/of maatregelen ten aanzien van de werkplek en werkomgeving gerealiseerd kunnen worden in een arbeidsomgeving buiten het sw-bedrijf; · Er een noodzaak is tot speciale werkbegeleiding, in aard en/of omvang; · De begeleiding gelimiteerd kan blijven tot gemiddeld maximaal 15% van de werktijd. Een indicatie voor begeleid werken verplicht niet tot deze vorm van arbeid, maar geeft de persoon een keuzemogelijkheid. Wel heeft de gemeente of WGR-verband een inspanningsverplichting om een dergelijke arbeidsplaats te vinden wanneer de persoon te kennen geeft begeleid te willen werken.

Van de nieuwe aanwas in 2001 is ruim een kwart geschikt bevonden voor een begeleidde werk- plek buiten het sw-bedrijf (28%).

---

1 Besluit niet in overeenstemming met het advies van de indicatiecommissie 1%.
2 Besluit niet in overeenstemming met het advies van de indicatiecommissie 5%.
3 Voor een overzicht welke voorzieningen onder vérstrekkend of niet vérstrekkend vallen zie Besluit indicatie sociale werkvoorziening 6 oktober 1997, Stb 469.


26




Scholing
Bij het besluit over benodigde scholing gaat het om scholing in het kader van het leerlingwezen (de zogeheten beroepsbegeleidende leerweg) en specifieke scholing voor uitsluitend in de sociale werkvoorziening voorkomende functies. De scholing vindt plaats in de eerste twee jaar van een dienstverband. Tijdens de scholingsperiode ontvangt de werknemer een wettelijk minimumloon, na afloop van de scholing volgt indeling op functieloon. Door de indicatiecommissie wordt nage- gaan of en zo ja welke vorm van beroepsonderwijs is gevolgd, in hoeverre de reeds gevolgde scholing relevant is voor de in aanmerking komende branche(s) en functie(s) en welk eventueel aanvullend scholingsaanbod past bij de mogelijkheden en beperkingen van betrokkene. Bijna een derde van de nieuw geï ndiceerden in 2001 komt in aanmerking voor een aanvullende scholing (32%).


3.2 Herindicatie periodiek


Na een eerste indicatie, waarin beslist wordt over toelating tot de doelgroep van de Wsw, volgen periodieke herindicaties. Dit geldt zowel voor personen op de wachtlijst als voor personen die in- gestroomd zijn in het werknemersbestand. Indicatiebesluiten hebben namelijk een beperkte, bij ministeriële regeling vastgelegde, geldigheidsduur1. Bij elke herindicatie wordt gekeken of de per- soon nog steeds tot de doelgroep van de Wsw behoort. Indien dit niet langer het geval is, volgt uitstroom uit de wachtlijst respectievelijk uitstroom uit het werknemersbestand. Een eerste indicatie van een persoon die op de wachtlijst is geplaatst heeft een geldigheidsduur van maximaal 3 jaar, een herindicatie van een persoon op de wachtlijst maximaal 2 jaar2.


3.2.1 Herindicatie wachtlijst


Gezien de inwerkingtreding van de nWsw op 1 januari 1998 zijn er in 2001 herindicaties van per- sonen op de wachtlijst te verwachten. In 2001 zijn er 410 personen op de wachtlijst geherindi- ceerd.
De gemiddelde leeftijd van de doelgroep is bijna hetzelfde als bij eerste indicaties (35 jaar en 36 jaar). Omdat er inmiddels minimaal 2 jaar verstreken is tussen eerste indicatie en de huidige her- indicatie is het opmerkelijk dat beide gemiddelden niet verschillen. Mogelijk was de instroom in het werknemersbestand destijds gemiddeld jonger, of ouderen zijn de afgelopen 2 jaar vaker uitge- stroomd dan jongeren.

Van de indicatiebesluiten in 2001 vanwege herindicatie wachtlijst behoort 72% nog steeds tot de doelgroep van de Wsw, 20% tot de onderzijde en 9% tot de bovenzijde. Tabel 3.7 geeft de ken- merken weer van de personen die bij een herindicatie wachtlijst niet langer tot de doelgroep beho- ren.


---

1 De gemeente of WGR-verband kan afwijkende termijnen vaststellen waarbij overigens de maximale termijn voor geen enkele geïndiceerde langer dan 5 jaar mag zijn.
2 Voor herindicaties geldt dat telkens uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van een in- dicatie door het gemeentebestuur een advies ten behoeve van een herindicatie aangevraagd wordt bij de indicatie- commissie. Bij herindicaties kan niet de tijd tussen de aanvraag van de herindicatie en het indicatiebesluit uit de Wsw-statistiek gelezen worden, maar wel de tijd tussen het advies van de indicatiecommissie en het indicatiebesluit.


27



Tabel 3.7 Persoonskenmerken van diegenen die bij een herindicatie wachtlijst niet langer tot de doelgroep behoren.

Doelgroep Onderzijde Bovenzijde Geslacht
Man 65% 60% 69% Vrouw 36% 40% 31% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 12% 17% 17%
23-24 jaar 7% 4% 6%
25-34 jaar 31% 23% 22%
35-44 jaar 26% 29% 22%
45-54 jaar 20% 22% 28%
55 jaar en ouder 5% 6% 6% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 36,3 35,9 36,7 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 31% 45% 59%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 20% 16% 6%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 5% - 3%
3 = Psychisch gehandicapt - - -
3a = Matig psychisch gehandicapt 35% 32% 32%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 10% 7% -
4 = Overig - - - Arbeidshandicap
Licht 14% 15% 30% Matig 50% 53% 70% Ernstig 36% 33% - Totaal 100% 100% 100% (n=290) (n=80) (n=40)

Opvallend in bovenstaande tabel is dat, voor personen die bij een herindicatie wachtlijst niet meer tot de doelgroep behoren, vrouwen relatief vaker tot de onderzijde en mannen relatief vaker tot de bovenzijde behoren. Personen die nog wel tot de doelgroep behoren zijn relatief vaker licht ver- standelijk (20 tegen 16 bovenzijde en 6% onderzijde) en ernstig psychisch gehandicapt (10% te- gen 7% bovenzijnde en 0% onderzijde). De personen die tot de boven- en onderzijde gerekend worden zijn relatief vaker lichamelijk gehandicapt (45% bovenzijde en 59% onderzijde tegen 31% doelgroep).

Duur tot een herindicatie wachtlijst
De tijd tussen datum advies en datum indicatiebesluit bij een herindicatie wachtlijst is bij de perso- nen die opnieuw tot de doelgroep of tot de onderzijde behoren gemiddeld langer (3 weken) als die van personen die tot de bovenzijde gaan behoren (2 weken).


28





3.2.2 Herindicatie werknemersbestand 2 jaar na plaatsing

Wanneer de persoon vanaf de wachtlijst geplaatst wordt in het werknemersbestand, heeft zijn of haar (her)indicatie vanaf de datum van plaatsing nog een geldigheidsduur van maximaal 2 jaar1. De personen die in 1999 zijn geplaatst in het werknemersbestand zijn in 2001 toe aan een herin- dicatie. In totaal hebben er in 2001 3830 personen2 een herindicatie werknemersbestand 2 jaar na plaatsing gehad.
Van de herindicaties 2 jaar na plaatsing in het werknemersbestand die in 2001 zijn genomen be- hoort 98% nog steeds tot de doelgroep, 1,2% tot de onderzijde en 0,7% tot de bovenzijde.

Bij de herindicaties werknemersbestand (twee jaar na plaatsing) valt op dat personen die na indi- catie tot de onderzijde behoren sneller dan de doelgroep en de bovenzijde een indicatiebesluit krijgen (respectievelijk 2, 1 en 2 weken tussen datum advies en datum indicatiebesluit).


3.3 Herindicatie op eigen verzoek en ontslagaanvraag

Verplichte indicatie en herindicatie vindt niet plaats bij personen die bij inwerkingtreding van de nWsw (1 januari 1998) reeds tot het werknemersbestand van de Wsw behoorden (`oude' werkne- mers). Uitzondering daarop zijn personen met een dienstbetrekking bij een sw-bedrijf die in aan- merking wensen te komen voor begeleid werken. Door de indicatiecommissie wordt in dat geval uitsluitend advies gegeven over de vraag of de persoon in staat wordt geacht tot begeleid werken. Het aantal personen dat tot het `oude' werknemersbestand behoort en in 2001 een herindicatie op eigen verzoek heeft gehad is gering. Slechts 112 personen zijn op eigen verzoek geherindiceerd. In meerderheid worden zij inderdaad in staat geacht tot begeleid werken (76%). In 96% van de gevallen zijn deze besluiten overeenkomstig het advies van de indicatiecommissie.

De indicatiecommissie dient eveneens om advies gevraagd te worden indien de gemeente of WGR-verband een persoon wil ontslaan in andere situaties dan het niet willen meewerken aan herindicatie of het niet willen meewerken aan plaatsing elders (indien de persoon niet langer tot de doelgroep behoort). Bijvoorbeeld na minimaal 2 jaar ziekte, agressie op het werk, e.d. De indica- tiecommissie toetst de rechtmatigheid van het ontslag gezien de bedoeling van de Wsw en fun- geert daarmee als een preventieve ontslagtoets3. Daarnaast blijft de bestaande indicatie van personen die vanaf 1 januari 1998 zijn toegelaten tot de Wsw geldig tot de termijn afloopt, of tot de persoon zelf om herindicatie vraagt. Een persoon kan daardoor na ontslag terugkeren op de wachtlijst indien hij of zij na een periode van ziekte of WAO in aanmerking wil komen voor een nieuwe plaatsing in het werknemersbestand. In de praktijk zal deze situatie zelden voorkomen omdat reeds vóór een ontslagaanvraag wegens 2 jaar ziekte geprobeerd zal zijn de persoon aan het werk te helpen.


---

1 Plaatsing in het werknemersbestand van een persoon vlak voordat de termijn van de eerste indicatie is verstreken betekent dus dat er maximaal 5 jaar tijd kan zitten tussen eerste indicatie en herindicatie 2 jaar na plaatsing.
2 Alleen het waargenomen aantal is bekend. Verwacht wordt dat dit aantal niet veel van de werkelijkheid zal afwijken
3 Getoetst wordt of er voldaan wordt aan het Delegatiebesluit 1993 voorzover de criteria van toepassing zijn op de so- ciale werkvoorziening. Ten behoeve van dergelijke toetsing dient een jurist toegevoegd aan de indicatiecommissie.


29



In totaal is er bij 217 personen1 sprake van een ontslagaanvraag. Bij 96% van de ontslagaanvra- gen is besloten tot ontslag, 1% daarvan wijkt af van het advies van de indicatiecommissie. Bij de overige 4% van de ontslagaanvragen volgt geen ontslag, daarvan was het ontslagbesluit in over- eenstemming met het advies.

Kenmerkend voor de herindicatie op eigen verzoek en de ontslagaanvraag is dat de meeste ge- vallen (respectievelijk 75% en 69%) binnen twee weken na de adviesdatum een indicatiebesluit is genomen.


---

1 Alleen het waargenomen aantal is bekend. Verwacht wordt dat dit aantal niet veel van de werkelijkheid zal afwijken








30





4 Wachtlijst


Plaatsing op de wachtlijst gaat vooraf aan instroom in het werknemersbestand van de Wsw, maar niet alle uitstroom uit de wachtlijst is richting werknemersbestand. In dit hoofdstuk wordt eerst de ontwikkeling van de wachtlijst van de Wsw besproken waarna dieper ingegaan wordt op de uit- stroom uit de wachtlijst en de richting van die uitstroom. Eind 2001 is de wachtlijst afgenomen tot circa 5400 personen.


4.1 Profiel deelnemers op de wachtlijst


Er zijn verschillende situaties waarbij personen die tot de doelgroep van de Wsw behoren op de wachtlijst geplaatst worden:
· Personen die - in een eerste indicatie - geï ndiceerd zijn volgens de nWsw en een positieve doelgroepbeslissing ontvangen hebben;
· Personen die uitstromen uit het werknemersbestand en terugkeren naar de wachtlijst Wsw, in afwachting van een nieuwe plaatsing in het werknemersbestand; · Personen die zijn uitgestroomd uit het werknemersbestand naar regulier werk buiten de Wsw, onvrijwillig werkloos zijn geworden en op basis van een terugkeergarantie een beroep kunnen doen op hernieuwde plaatsing in het werknemersbestand van de Wsw; · Personen die overgedragen zijn van een andere gemeente of WGR-verband en bij de nieuwe gemeente een wachtperiode voortzetten of aanvangen. Personen die niet tot de doelgroep van de Wsw behoren of geen geldige indicatie meer bezitten mogen niet op de wachtlijst geplaatst worden. Bij personen die op basis van een herindicatie wachtlijst niet langer tot de doelgroep behoren volgt uitstroom van de wachtlijst.

Van degenen die aan het begin van 2001 op de wachtlijst stonden, de instroom, uitstroom en de eindstand 2001 zijn in onderstaande tabel profielen opgenomen. Hierdoor worden eventuele ver- schuivingen in de samenstelling van de wachtlijst zichtbaar.


31



Tabel 4.1 Ontwikkeling wachtlijst in 2001, naar persoonskenmerken1

Begin 2001 Instroom Uitstroom Eind 2001 Geslacht
Man 63% 63% 63% 64% Vrouw 37% 37% 37% 37% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 20% 25% 24% 17%
23-24 jaar 6% 5% 6% 5%
25-34 jaar 23% 20% 22% 23%
35-44 jaar 26% 26% 25% 28%
45-54 jaar 21% 21% 21% 23%
55 jaar en ouder 4% 3% 4% 4% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 35,1 34,2 34,3 36,2 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 34% 28% 29% 33%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 21% 23% 24% 19%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 3% 4% 5% 3%
3 = Psychisch gehandicapt 1% 1% 1% 1%
3a = Matig psychisch gehandicapt 31% 33% 31% 33%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 10% 11% 10% 12%
4 = Overig <1% 1% <1% 1% Arbeidshandicap
Licht 16% 11% 14% 13% Matig 54% 57% 55% 56% Ernstig 30% 32% 32% 31% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=6410) (n=5970) (n=6990) (n=5400)

De samenstelling van de groep personen op de wachtlijst is in de loop van 2001 niet echt veran- derd. De gemiddelde leeftijd is een jaar toegenomen wat een indicatie zou kunnen zijn dat er minder jongeren ingestroomd dan er ouderen uitgestroomd zijn. Dit is echter niet het geval, 50% van de instroom is onder de 35 en 50% is 35 jaar of ouder. Er zijn wel meer jongeren dan oude- ren uitgestroomd (51% tegen 49%). Er heeft zich een lichte verschuiving voorgedaan in de ver- houding tussen de verschillende handicapcategorieën. De instroom van lichamelijk gehandicapten is relatief lager dan de samenstelling in het begin van 2001. Bovendien stromen er absoluut meer lichamelijk gehandicapten uit dan in, met als resultaat een lichte daling van het aandeel lichamelijk gehandicapten in de loop van het jaar. Het omgekeerde geldt voor de psy- chisch gehandicapten. Daar is het aandeel psychisch gehandicapten in de loop van het 2001 toegenomen omdat het aandeel in de instroom relatief hoger is.

Eind 2001 ziet de samenstelling van de groep personen op de wachtlijst er als volgt uit: · Er staan beduidend meer mannen (64%) op de wachtlijst dan vrouwen (37%). · Er is een grote spreiding over de verschillende leeftijdscategorieën. Meer dan de helft is ouder dan 35 jaar (55%), de gemiddelde leeftijd is 36 jaar. · Tussen een derde en de helft van de wachtenden heeft een psychische handicap (46%), in omvang gevolgd door de groep lichamelijk gehandicapten (33%) en de verstandelijk gehandi- capten (22%).

---

1 Een uitsplitsing van de eindstand van de wachtlijst naar geslacht is opgenomen in bijlage 4 Aanvullende tabellen.






32




· Meer dan de helft van de personen op de wachtlijst is matig arbeidsgehandicapt (56%) en bij- na een derde is ernstig arbeids gehandicapt (31%). De licht arbeidsgehandicapten vormen de kleinste groep (13%).

Tabel 4.2 Arbeidshandicap naar handicap van personen op de wachtlijst eind 2001.

Licht Matig Ernstig Totaal
1 lichamelijk gehandicapt 87% 28% 21% 33%
2a licht verstandelijk gehandicapt 3% 22% 20% 19%
2b matig verstandelijk gehandicapt - 1% 6% 3%
3 psychisch gehandicapt <1% 1% <1% <1%
3a matig psychisch gehandicapt 9% 45% 21% 33%
3b ernstig psychisch gehandicapt <1% 3% 32% 12%
4 overig <1% 1% <1% 1%
100% 100% 100% 100% Totaal (n=700) (n=3030) (n=1670) (n=5400)

Van de personen die eind 2001 op de wachtlijst staan en die licht arbeidsgehandicapt zijn is veruit de grootste groep lichamelijk gehandicapt (87%). Van de matig arbeidsgehandicapten is de bijna de helft matig psychisch gehandicapt (45%). De ernstig psychisch gehandicapten vormen de grootste groep bij de ernstig arbeidsgehandicapten (32%). Van alle personen die eind 2001 op de wachtlijst staan zijn er net zoveel matig psychisch gehandicapten als lichamelijk gehandicapten (33%).

Wachtduur op wachtlijst
De tijdsduur dat personen op de wachtlijst staan kan sterk variëren. Het is niet zo dat degenen die het langst op de wachtlijst staan het eerst aan de beurt zijn om in te stromen in het werkne- mersbestand. Ook worden personen die teruggekeerd zijn op de wachtlijst, na een mislukte plaatsing of op basis van een terugkeergarantie, doorgaans met voorrang geplaatst in het werk- nemersbestand.

Tabel 4.3 Wachtduur op wachtlijst in 2001 in categorieën, naar arbeidshandicap

Licht Matig Ernstig Totaal Minder dan 0,5 jaar 31% 37% 39% 37% 0,5 tot 1 jaar 17% 18% 17% 17%
1 tot 2 jaar 19% 20% 19% 19%
2 tot 3 jaar 15% 12% 12% 12%
3 tot 5 jaar 8% 6% 7% 7%
5 jaar of meer 12% 8% 5% 8% Gemiddelde wachtduur (in maanden) 22 18 16 18 Totaal 100% 100% 100% 100% (n=700) (n=3030) (n=1670) (n=5400)

De personen die eind 2001 nog op de wachtlijst staan, hebben er gemiddeld 18 maanden wacht- tijd op zitten, 1,5 jaar dus.

Geslacht
Het verschil tussen mannen en vrouwen is respectievelijk 21 en 17 maanden. Hoe ouder men is, hoe langer men reeds op de wachtlijst staat.


33



Leeftijd
Jongeren onder de 23 jaar staan gemiddeld een jaar op de wachtlijst (10 maanden), geleidelijk oplopend tot een iets meer dan 2 jaar voor de (in omvang kleine) groep van 55 jaar en ouder (26 maanden).

Arbeidshandicap
De licht arbeidsgehandicapten staan het langst op de wachtlijst, gemiddeld 22 maanden, en de ernstig arbeidsgehandicapten het kortst (16 maanden).

Handicap
Voorts staan verstandelijk gehandicapten, die eind 2001 nog op de wachtlijst staan, gemiddeld korter op de wachtlijst (licht verstandelijk gehandicapten 16 maanden en de matig verstandelijk gehandicapten 15 maanden) dan lichamelijk gehandicapten (20 maanden) en psychisch gehan- dicapten (25, 16 en 18 maanden voor de verschillende handicapcategorieën psychisch, matig psychisch en ernstig psychisch).

Indicatie scholing en indicatie begeleid werken
Van degenen die eind 2001 op de wachtlijst staan heeft 30% een scholingsindicatie en 31% een indicatie begeleid werken. De personen met een indicatie begeleid werken kunnen kiezen voor de werkzaamheden die een sw-bedrijf biedt of voor een reguliere baan waar begeleid wordt gewerkt.


4.2 Uitstroom wachtlijst
Uitstroom uit de wachtlijst kan in verschillende richtingen plaatsvinden. De grootste groep stroomt vanaf de wachtlijst in een dienstbetrekking (72%) en een klein aantal begint in een arbeidsover- eenkomst begeleid werken (4%) bij dezelfde gemeente of WGR-verband.

Tabel 4.4 Uitstroom wachtlijst in 2001, naar bestemming

Percentage Naar dienstbetrekking 72% Naar begeleid werken 4% Overig 24% Totaal 100% (n=6990)

In de Wsw-persoonsstatistiek wordt geen uitstroombestemming van de wachtlijst geregistreerd. Een deel van de overige uitstroom kan verder gaan bij een andere gemeente, dit aantal blijkt in de Wsw-statistiek echter bijna nul te zijn1. Het is onbekend waar de rest die niet elders instroomt in het werknemersbestand terechtkomt. Dat kan reguliere arbeid buiten de Wsw zijn, al of niet met behulp van andere arbeidsmarktinstrumenten zoals Wiw. Een andere oorzaak voor uitstroom uit de Wsw kan zijn dat iemand bij een herindicatie niet langer tot de doelgroep behoort (N = 130, dus 2%). Ook overlijden en ziekte kunnen oorzaken voor uitstroom zijn. Van de uitstroom uit de wachtlijst zijn profielen opgesteld, er is onderscheid gemaakt tussen de verschillende bestemmingen van die uitstroom.


---

1 Dubbele records in verband met overdrachtnaar een andere gemeente blijken nogal eens onvolledig te zijn of niet goed op elkaar aan te sluiten. Het gaat in 2001 om een tiental cases waar een overdracht vanaf de wachtlijst plaatsvindt.


34




Tabel 4.5 Bestemming na uitstroom wachtlijst in 2001, naar persoonskenmerken

Dienstbetrekking Begeleid werken Overig Totaal Geslacht
Man 63% 61% 62% 63% Vrouw 37% 39% 38% 37% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 27% 26% 15% 24%
23-24 jaar 5% 10% 6% 5%
25-34 jaar 20% 32% 23% 22%
35-44 jaar 24% 20% 27% 25%
45-54 jaar 20% 11% 23% 21%
55 jaar en ouder 3% 1% 7% 4% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 33,7 30,5 36,8 34,0 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 27% 29% 35% 29%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 26% 28% 18% 24%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 5% 5% 3% 5%
3 = Psychisch gehandicapt 1% 1% 1% 1%
3a = Matig psychisch gehandicapt 31% 32% 34% 31%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 10% 6% 10% 10%
4 = Overig 1% - - <1% Arbeidshandicap
Licht 12% 16% 17% 14% Matig 55% 63% 54% 55% Ernstig 33% 21% 29% 32% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=5040) (n=300) (n=1650) (n=6990)

Kenmerkend voor de uitstroom uit de wachtlijst gedurende 2001 is: · De man-vrouw verhouding is bij alle uitstroom bestemmingen vrijwel gelijk (circa 63% man en
37% vrouw). Begeleid werken wijkt hier iets van af (61% tegen 39%). · Iets meer dan de helft van de uitstroom is jonger dan 35 jaar (51%). De personen die uitstro- men naar een dienstbetrekking zijn gemiddeld iets ouder (34 jaar) dan die naar begeleid wer- ken (31 jaar). Personen die uitstromen naar overige bestemmingen zijn gemiddeld het oudste (37 jaar).
· Meer dan een derde van de uitstroom is psychisch gehandicapt (42%), bijna een derde is li- chamelijk gehandicapt (29%) en nog bijna een derde is verstandelijk gehandicapt (29%). De uitstroom naar begeleid werken is iets vaker licht verstandelijk gehandicapt (28%) of lichame- lijk gehandicapt (29%) dan de uitstroom naar dienstbetrekkingen (respectievelijk 26% en
27%). Ruim een derde van de overige uitstroom is lichamelijk gehandicapt (35%), bij de uit- stroom richting werknemersbestand is dat minder dan een derde (27% en 29%). · Meer dan de helft van de uitstroom is matig arbeidsgehandicapt (55%), iets minder dan een derde ernstig arbeidsgehandicapt (32%) en 14% is licht arbeidsgehandicapt. Personen die uitstromen naar een dienstbetrekking zijn relatief vaker ernstig arbeidsgehandicapt (33%) dan personen die terechtkomen in een begeleid werkplek (21%). De uitstroom naar overige bestemmingen is relatief vaker licht arbeidsgehandicapt (17%, tegenover 12% in de uitstroom naar een dienstbetrekking en 16% in de uitstroom naar begeleid werken).


35



Wachtduur bij uitstroom wachtlijst
Van degenen die uitgestroomd zijn uit de wachtlijst is berekend hoe lang zij op de wachtlijst heb- ben gestaan voorafgaand aan de uitstroom Gemiddeld blijkt dit 15 maanden te zijn. Dat is opval- lend korter dan degenen die eind 2001 nog op de wachtlijst staan en inmiddels gemiddeld 18 maanden wachten op plaatsing.

Tabel 4.6 Wachtduur op wachtlijst van uitstroom wachtlijst in 2001, naar arbeidshandicap

Licht Matig Ernstig Totaal Minder dan 0,5 jaar 38% 50% 51% 49% 0,5 tot 1 jaar 14% 16% 15% 15%
1 tot 2 jaar 18% 15% 15% 16%
2 tot 3 jaar 10% 8% 8% 8%
3 tot 5 jaar 12% 7% 6% 7%
5 jaar of meer 8% 4% 5% 5% Gemiddelde wachtduur (in maanden) 20 14 14 15 Totaal 100% 100% 100% 100% (n=930) (n=3850) (n=2210) (n=6990)

Bij de personen die in 2001 uitgestroomd zijn uit de wachtlijst is weinig verschil in wachtduur tus- sen mannen en vrouwen (respectievelijk 14 en 15 maanden). Per leeftijdscategorie gekeken vari- eert de wachtduur van gemiddeld 9 tot 22 maanden. Jongeren onder de 23 jaar hebben gemiddeld het kortst gewacht, de leeftijdscategorie van 55-65 jaar het langst. De overige leef- tijdscategorieën zitten daar tussen in, tussen de 15 en 20 maanden. De licht arbeidsgehandicap- ten hebben vooraf aan uitstroom uit de wachtlijst het langst gewacht (20 maanden), terwijl de groepen matig en ernstig arbeidsgehandicapten gemiddeld iets meer dan een jaar gewacht heb- ben (14 maanden). Overige handicaps en licht en matig verstandelijk gehandicapten hebben het kortst op de wachtlijst gestaan (respectievelijk 5 en 14 maanden), terwijl de psychisch gehandi- capten het langst op de wachtlijst staan (21 maanden). Wanneer gekeken wordt naar de wachtduur op de wachtlijst in relatie tot de uitstroombestemming valt op dat de overige uitstroom gemiddeld bijna drie keer zo lang op de wachtlijst heeft gestaan (29 maanden) dan de groep die instroomt naar een dienstbetrekking (10 maanden) en bijna twee keer zo lang als de groep die uitstroomt naar een begeleid werken-plek (15 maanden).

Tabel 4.7 Wachtduur op wachtlijst van uitstroom wachtlijst in2001, naar uitstroombestemming

Dienstbetrekking Begeleid werken Overig1 Totaal Minder dan 0,5 jaar 60% 39% 15% 49% 0,5 tot 1 jaar 15% 25% 12% 15%
1 tot 2 jaar 13% 18% 24% 15%
2 tot 3 jaar 5% 6% 20% 9%
3 tot 5 jaar 4% 7% 17% 7%
5 jaar of meer 3% 6% 12% 5% Gemiddelde wachtduur (in maanden) 10 15 29 15 Totaal 100% 100% 100% 100% (n=5040) (n=300) (n=1650) (n=6990)


---

1 In de categorie overig zitten personen die wel uitstromen uit de wachtlijst maar niet in een dienstbetrekking of een begeleid werkenplek beginnen. Dit zijn ondermeer personen die bij een herindicatie niet langer tot de doelgroep be- horen.


36




Indicatie scholing en indicatie begeleid werken
Van al degenen die in 2001 uitstromen uit de wachtlijst heeft 31% een scholingsindicatie, van uit- sluitend degenen die uitstromen in het werknemersbestand is dit eveneens 31%.

Van de uitstroom uit de wachtlijst in 2001 met een indicatie begeleid werken (zijnde 27% van alle uitstroom uit de wachtlijst) gaat 16% daadwerkelijk op een begeleid werkplek aan de slag, 62% begint in een dienstbetrekking en 22% stroomt uit de wachtlijst zonder instroom in het werkne- mersbestand en behoort niet meer tot de Wsw. De Wsw-geï ndiceerde mag zelf kiezen of hij/zij gebruik maakt van de mogelijkheid buiten het sw-bedrijf een baan te zoeken. Blijkbaar kiest een groot deel van de personen met een indicatie begeleid werken toch voor de beschutte omgeving van het sw-bedrijf.


37




38





5 Werknemersbestand


Het werknemersbestand bestaat uit personen met dienstbetrekkingen en begeleid werken plek- ken. Detacheringen, personen met een dienstbetrekking die buiten het eigen sw-bedrijf werkzaam zijn, vallen ook onder de dienstbetrekkingen1. Eind 2001 bevinden zich 93060 personen in het werknemersbestand. Hiervan hebben er 92250 personen een dienstbetrekking en hebben er 810 een begeleid werkplek. Een overzicht van de ontwikkeling in 2001 van de personen met een dienstbetrekking en die met een begeleid werkplek is in aparte paragrafen opgenomen. Verder bevat dit hoofdstuk gegevens over duur en omvang van dienstbetrekkingen en begeleid werken, en wordt ingegaan op specifieke gegevens over de in- en uitstroom van het werkne- mersbestand. Bij verschillende onderdelen is een vergelijking gemaakt tussen dienstbetrekkingen en begeleid werken.


5.1 Kenmerken deelnemers met een dienstbetrekking

Het grootste deel van het werknemersbestand van de Wsw is werkzaam binnen sw-bedrijven en heeft formeel een arbeidsovereenkomst met de gemeente of WGR-verband (dienstbetrekking). Sw-bedrijven bestaan doorgaans uit meerdere werkverbanden op industrieel, administratief of cultuur-civieltechnisch gebied. De werkzaamheden die verricht worden variëren van montage en assemblage tot machinebediening met een hoge automatiseringsgraad, van schoonmaakwerk tot kweken en verzorgen van planten, van inpakken tot data-entry. Kortom, van eenvoudig, soms re- petitief werk tot hoogwaardige gevarieerde arbeid.

In onderstaande tabel zijn profielen opgenomen van respectievelijk degenen die aan het begin van 2001 een dienstbetrekking hadden, de instroom in 2001, de uitstroom in diezelfde periode en degenen die eind 2001 een dienstbetrekking hadden. Een onderscheid tussen dienstbetrekkingen aangegaan vóór 1 januari 1998 en dienstbetrekkingen vanaf 1 januari 1998 (nWsw) is opgeno- men in bijlage 4.


---

1 In de Wsw-statistiek kan de groep detacheringen niet onderscheiden worden omdat hierover geen gegevens ver- zameld wordt.


39



Tabel 5.1 Ontwikkeling dienstbetrekkingen, naar persoonskenmerken

Begin 2001 Instroom Uitstroom Eind 2001 Geslacht
Man 77% 64% 77% 76% Vrouw 23% 36% 23% 24% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 3% 25% 4% 3%
23-24 jaar 2% 5% 2% 2%
25-34 jaar 18% 21% 15% 17%
35-44 jaar 31% 25% 21% 30%
45-54 jaar 33% 21% 20% 33%
55 jaar en ouder 14% 3% 38% 15% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 43,0 34,1 46,7 43,3 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 43% 29% 47% 41%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 29% 26% 21% 29%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 4% 5% 4% 4%
3 = Psychisch gehandicapt 14% 2% 14% 13%
3a = Matig psychisch gehandicapt 3% 29% 7% 5%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 1% 9% 2% 1%
4 = Overig 6% 1% 6% 6% Arbeidshandicap
Licht 2% 12% 3% 2% Matig 95% 55% 91% 93% Ernstig 3% 33% 6% 5% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=91780) (n=5520) (n=5060) (n=92250)

De samenstelling van de groep personen met een dienstbetrekking is in de loop van 2001 nauwe- lijks gewijzigd. Het enige opvallende is dat de groep personen met een arbeidshandicap categorie ernstig is toegenomen eind 2001 ten opzichte van het begin van het jaar. Dat er verder nauwelijks wijzigingen zijn is niet verwonderlijk gezien de naar verhouding geringe instroom en uitstroom ten opzichte van het aantal dienstbetrekkingen begin 2001 (6% instroom en 5,5% uitstroom). Wel ziet de instroom er op een aantal kenmerken anders uit dan de stand begin 2001 en de uitstroom, en zal dus op langere termijn leiden tot verschuivingen in het profiel van de groep personen met een dienstbetrekking. Zo is het aandeel vrouwen in de instroom beduidend hoger (36%, tegenover
23% begin 2001). Ook is het aandeel jongeren in de instroom aanmerkelijk hoger (25%, tegen- over 3% begin 2001). Tevens is het aandeel psychisch gehandicapten hoger in de instroom in
2001 (40%, tegenover 18% begin 2001) en is het aandeel lichamelijk gehandicapten lager (29%, tegenover 43% begin 2001).


40




Ook wijkt de verdeling over de verschillende arbeidshandicapcategorieën van de instroom af van begin 2001. De nieuwe instroom bestaat namelijk vrijwel geheel uit geï ndiceerden volgens de nWsw1 terwijl de stand begin 2001 in overgrote meerderheid bestaat uit dienstbetrekkingen die vóór 1 januari 1998 zijn aangegaan. Personen met een dienstbetrekking vóór 1998 worden allen, met uitzondering van twee groepen visueel gehandicapten met de arbeidshandicapcategorie ern- stig, beschouwd als matig arbeidsgehandicapt.

Eind 2001 ziet de samenstelling van de groep personen met een dienstbetrekking er als volgt uit: · Ruim driekwart van de personen met een dienstbetrekking is man (76%). · Minder dan een kwart is jonger dan 35 jaar (22%). De gemiddelde leeftijd is 43 jaar. · Tussen een derde en de helft heeft een lichamelijke handicap (41%), een derde is licht of ma- tig verstandelijk gehandicapt (33%) en minder dan een vijfde deel heeft een psychische han- dicap (19%). 6% van de gehandicapten heeft een handicap in de categorie overig. Vrijwel alle personen met een dienstbetrekking worden beschouwd als matig arbeidsgehandicapt (93%). Op dit moment zijn de groepen licht en ernstig arbeidsgehandicapten in omvang nog zeer gering (respectievelijk 2% en 5%). Van de personen met een dienstbetrekking, aangegaan vanaf
1998 onder de nWsw, is 13% licht, 58% matig en 29% ernstig arbeidsgehandicapt (zie bijlage 4).




5.2 Kenmerken deelnemers begeleid werken


Personen die tot de Wsw-doelgroep behoren, zowel Wsw-geï ndiceerden vanaf 1998 als perso- nen die voor 1998 een Wsw-dienstbetrekking hadden, zijn niet per definitie aangewezen op het werkaanbod en de arbeidsverhoudingen van een sw-bedrijf. Zij kunnen sinds 1 januari 1998, in- dien zij daarvoor geï ndiceerd zijn, zelf of met hulp van anderen een begeleid werkplek zoeken buiten het sw-bedrijf. De rijkssubsidie kan in dat geval aangewend worden om een baan te vinden en te behouden, namelijk als loonkostensubsidie voor de werkgever die een begeleid werker in dienst neemt en ter financiering van bemiddelings- en begeleidingskosten en eventuele kosten voor de aanpassing van de werkplek. Begeleidingsorganisaties dienen te voldoen aan kwaliteits- criteria om de kwaliteit van de begeleiding te waarborgen2.

De begeleiding die in de praktijk aan begeleid werkers gegeven wordt, is zeer gevarieerd. De be- geleiding kan bestaan uit een passende arbeidsplaats zoeken, een begeleidingsplan opstellen, de afspraken tussen werkgever en werknemer regelen en/of bewaken, de werknemer inwerken in zijn/haar nieuwe functie en/of begeleiden na de inwerkperiode.

Van degenen die in 2001 een begeleid werkplek hadden zijn profielen opgesteld. Het gaat om degenen aan het begin van het jaar, de instroom, de uitstroom en de stand aan het eind van
2001. De omvang van de uitstroom is echter zo gering dat percentages in de tabel met grote voorzichtigheid behandeld moeten worden.


---

1 Uitzondering hierop zijn bijvoorbeeld personen die zijn overgedragen van het ene gemeente / wgr-verband naar het andere. Bij de nieuwe gemeente tellen deze personen als nieuwe instroom.
2 Zie Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening, 6 oktober 1997, Stb. 469






41



Tabel 5.2 Ontwikkeling begeleid werken, naar persoonskenmerken

Begin 2001 Instroom Uitstroom Eind 2001 Geslacht
Man 68% 63% 70% 64% Vrouw 32% 37% 30% 36% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 18% 24% 15% 17%
23-24 jaar 10% 10% 8% 11%
25-34 jaar 31% 31% 35% 32%
35-44 jaar 24% 22% 30% 22%
45-54 jaar 17% 12% 11% 17%
55 jaar en ouder 1% 1% 1% 2% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 33,0 31,0 33,0 32,8 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 34% 28% 36% 31%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 28% 30% 27% 29%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 3% 4% 2% 4%
3 = Psychisch gehandicapt 2% 3% 2% 3%
3a = Matig psychisch gehandicapt 27% 29% 30% 27%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 5% 5% 2% 6%
4 = Overig <1% - 1% <1% Arbeidshandicap
Licht 15% 13% 16% 14% Matig 69% 68% 71% 68% Ernstig 16% 19% 13% 18% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=600) (n=410) (n=200) (n=810)

De omvang van de groep personen met een arbeidsovereenkomst begeleid werken is fors toege- nomen maar de samenstelling van de groep is nauwelijks gewijzigd tussen begin januari en eind december 2001.

Aan het einde van 2001 ziet de samenstelling van de groep personen met een begeleid werkplek er als volgt uit:
· Er zijn beduidend meer mannen (64%) dan vrouwen (36%) met een begeleid werkplek, een verhouding van tweederde-eenderde.
· Alle onderscheiden leeftijdscategorieën zijn in meer of mindere mate gevuld. Wel zijn de per- sonen die begeleid werken relatief jong, 60% is jonger dan 35 jaar en de gemiddelde leeftijd is bijna 33 jaar.
· Iets minder dan een derde heeft een lichamelijke handicap (31%), een derde een verstandelij- ke handicap (33%) en meer dan een derde is psychisch gehandicapt (36%). · Ruim tweederde van de personen met een begeleid werkplek is matig arbeidsgehandicapt (68%). De rest is verdeeld over de categorieën licht en ernstig arbeidsgehandicapt (respectie- velijk 14 en 18%).


42





5.3 Kenmerken dienstbetrekkingen en begeleid werken plekken

Van de dienstbetrekkingen en begeleid werkplekken is bekeken wat eind 2001 de duur en de omvang is. Ook is onderzocht of degenen die 36 uur of meer (voltijd) werken als groep verschillen van degenen die minder dan 36 uur werken (deeltijd).

In onderstaande tabel is onderscheid gemaakt tussen dienstbetrekkingen aangegaan vóór 1 ja- nuari 1998 (82%) en dienstbetrekkingen vanaf 1 januari 1998 (18%) om verschillende aspecten van de instroom onder de nieuwe Wet sociale werkvoorziening te kunnen vergelijken. In totaal bestaat het werknemersbestand voor 82% uit dienstbetrekkingen van voor 1998 (n=75650), voor bijna 18% uit dienstbetrekking van na 1998 (n=16600) en voor bijna 1% uit begeleid werken plek- ken (n=810). De meest interessante vergelijking is die tussen dienstbetrekkingen vanaf 1998 en begeleid werkplekken.

Tabel 5.3 Duur dienstbetrekkingen en begeleid werken eind 2001

Dienstbetrekking Begeleid Totaal Vóór 1-1-1998 Vanaf 1-1-1998 Totaal Werken Tot 1 jaar - 31% 6% 43% 6%
1 tot 5 jaar 9% 69% 20% 57% 20%
5 tot 10 jaar 22% - 18% - 18%
10 tot 25 jaar 55% - 45% - 45%
25 jaar of meer 14% - 11% - 11% Gemiddelde duur (in jaren) 15 2 13 1 13 Totaal 100% 100% 100% 100% 100% (n=75650) (n=16600) (n=92250) (n=810) (n=93060)

Een dienstbetrekking is veelal een baan voor langere tijd, de gemiddelde duur is 13 jaar. De ge- middelde duur van `nieuwe' dienstbetrekkingen is langer dan die van begeleid werkplekken (res- pectievelijk 2 en 1 jaar). Minder dan de helft van de begeleid werken plekken is niet meer dan 1 jaar oud (43%), bij de dienstbetrekkingen is dat ongeveer een derde van de instroom vanaf 1998 (31%)1. Zowel bij de dienstbetrekkingen als bij de begeleid werkplekken zijn geen verschillen in gemiddelde duur tussen mannen en vrouwen.

Tabel 5.4 Omvang dienstbetrekkingen en begeleid werken eind 2001

Dienstbetrekking Begeleid Totaal Vóór 1-1-1998 Vanaf 1-1-1998 Totaal Werken Tot 10 uur <1% <1% <1% 1% <1%
10 tot 20 uur 9% 13% 10% 8% 10%
20 tot 32 uur 8% 17% 10% 26% 10%
32 tot 36 uur 4% 22% 7% 17% 7%
36 uur /40 uur (=voltijd) 80% 48% 74% 49% 74% Gemiddelde omvang (in uren) 33 31 33 31 33 Totaal 100% 100% 100% 100% 100% (n=75650) (n=16600) (n=92250) (n=810) (n=93060)


---

1 Dit hangt samen met het late opkomen en de groei van het begeleid werken.






43



Opvallend is dat de dienstbetrekkingen vanaf 1998 gemiddeld hetzelfde aantal uren (31 uur) per week kennen als de begeleid werkenplekken (31 uur). Dit ondanks het feit dat begeleid werken plekken op grond van CAO's in de betreffende bedrijfstakken meer uren kunnen bevatten dan het maximum van 36 uur per week bij de sociale werkvoorziening. Dat de begeleid werkenplekken een gemiddelde van 31 uur hebben hangt samen met de subsidieregeling van het ministerie. Het minis- terie geeft over 32 uur van een begeleid werkenplek subsidie hetgeen een reden voor de bedrijven zou kunnen zijn om het aantal uren wat begeleid werkers werken rond deze 32 uur te houden. Verder werkt men in meer dan driekwart van de dienstbetrekkingen van vóór 1998 voltijd (80%). In dienstbetrekkingen vanaf 1998 en begeleid werken plekken werkt men in circa de helft van de gevallen voltijd (respectievelijk 48% en 49%)1.

Vervolgens zijn profielen van voltijd en deeltijd werkenden met een dienstbetrekking respectieve- lijk arbeidsovereenkomst opgesteld. Gekeken is waar voltijd- en deeltijdwerkers van elkaar ver- schillen.

Tabel 5.5 Omvang dienstbetrekkingen en begeleid werken, naar persoonskenmerken2

Dienstbetrekkingen (DB) Begeleid werken (BW) Totaal Deeltijd Voltijd Totaal Deeltijd Voltijd Totaal Deeltijd Voltijd Totaal Geslacht
Man 57% 84% 76% 50% 80% 64% 57% 83% 76% Vrouw 43% 17% 24% 51% 20% 36% 43% 17% 24% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 6% 2% 3% 15% 18% 17% 7% 2% 3%
23-24 jaar 3% 2% 2% 9% 14% 11% 3% 2% 2%
25-34 jaar 17% 17% 17% 36% 28% 32% 17% 17% 17%
35-44 jaar 27% 31% 30% 22% 22% 22% 27% 31% 30%
45-54 jaar 32% 34% 33% 17% 17% 17% 31% 34% 33%
55 jaar en ouder 16% 15% 15% 2% 2% 2% 16% 15% 15% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 42,4 43,6 43,3 33,2 32,4 32,8 41,8 42,9 43,2 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 41% 42% 41% 32% 30% 31% 41% 42% 41%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 25% 31% 29% 28% 31% 29% 25% 31% 29%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 5% 4% 4% 3% 4% 3% 5% 4% 4%
3 = Psychisch gehandicapt 13% 13% 13% 2% 3% 3% 13% 13% 13%
3a = Matig psychisch gehandicapt 10% 3% 5% 29% 26% 28% 11% 3% 5%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 3% 1% 1% 6% 6% 6% 3% 1% 1%
4 = Overig 3% 7% 6% <1% <1% <1% 3% 7% 6% Arbeidshandicap
Licht 4% 2% 2% 11% 17% 14% 4% 2% 2% Matig 84% 96% 93% 69% 67% 68% 84% 96% 93% Ernstig 12% 3% 5% 21% 16% 18% 12% 3% 5% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% (n=24260) (n=67990) (n=92250) (n=410) (n=400) (n=810) (n=24670) (n=68390) (n=93060)


---

1 Onder voltijd werk wordt hier verstaan 36 uur per week of meer. Voor een bedrijfstak waar volgens de CAO voltijd werk gelijk staat aan 38 of 40 uur per week betekent dit dat ook een (deeltijd) arbeidsovereenkomst van 36 uur per week het predikaat voltijd krijgt. De Wsw-statistiek geeft echter geen informatie over de bedrijfstak van begeleid werkplekken.

2 Een tabel geslacht en arbeidshandicap naar omvang dienstbetrekkingen en begeleid werken (voltijd, deeltijd), waarin rijen optellen tot 100%, is opgenomen in bijlage 4.


44




Kenmerkend voor voltijd werkenden tegenover deeltijd werkenden is het volgende: · Voltijdwerkers zijn aanmerkelijk vaker dan deeltijdwerkers man (dienstbetrekkingen 84% tegenover 57%; begeleid werken 80% tegenover 50%). · Voltijd werkende begeleid werkers zijn jonger (32 jaar) dan deeltijd werkende begeleid wer- kers (33 jaar). Bij de dienstbetrekkingen is dit precies andersom, daar zijn de voltijd werken- den gemiddeld ouder (44 jaar) dan de deeltijd werkenden (42 jaar). · Deeltijdwerkers zijn vaker dan voltijdwerkers psychisch gehandicapt, zowel bij dienstbetrek- kingen (26% tegenover 17%) als onder begeleid werkers (37% tegenover 35%). · De deeltijders onder de begeleid werkers (90%) zijn ook vaker dan de voltijd werkenden (83%) matig tot ernstig arbeidsgehandicapt. Bij de dienstbetrekkingen zijn het vooral de `oude' werknemers die voltijd werken, hetgeen de verdeling over de arbeidshandicapcategorieën heeft beï nvloed.

Bij de dienstbetrekkingen zijn naast gegevens over duur en omvang ook gegevens beschikbaar over de inschaling van werknemers in loonschalen. In onderstaande tabel is daarbij onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen.

Tabel 5.6 Loonschaal dienstbetrekkingen eind 2001

Man Vrouw Totaal Maximaal salaris (in Euro) Wettelijk minimumloon 2,1% 4,1% 2,5% 1180 A 4,5% 11,3% 6,1% 1203 B1 of B 10,9% 24,7% 14,2% 1300 B2 12,5% 20,5% 14,4% 1314 C1 of C 19,6% 18,1% 19,3% 1446 C2 17,6% 8,9% 15,6% 1511 D1 of D 13,4% 5,1% 11,5% 1653 D2 7,6% 2,9% 6,5% 1699 E 6,8% 2,5% 5,8% 1951 F 3,0% 0,9% 2,5% 2104 G 1,4% 0,5% 1,2% 2435 H 0,3% 0,1% 0,2% 2764 I 0,1% 0,0% 0,1% 3691 Totaal 100% 100% 100% (n=70110) (n=22140) (n=92250)


5.4 Instroom en uitstroom werknemersbestand


Ten behoeve van de Wsw-statistiek worden door sw-bedrijven enkele extra gegevens geregi- streerd bij instroom in en bij uitstroom uit het werknemersbestand. Dat zijn bij degenen die in- stromen de (inkomens)situatie voorafgaand aan de instroom en bij degenen die uitstromen de reden en bestemming van de uitstroom. De profielen van de instroom in en uitstroom uit het werknemersbestand zijn opgenomen in de profieltabellen in paragraaf 4.2 (uitstroom wachtlijst),
5.1 (dienstbetrekkingen) en 5.2 (begeleid werk). Een klein aantal personen is in de meetperiode gewisseld van werkvorm zonder uitstroom uit het werknemersbestand, in absolute aantallen va- ker van dienstbetrekking naar begeleid werk dan andersom1.


---

1 Waargenomen aantallen: 41 cases waarin van werkvorm gewisseld wordt.






45




5.4.1 Instroom in het werknemersbestand


In de Wsw-statistiek wordt bij instroom in het werknemersbestand geregistreerd wat de situatie of inkomenssituatie voorafgaand aan plaatsing is geweest1.

Tabel 5.7 (Inkomens)situatie bij instroom in het werknemersbestand in 2001

Dienst- Begeleid Totaal betrekking werken Geen inkomen 8% 7% 8% Overdracht van andere gemeente 7% 3% 7% Instroom via terugkeergarantie 2% 3% 2% Inkomen uit WIW 11% 8% 11% Uitkering werkloosheid (niet Abw) 5% 9% 5% Uitkering ziekte of arbeidsongeschiktheid 38% 38% 38% Uitkering Abw, Ioaw, Ioaz 13% 11% 13% Ander inkomen (bijvoorbeeld alimentatie, studiefinanciering) 13% 13% 13% Onbekend 4% 9% 4% Totaal 100% 100% 100% (n=5520) (n=410) (n=59302)

De (inkomens)situatie voorafgaand aan plaatsing in het werknemersbestand in 2001 komt bij dienstbetrekkingen en begeleid werken plekken in grote lijnen overeen. Wel hebben begeleid wer- kers vaker een uitkering i.v.m. werkloosheid gehad (9%, tegenover 5% van de personen met een dienstbetrekking). Degenen die starten in een dienstbetrekking stromen vaker in na overdracht van een andere gemeente of WGR-verband (7%, tegenover 3% van de begeleid werkers). De grootste groep, ruim een derde, heeft voorafgaand aan plaatsing een uitkering voor ziekte of ar- beidsongeschiktheid gehad (38% bij personen met een dienstbetrekking en 38% bij begeleid wer- kers).

Omvang dienstverband bij instroom
De omvang van het dienstverband van degenen die in 2001 beginnen in een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst wijkt enigszins af van het degenen die eind 2001 tot het werknemersbe- stand behoren (dus inclusief de instroom). Zo is de gemiddelde omvang van een dienstbetrekking van degenen die in 2001 starten gemiddeld 2 uur lager (29 uur) dan de omvang van alle dienstbetrekkingen vanaf 1998 eind 2001 (31 uur; zie paragraaf 5.3). De gemiddelde omvang van de begeleid werken plekken van de starters in begeleid werk is daarentegen ook lager (30 uur) dan die van alle begeleid werken plekken eind 2001 (31 uur) (zie tabel in bijlage 4 Aanvullende tabellen).


---

1 Uit contacten met sw-bedrijven komt naar voren dat deze gegevens met name bij oudere dienstbetrekkingen vaak ontbreken. Ook registreren sw-bedrijven deze gegevens soms op een eerder moment (bij aanvraag tot indicatie) dan bij instroom in het werknemersbestand. Tussen registratie en instroom in het werknemersbestand kan de (in- komens)situatie gewijzigd zijn, met name naarmate men langer op de wachtlijst heeft gestaan.
2 Dit aantal is hoger dan het aantal personen dat vanuit de wachtlijst instroomt in het werknemersbestand omdat er bijvoorbeeld bij overdrachten tussen gemeenten personen niet per definitie via de wachtlijst in het werknemersbe- stand instromen.


46





5.4.2 Uitstroom uit het werknemersbestand


Van degenen die gedurende het 2001 zijn uitgestroomd uit het werknemersbestand is onder meer bekeken hoelang zij werkzaam zijn geweest en waarom zij uitgestroomd zijn. Wederom is bij de uitstroom uit dienstbetrekkingen een onderscheid gemaakt tussen degenen die vóór 1 januari 1998 gestart waren in een dienstbetrekking (77%) en degenen die vanaf 1 januari
1998 ingestroomd waren (23%). Deze laatste groep kan vervolgens vergeleken worden met de begeleid werkers die allen later dan 1 januari 1998 zijn begonnen. De kenmerken van de uit- stroom zijn te vinden in tabellen 5.1 en 5.2.

Tabel 5.8 Duur afgesloten dienstbetrekkingen en begeleid werken plekken

Dienstbetrekking Begeleid Gestart vóór Gestart vanaf Totaal Werken
1-1-1998 1-1-1998 Tot 1 jaar 54% 12% 63%
1 tot 5 jaar 10% 46% 18% 37%
5 tot 10 jaar 24% - 19% -
10 tot 25 jaar 50% - 38% -
25 jaar of meer 16% - 13% - Gemiddelde duur 16 jaar 1 jaar 12 jaar 1 jaar Totaal 100% 100% 100% 100% (n=3910) (n=1150 (n=5060) (n=200)

De begeleid werkers die in 2001 uitstromen hebben gemiddeld zeer kort als zodanig gewerkt (0,9 jaar), evenals de personen met een `nieuwe' dienstbetrekking (1 jaar). Dat zou erop wijzen dat diegenen die stoppen met een dienstbetrekking of een begeleid werken plek dat ook snel doen. Diegenen die in de Wsw blijven, blijven vaak ook langer. Degenen die al wat langer werkzaam waren in een dienstbetrekking (gestart vóór 1 januari 1998) hebben bij uitstroom gemiddeld 16 jaar in de sociale werkvoorziening doorgebracht.

Tabel 5.9 Omvang afgesloten dienstbetrekkingen en begeleid werken plekken

Dienstbetrekking Begeleid Gestart vóór Gestart vanaf Totaal Werken
1-1-1998 1-1-1998 Tot 10 uur <1% 1% <1% 1%
10 tot 20 uur 15% 20% 16% 5%
20 tot 32 uur 10% 19% 12% 22%
32 tot 36 uur 4% 24% 9% 18%
36 uur /40 uur (=voltijd) 70% 36% 63% 55% Gemiddelde omvang (in uren) 32 29 31 31 Totaal 100% 100% 100% 100% (n=3910) (n=1150 (n=5060) (n=200)

In vergelijking tot begeleid werkers die eind 2001 nog werkzaam zijn (31 uur) laat de uitstroom eenzelfde beeld zien.

Bij de `nieuwe' dienstbetrekkingen (gestart vanaf 1 januari 1998) zijn het vaker de in omvang klei- nere contracten die beëindigd worden. Bij de uitstroom uit een `nieuwe' dienstbetrekking is de omvang van het dienstverband namelijk gemiddeld bijna 2 uur minder (29 uur) dan die van dege- nen die eind 2001 nog werkzaam zijn (31 uur).


47



Reden van ontslag en bestemming
Van alle personen die uitstromen uit het werknemersbestand, naar elders of naar de wachtlijst van de Wsw, dienen reden van ontslag en bestemming na uitstroom te worden geregistreerd. In veel gevallen is er een logisch verband tussen de reden van het ontslag en de bestemming. Wanneer bijvoorbeeld de proeftijd afloopt (reden ontslag), zal men in de meeste gevallen terugkeren op de wachtlijst (bestemming). En bij een ontslag op eigen verzoek in verband met verhuizing (reden ontslag) zal bij de bestemming een Wsw-plaatsing in een andere gemeente/WGR-verband ge- noemd worden.

Tabel 5.10 Reden van ontslag bij uitstroom uit werknemersbestand

Dienstbetrekking Begeleid Totaal Gestart vóór Gestart vanaf 1- werken
1-1-1998 1-1998 Onvoldoende medewerking bevorderen arbeidsbekwaam- 1% 1% 2% 1% heid
Onvoldoende medewerking herindicatie < 1% < 1% - < 1% Betrokkene behoort niet langer tot doelgroep 2% 2% 4% 2% Ontslag op eigen verzoek
(bijv. keuze voor uitstroom naar regulier werk of verhuizing) 37% 38% 24% 37% Overige redenen
(o.a. dringende redenen, overlijden, 65 jaar, 2 jaar ziek) 60% 24% 32% 51% Beëindiging contract in proeftijd <1% 7% 6% 2% Aflopen overeenkomst voor bepaalde tijd <1% 28% 33% 7% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=3910) (n=1150) (n=200) (n=5260)

Zowel bij de uitstroom uit dienstbetrekkingen vanaf 1998 als uit begeleid werk is het aflopen van proeftijd of arbeidscontract voor bepaalde tijd een belangrijke reden voor uitstroom (DB vanaf 1998:
35%; BW: 39%).


Tabel 5.11 Bestemming na uitstroom uit werknemersbestand

Dienstbetrekking Begeleid Totaal Gestart vóór Gestart vanaf werken
1-1-1998 1-1-1998 Reguliere arbeid buiten WSW (doorstroom) 13% 15% 9% 13% WSW-plaatsing andere gemeente/WGR-verband 7% 10% 2% 7% Wachtlijst WSW < 1% 28% 61% 8% Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats - < 1% 1% < 1% Rea-plaatsing < 1% < 1% 1% < 1% Studie of opleiding < 1% < 1% - < 1% Uitkering ziekte of arbeidsongeschiktheid 22% 8% 3% 19% Tijdelijk ouderdomspensioen of pensioen 37% 2% - 28% Andere voorziening
(bijv. dagopvang ouderen, psychi atrische inrichting) 3% 3% 3% 3% Overige bestemmingen (o.a. overlijden) 18% 34% 22% 22% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=3910) (n=1150) (n=200) (n=5260)

Personen die uitstromen uit een dienstverband kunnen vaker verder in regulier werk buiten de Wsw (13%; 15%) dan personen die uit een begeleid werkplek komen (9%). De uitstroom uit begeleid werk


48




komt vooral terecht op de wachtlijst van de Wsw (61%), in afwachting van een nieuwe plaatsing in de Wsw. Van degenen die vanaf 1 januari 1998 zijn gestart in een dienstbetrekking en inmid- dels weer uitstromen keert eveneens een aanzienlijk deel terug naar de wachtlijst (28%). De uitstromers die vóór 1 januari 1998 waren gestart in een dienstbetrekking gaan vooral met (pre)pensioen (37%) of belanden in de WAO (22%).


5.4.3 Terugkeergarantie


Een interessante groep zijn de personen die uit de Wsw gaan maar die binnen een bepaalde pe- riode weer terugkeren in de Wsw. Voor deze mensen is de terugkeergarantie in het leven geroe- pen. Terugkeergarantie houdt in dat personen, indien zij uitstromen uit de Wsw en vervolgens onvrijwillig werkloos worden, het recht hebben om binnen 3 jaar weer terug te keren in de Wsw. Bij terugkeer worden zij dan met voorrang weer op de wachtlijst geplaatst.

In 2001 zijn circa 120 personen ingestroomd met een terugkeergarantie. Om te kijken of dit een specifieke groep betreft, is in tabel 5.12 het profiel van de personen die zijn ingestroomd met een terugkeergarantie afgezet tegen instroom zonder terugkeergarantie in 2001. Daarnaast is ook het profiel van de uitstroom in 2001 weergegeven, exclusief de personen die weer zijn ingestroomd met een terugkeergarantie.

Tabel 5.12 Terugkeergarantie

Instroom via Instroom zonder Uitstroom exclusief terugkeergarantie terugkeergarantie terugkeergarantie Geslacht
Man 75% 64% 78% Vrouw 25% 36% 22% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 9% 24% 3%
23-24 jaar 7% 6% 2%
25-34 jaar 32% 21% 14%
35-44 jaar 34% 25% 20%
45-54 jaar 16% 20% 20%
55 jaar en ouder 2% 4% 41% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 35,1 34,1 47,8 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 31% 28% 47%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 31% 26% 22%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 7% 5% 4%
3 = Psychisch gehandicapt 11% 2% 14%
3a = Matig psychisch gehandicapt 14% 30% 5%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 2% 9% 2%
4 = Overig 5% 1% 6% Arbeidshandicap
Licht 4% 12% 2% Matig 79% 56% 93% Ernstig 17% 32% 5% Totaal 100% 100% 100% (n=120) (n=5600) (n=4490)


49



Kenmerkend voor personen die instromen via terugkeergarantie is het volgende: · Vergeleken bij de instroom zonder terugkeergarantie stromen relatief meer mannen in via te- rugkeergarantie (75% van de instroom via terugkeergarantie is man tegen 64% van de in- stroom zonder terugkeergarantie). Qua geslacht is de verdeling van terugkeerders nagenoeg gelijk aan de personen die in 2001 uitstromen zonder terug te keren. · De instromers met terugkeergarantie zijn voornamelijk in de leeftijd tussen de 25 en 45 jaar (66%) terwijl de instromers zonder terugkeergarantie gemiddeld iets jonger zijn (46% in de leeftijd tussen 25 en 45). De uitstromers die niet terugkeren zijn gemiddeld flink ouder dan de personen die wel terugkeren (47,8 jaar tegen 35,1 jaar). · De grootste groep die terug keert zijn lichamelijk (31%) en licht verstandelijk gehandicapten (31%). Van de instroom exclusief terugkeergarantie zijn de grootste groepen de lichamelijk gehandicapten en de matig psychisch gehandicapten (28% en 30%). Van de uitstroom exclu- sief terugkeergarantie vormen de lichamelijk gehandicapten en de licht verstandelijk gehandi- capten de grootste groepen.
· Wat betreft de arbeidshandicap, hierbij vormen de matig arbeidsgehandicapten bij de instro- mers inclusief terugkeergarantie de grootste groep (79%). Bij de overige twee groepen is dat ook zo, echter bij instroom zonder terugkeergarantie is dit percentage een stuk kleiner (56%) en bij de uitstroom exclusief terugkeergarantie is dit bijna het totale aantal (93%).


50





6 Vergelijking van groepen

In voorgaande hoofdstukken is per hoofdstuk een onderdeel van de Wsw beschreven. In dit hoofdstuk worden enkele uitkomsten uit de eerdere hoofdstukken over eerste indicaties, wacht- lijst, dienstbetrekkingen en begeleid werken bijeen genomen. De profielen van de belangrijkste groepen uit voorgaande hoofdstukken zijn naast elkaar gelegd.

De groepen die vergeleken worden zijn van de eerste indicatiebesluiten degenen die tot de doel- groep behoren (uit paragraaf 3.1), degenen die eind 2001 op de wachtlijst staan (uit paragraaf
4.1), de stand eind 2001 van de dienstbetrekkingen (uit paragraaf 5.1) en de stand van de bege- leid werkers (uit paragraaf 5.2) eind 2001. Bij de dienstbetrekkingen zijn twee groepen opgeno- men, namelijk alle dienstbetrekkingen tezamen en apart de dienstbetrekkingen die gestart zijn na
1 januari 1998. Dit omdat in veel gevallen de `nieuwe' dienstbetrekkingen beter vergelijkbaar zijn met de andere groepen dan alle dienstbetrekkingen tezamen. De groepen worden vergeleken per kenmerk van de eerder opgenomen profielen, een vergelijking dus van achtereenvolgens de kenmerken geslacht, leeftijd, handicapcodes en arbeidshandicap1.


6.1 Geslacht


Allereerst is de verhouding tussen mannen en vrouwen van de verschillende groepen naast el- kaar gelegd. De percentages in de grafieken tellen per balk op tot 100%.

Grafiek 6.1 Eerste indicatie (doelgroep en totaal) en stand eind 2001 van wachtlijst, dienstbe- trekkingen (totaal en vanaf 1 januari 1998) en begeleid werken: geslacht

Man Vrouw


64% 36% begeleid werken

66% 34% dienstbetrekkingen vanaf 1-1-1998

76% 24% dienstbetrekkingen (totaal)

64% 36% wachtlijst

63% 37% eerste indicatie (doelgroep)

63% 37% eerste indicatie (totaal)

0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%

In bovenstaande grafiek is duidelijk dat het werknemersbestand vooral bestaat uit mannen. Met name bij alle dienstbetrekkingen tezamen is dit evident (76%). Gezien de omvang van het aantal dienstbetrekkingen en het geringe verloop zal de verhouding tussen mannen en vrouwen slechts langzaam veranderen. Maar ook bij de begeleid werkers en dienstbetrekkingen gestart vanaf 1 januari 1998, is het aandeel mannen nog iets groter of even groot (64%, 66%) dan op de wachtlijst (64%) en onder de nieuwe aanwas van de wachtlijst (63%). Mogelijk zijn vrouwen minder vaak dan mannen geplaatst vanaf de wachtlijst of stromen zij eerder uit het werknemersbestand.
---

1 Tabel waarop deze paragraaf is gebaseerd is opgenomen in bijlage 4. Bij leeftijd is uitgegaan van de gemiddelde leeftijd. Bij de overige kenmerken is uitgegaan van percentages, optellend tot 100%.


51




6.2 Leeftijd


Van het kenmerk leeftijd zijn de gemiddelde leeftijden van de verschillende groepen naast elkaar gelegd.

Grafiek 6.2 Eerste indicatie (doelgroep en totaal) en stand eind 2001 van wachtlijst, dienstbetrek- kingen (totaal en vanaf 1 januari 1998) en begeleid werken: gemiddelde leeftijd (in jaren)

begeleid werken 33

dienstbetrekkingen vanaf 1-1-1998 36

dienstbetrekkingen (totaal) 43

wachtlijst 36

eerste indicatie (doelgroep) 35

eerste indicatie (totaal) 34

0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 50

Uiteraard is de gemiddelde leeftijd van de groep met een dienstbetrekking het hoogst (43 jaar). Dit onderdeel van de Wsw bestaat het langst en de uitstroom is relatief laag. Wat vooral opvalt is dat de begeleid werkers gemiddeld 3 jaar jonger zijn (33 jaar) dan degenen die in dezelfde periode zijn gestart in een dienstbetrekking (sinds 1 januari 1998; 36 jaar), dege- nen die op de wachtlijst staan (36 jaar) en degenen die in het tweede halfjaar van 2000 zijn toegelaten tot de doelgroep (nieuwe instroom, 35 jaar). De gemiddelde leeftijd van personen op de wachtlijst en degenen met een `nieuwe' dienstbetrekking is vrijwel gelijk.


6.3 Type handicap


Ten behoeve van de overzichtelijkheid en vergelijkbaarheid van de handicapcodes is het aantal categorieën in onderstaande grafiek teruggebracht tot vier. De categorie `overig' is afkomstig uit de `oude' codering van vóór 1 januari 1998 en werd destijds gebruikt voor personen die niet in de overige categorieën pasten en dan vooral voor zogeheten sociaal gehandicapten.

Grafiek 6.3 Eerste indicatie (doelgroep en totaal) en stand eind 2001 van wachtlijst, dienst- betrekkingen (totaal en vanaf 1 januari 1998) en begeleid werken: handicapcode

lichamelijk verstandelijk psychisch overig

begeleid werken 31% 33% 36% 1%

dienstbetrekkingen vanaf 1-1-1998 32% 32% 34% 1%

dienstbetrekkingen (totaal) 41% 33% 19% 6%

wachtlijst 34% 24% 42% 1%

eerste indicatie (doelgroep) 28% 27% 46% 1%

eerste indicatie (totaal) 36% 23% 40% 1%

0% 20% 40% 60% 80% 100%


52




In de nieuwe aanwas voor de doelgroep van de Wsw is het aandeel verstandelijk gehandicapten, in vergelijking tot de overige groepen, aanzienlijk kleiner (27%). Het aandeel psychisch gehandi- capten onder degenen die in 2001 zijn toegelaten tot de doelgroep en onder degenen op de wachtlijst is hoog (46% en 42%) terwijl dit in het werknemersbestand laag is (DB totaal: 19%; DB vanaf 1998: 34%; BW: 36%). Met name bij begeleid werkers en dienstbetrekkingen vanaf 1 ja- nuari 1998 is dit opvallend. In het verleden (voor inwerkingtreding van de nWsw) was het aandeel psychisch gehandicapten dat zich aanmeldde voor de Wsw lager dan nu. Hun aandeel in de in- stroom in de wachtlijst is hoger dan in de uitstroom, waardoor het aandeel psychisch gehandicap- ten op de wachtlijst stijgt (zie paragraaf 4.1).

Het aandeel verstandelijk gehandicapten daarentegen is in het werknemersbestand aanmerkelijk hoger (DB: 33% en BW: 32%) dan op de wachtlijst (24%). Verstandelijk gehandicapten stromen snel door vanaf de wachtlijst naar het werknemersbestand en hun aandeel in de uitstroom uit het werknemersbestand is relatief laag (zie paragraaf 4.1 en 5.1).


6.4 Arbeidshandicap


De groep dienstbetrekkingen bestaat met name uit dienstbetrekkingen aangegaan vóór 1998. Deze groep heeft overwegend de arbeidshandicapcategorie `matig' gekregen, met uitzondering van visueel gehandicapten die de arbeidshandicapcategorie `ernstig' hebben gekregen. Vanzelf- sprekend is daardoor het aandeel `matig' arbeidsgehandicapten hoog bij alle dienstbetrekkingen tezamen. De overige groepen bestaan vooral uit personen die sinds 1 januari 1998 volgens de nWsw zijn geï ndiceerd. Deze groepen zijn met elkaar te vergelijken. Grafiek 6.4 Eerste indicatie (doelgroep en totaal) en stand eind 2001 van wachtlijst, dienst- betrekkingen (totaal en vanaf 1 januari 1998) en begeleid werken: arbeidshandicap

licht matig ernstig

begeleid werken 14% 68% 18%

dienstbetrekkingen vanaf 1-1-1998 15% 59% 26%

dienstbetrekkingen (totaal) 2% 93% 5%

wachtlijst 13% 56% 31%

eerste indicatie (doelgroep) 11% 56% 32%

eerste indicatie (totaal) 11% 56% 32%

0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%

Het aandeel ernstig arbeidsgehandicapten onder begeleid werkers is klein (18%) in vergelijking tot de dienstbetrekkingen na 1 januari 1998 (26%), de wachtlijst (31%) en nieuw toegelatenen tot de Wsw (32%). Ook de dienstbetrekkingen vanaf 1 januari 1998 blijven achter wat betreft het aandeel ernstig arbeidsgehandicapten, in vergelijking tot de wachtlijst en de nieuwe aanwas. Het is echter niet zo dat vooral licht arbeidsgehandicapten in het werknemersbestand terecht komen (op wachtlijst 13%, bij `nieuwe' dienstbetrekkingen 15% en in begeleid werk 14%).


53



Het zijn met name de matig arbeidsgehandicapten die sinds 1998 in het werknemersbestand zijn opgenomen (DB vanaf 1998: 59% en BW: 68%, tegenover 56% op de wachtlijst). Het lage aan- deel `ernstig' arbeidsgehandicapten onder begeleid werkers wordt, vergeleken met de `nieuwe' dienstbetrekkingen, volledig gecompenseerd door een hoger aandeel `matig' arbeidsgehandicap- ten.


54




Bijlage 1 Uitvoering en responsverantwoording 4e meting

Uitvoering van de Wsw-statistiek
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft Research voor Beleid aan- gewezen als uitvoerder en beheerder van de Wsw-statistiek. Voorafgaand aan het verwerken van gegevens van de Wsw-statistiek en rapportage hierover heeft Research voor Beleid een aantal voorbereidende activiteiten uitgevoerd. Onder alle gemeenten en sw-bedrijven is een inventarisa- tie gedaan om te achterhalen welke partijen op welke wijze betrokken zijn bij de uitvoering van de Wsw en wie gegevens voor de Wsw-statistiek zou gaan aanleveren. Betrokken partijen zijn op de hoogte gebracht van de inhoud van de statistiek en de specificaties voor aanlevering van gege- vens. Tevens is overleg gevoerd met softwareleveranciers van veel gebruikte pakketten in de so- ciale werkvoorziening. De meeste van deze softwareleveranciers hebben exportmodules toegevoegd, speciaal bedoeld voor de Wsw-statistiek.

Respondenten
Gemeenten zijn bestuurlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wsw. Zij kunnen die ver- antwoordelijkheid overdragen aan een samenwerkingsverband van gemeenten conform de Wet Gemeenschappelijke Regelingen (WGR). De feitelijke uitvoering van de Wsw wordt over het al- gemeen verricht door sw-bedrijven. Het beheer van de wachtlijsten berust, afhankelijk van ge- maakte keuzes door gemeenten, bij gemeenten zelf of bij WGR-verbanden. Ook de activiteiten rond het begeleid werken kunnen al dan niet uitbesteed zijn aan een aparte organisatie. Met de zelfstandige gemeenten en WGR-verbanden zijn afspraken gemaakt over de aanlevering van bestanden voor de Wsw-persoonsstatistiek. Allen lieten de aanlevering van bestanden over aan de sw-bedrijven die voor hen de Wsw uitvoerden. Doordat een aantal sw-bedrijven de gege- vens van meerdere zelfstandige gemeenten verwerkt kwam het aantal te leveren organisaties uit op 94 sw-bedrijven. Van al deze 94 organisaties is bij de vierde meting over het tweede halfjaar van 2001 één of meerdere bestanden ontvangen.

Responsverantwoording
Zes weken na afloop van de meetperiode (deadline 15 februari) hadden alle sw-bedrijven een bestand geleverd aan Research voor Beleid.

Een deel van de organisaties bleek nog moeite te hebben met het leveren van een bestand van voldoende kwaliteit. Van bijna tweederde van de 94 sw-bedrijven is een eerste versie van een aangeleverd bestand van voldoende kwaliteit bevonden voor verdere verwerking (63 eerste ver- sies). De overige organisaties hebben dus meer dan één versie van het gevraagde bestand gele- verd omdat een eerdere versie (veel) fouten en/of item nonrespons bevatte. Om zoveel mogelijk bestanden van voldoende kwaliteit mee te kunnen nemen in de analyse hebben organisaties tot uiterlijk 1 april 2002 de gelegenheid gehad een verbeterde versie te leveren. Totaal zijn 139 be- standen bekeken door Research voor Beleid (1e, 2e, 3e en 4e versies), dat is gemiddeld 1,47 be- standen per leverende organisatie.


55



Tabel B1.1 Aantal geleverde bestanden per sw-bedrijf

Aantal sw-bedrijven Totaal aantal bestanden
1 versie 63 45
2 versies 21 42
3 versies 6 18
4 versies 4 16 totaal 94 139

De meeste organisaties leverden gegevens over indicaties, wachtlijst, dienstbetrekkingen en ar- beidsovereenkomsten begeleid werken in één bestand. Een enkele organisatie heeft deelbestan- den geleverd die vervolgens door Research voor Beleid zijn gematchd en ontdaan van onterechte dubbelen. Dit was het geval bij aparte bestanden van enerzijds indicaties en wachtlijst en ander- zijds dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten begeleid werken waarbij de organisaties zelf (nog) niet de matching konden uitvoeren.

Waargenomen aantallen in de Wsw-statistiek tweede halfjaar 2001 Er zijn deze meting geen organisaties uitgesloten van verdere analyse. Van 89 organisaties is een `laatste' versie van de aangeleverde bestanden van voldoende kwaliteit bevonden om nader te analyseren. Van de overige 5 organisaties is geen verbeterde versie van voldoende kwaliteit ontvangen maar zijn soms aanvullingen en reparaties aangebracht in het laatst geleverde be- stand om deze alsnog op te kunnen nemen in de analyse.

Vergelijking Persoonsstatistiek en Voorlopige Volume Opgave Voorheen werd er een controle op de persoonstatistiek uitgevoerd aan de hand van de Jaarstatis- tiek. Door de vergelijking van de Jaarstatistiek met de persoonsstatistiek kon helderheid worden verschaft of de persoonsstatistiek (en de Jaarstatistiek) wel volledig waren. Vanaf dit jaar wordt de Jaarstatistiek echter niet meer uitgevoerd en is alleen de Voorlopige Volume Opgave nog be- schikbaar. Uit de vergelijking van de Persoonsstatistiek met de VVO is gebleken dat er op een tweetal kenmerken of te weinig gegevens in de persoonsstatistiek zitten of teveel gegevens in de VVO. Zo is er een verschil in aantal personen op de wachtlijst ultimo vierde kwartaal van 150 personen en een verschil van 250 personen in uitstroom uit het werknemersbestand. Voor deze verschillen hebben wij echter niet gecorrigeerd. De redenen daarvoor zijn de volgende: Het is las- tig de persoonsstatistiek voor bijvoorbeeld het verschil in personen op de wachtlijst ultimo vierde kwartaal te corrigeren omdat niet bekend is of dit verschil wordt veroorzaakt doordat er te weinig instromers in de statistiek zitten, te veel uitstromers of juist een combinatie van deze twee. Een tweede reden is dat de VVO, zoals de naam al zegt, voorlopige opgaven zijn en deze nog kunnen afwijken van de definitieve opgaven.
Koppeling bestanden eerste en tweede halfjaar 2001. In tegenstelling tot het jaar 2000, waar het bestand van het eerste halfjaar nog van onvoldoende kwaliteit was, is er in 2001 een jaarbestand opgeleverd. Aan de hand van dit jaarbestand zijn de in dit rapport vermelde tabellen gegenereerd. Om tot een jaarbestand te komen zijn een tweetal stappen nodig: Eerst moeten de halfjaarbestanden apart worden opgeschoond en aan elkaar ge- plakt, vervolgens dienen de bestanden naadloos op elkaar aan te sluiten. Met een naadloze aan- sluiting wordt bedoeld dat personen die op de eindstand van het eerste halfjaar op bijvoorbeeld de wachtlijst staan, ook aan het begin van het tweede halfjaar op de wachtlijst moeten staan.


56




Voor de dienstbetrekkingen en de begeleid werkers geldt dat uiteraard ook. Een aantal oorzaken voor een niet naadloze aansluiting kunnen zijn:
· Personen worden door bijvoorbeeld een fout in de exportsoftware in het ene halfjaar niet aangeleverd en in het andere halfjaar wel.
· Personen stromen in bijvoorbeeld het eerste halfjaar uit maar er wordt geen datum uitdienst aangeleverd.
· Personen verhuizen van de ene gemeente naar de andere gemeente en wordt ten onrechte twee maal, als zijnde in dienst of op de wachtlijst, aangeleverd.

Ondanks dat er bij de bestandscontrole scherper gelet is op een aansluiting tussen de twee half- jaren bleken er zich nog een aantal van bovengenoemde problemen voor te doen. Uiteindelijk zijn alle verschillen tussen de twee halfjaren opgelost en is er sprake van een naadloze aansluiting tussen de beide halfjaarbestanden.


57




58




Bijlage 2 Volledigheid van de gegevens 4e meting

De huidige rapportage betreft de vierde meting van de Wsw-persoonsstatistiek. Wederom is sprake van een verbetering van de kwaliteit en de volledigheid van de aangeleverde gegevens ten opzich- te van de vorige meting, maar duidelijk minder groot dan tussen de eerste en de tweede meting. Bij de historische gegevens blijft er - ook na vier metingen - sprake van een hogere item-nonrespons. En soms levert een correcte combinatie van verschillende kenmerken nog problemen op.

In onderstaande tabel is per kenmerk aangegeven hoeveel procent van de aangeleverde gegevens ontbreekt of fouten bevat bij alle uitgevoerde metingen. De kenmerken 14 t/m 27 zijn gerelateerd aan het aantal indicatiebesluiten vanaf 1-1-1998, de kenmerken 28 t/m 30b aan de instroom in het werknemersbestand vanaf 1-1-1989, kenmerken 31 t/m 35 aan het aantal dienstbetrekkingen, kenmerken 36 t/m 38 aan het aantal begeleid werken-plekken en kenmerken 39 t/m 41 aan de uit- stroom uit het werknemersbestand.
Van de vierde meting zijn tevens dezelfde gegevens opgenomen van het bestand waarmee de ana- lyses worden uitgevoerd, dus na controle en eventueel reparatie van de aangeleverde gegevens (geschoond bestand).

Tabel B2.1 Omvang fouten en ontbrekende gegevens


1e meting 2e meting 3e meting 4e meting 4e meting (geschoond (geschoond bestand) bestand) Persoonsgegevens
(5) datum invoering administratie 1% <1% nihil Nihil nihil (6) registratienummer niet niet niet Niet niet verplicht verplicht verplicht Verplicht verplicht (7) sofi-nummer <1% nihil nihil Nihil 0 (8) geboortedatum <1% nihil nihil Nihil nihil (9) geslacht nihil nihil 0 0 0 (10) gemeente van inschrijving 8% <1% nihil <1% <1% (11, 12, 13) handicapcode 1, 2, 3 13% 4% 4% 3% 3% Advies indicatie
(14) datum van aanvraag tot indicatie 30% 5% 1% 2% <1% (15) aanleiding advisering <1% nihil 2% Nihil Nihil (16) datum advies 7% 1% 2% <1% <1% Indicatiebesluit
(17) datum indicatiebesluit ontbreekt terecht of ont erecht 15% 3% 3% 2% 1% (18) besluit doelgroep 2% <1% nihil Nihil Nihil (19) overeenstemming advies indicatiecommissie 1% <1% nihil Nihil Nihil (20) besluit arbeidshandicap 11% <1% nihil Nihil Nihil (21) overeenstemming advies indicatiecommissie 5% nihil nihil Nihil Nihil (22) besluit werkvorm 2% <1% <1% Nihil Nihil (23) overeenstemming advies indicatiecommissie 1% nihil nihil Nihil Nihil (24) besluit scholing 1% <1% <1% Nihil Nihil (25) overeenstemming advies indicatiecommissie <1% <1% <1% Nihil Nihil (26) besluit ontslag 1% 1% nihil Nihil Nihil (27) overeenstemming advies indicatiecommissie <1% <1% nihil Nihil Nihil


59




1e meting 2e meting 3e meting 4e meting 4e meting (geschoond (geschoond bestand) bestand) Wachtlijst
(28) datum instroom wachtlijst 41% 18% 8% 4% 4% (29) datum uitstroom wachtlijst 30% 13% 8% 6% 3% wachtlijstgegevens ontbreken van instroom werk- 2% 3% 1% nihil nemersbestand vanaf 1998 excl. inkomen=overdracht Instroom in werknemersbestand
(30a) (inkomens -) situatie bij instroom werknemersbestand 21% 16-27% 7-15% 7% 7% (30b) uitkering ziekte of arbeidsongeschiktheid 1% 1% <1% Nihil Nihil inkomen ontbreekt/onbekend van instroom werkne- 6-9% 4-6% mersbestand vanaf 1998
inkomen ontbreekt/onbekend van instroom werkne- 5-9% 5-9% mers-bestand in meetperiode
Dienstbetrekking
(31) begindatum dienstbetrekking nihil nihil Nihil (32) einddatum dienstbetrekking 0 nihil 0 (33) loonschaal 4% 1% <1% nihil Nihil (34) salarisregel 19% 5% 3% 2% 2% (35) aantal uren per week werkzaam <1% <1% nihil Nihil Nihil Arbeidsovereenkomst
(36) begindatum arbeidsovereenkomst nihil Nihil Nihil (37) einddatum arbeidsovereenkomst 0 0 0 (38) aantal uren per week werkzaam nihil 3% 4% Nihil Nihil Uitstroom uit werknemersbestand (39) datum uitstroom werknemersbestand nihil Nihil Nihil (40) reden ontslag uit werknemersbestand 14% 3% 1% Nihil Nihil (41) bestemming uitstroom uit werknemersbestand 15% 4% 3% Nihil nihil
* Nihil betekent in deze tabel kleiner dan een half procent.
** Inclusief nieuw gedefinieerde fouten m.i.v. de 3e meting.
*** Inclusief exportfout i.v.m. einddatum wachtlijst
Ontbreken van gegevens
Ten opzichte van de voorgaande meting is de item non-respons in de meeste gevallen verder afge- nomen.

De gegevens die vooral nog ontbreken betreffen vooral de historische gegevens van de wachtlijst (kenmerk 28-29) en van het inkomen voorafgaand aan instroom in het werknemersbestand (ken- merk 30a). Ook de kenmerken die pas later in de registraties van sw-bedrijven zijn opgenomen of op een andere wijze dan voorheen geregistreerd dienden worden vertonen nog een relatief hogere item non-respons. Bijvoorbeeld meerdere handicapcodes (kenmerk 11, 12, 13), inkomen vooraf- gaand aan instroom in het werknemersbestand vanaf 1998 (kenmerk 30a) en bestemming van uit- stroom uit het werknemersbestand (kenmerk 40, 41).


60




Bijlage 3 Kenmerken uitvoerende organisaties

Het aantal sw-bedrijven varieert sterk per provincie, evenals het aantal zelfstandige gemeenten en WGR-verbanden. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen per provincie. De provin- cie-indeling is afgeleid van de UO-nummers van de zelfstandige gemeenten en WGR-verbanden. Flevoland heeft geen `eigen' UO-nummers maar valt onder Noord-Holland en Overijssel.

Tabel B3.1 Aantal sw-bedrijven respectievelijk aantal zelfstandige gemeenten en WGR- verbanden, per provincie, situatie begin 2001

Aantal Zelfstandige gemeenten sw-bedrijven en WGR-verbanden Aantal zelfstan- Aantal WGR- Totaal aantal dige gemeenten verbanden Groningen 8 2 6 8 Friesland 6 1 5 6 Drenthe 3 1 3 4 Overijssel 10 3 8 11 Gelderland 9 - 9 9 Utrecht 6 5 5 10 Noord-Holland 10 3 8 11 Zuid-Holland 19 16 12 28 Zeeland 4 1 3 4 Noord-Brabant 11 9 8 17 Limburg 9 - 8 8 Totaal 95 41 75 116

In vergelijking tot het jaar 2000 waren er, als gevolg van gemeentelijke herindelingen, drie zelf- standige gemeenten minder waarover gegevens verwacht werden.

De 95 sw-bedrijven dienden in 2001 gegevens te leveren over totaal 116 zelfstandige gemeenten en WGR-verbanden. In het bestand over 2001 zijn 114 zelfstandige gemeenten/WGR-verbanden aanwezig. Eén zelfstandige gemeente had geen gegevens over indicaties, wachtlijst of werkne- mersbestand om aan te leveren. En twee zelfstandige gemeenten hebben onder hetzelfde UO- nummer aangeleverd als een andere zelfstandige gemeente/WGR-verband, omdat onduidelijk- heid bestond over het UO-nummer waaronder gegevens aangeleverd dienden te worden. De ge- gevens waren achteraf niet meer te scheiden. En één WGR-verband heeft na een fusie gegevens aangeleverd onder de twee `oude' UO-nummers omdat zij op dat moment nog niet over een nieuw UO-nummer beschikten.


61




62




Bijlage 4 Aanvullende tabellen

Tabellen behorend bij paragraaf 3.1 Eerste indicaties

Tabel B4.1 Eerste indicatiebesluiten in 2001: doelgroepbesluit en geslacht naar persoonsken- merken en provincie

Totaal Doelgroep Onderzijde Bovenzijde Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Geslacht
Man 63% X X 63% X X 61% X X 63% Vrouw 37% X X 37% X X 39% X X 37% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 23% 23% 27% 24% 38% 38% 38% 6% 11% 8%
23-24 jaar 4% 4% 5% 5% 3% 5% 4% 2% 2% 2%
25-34 jaar 19% 20% 20% 20% 18% 15% 17% 16% 20% 17%
35-44 jaar 27% 25% 26% 25% 21% 23% 22% 33% 32% 33%
45-54 jaar 24% 23% 20% 22% 18% 16% 17% 35% 31% 33%
55 jaar en ouder 4% 5% 2% 4% 2% 3% 3% 8% 5% 7% Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 36% 27% 29% 28% 41% 58% 47% 86% 83% 85%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 20% 21% 25% 22% 14% 10% 13% 2% 3% 2%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 4% 4% 4% 4% 13% 14% 13% - 1% 0%
3 = Psychisch gehandicapt 1% 1% <1% 1% 1% - 1% 1% - 0%
3a = Matig psychisch gehandicapt 30% 35% 32% 34% 16% 11% 14% 11% 13% 12%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 10% 12% 9% 11% 14% 5% 11% <1% 1% <1%
4 = Overig 1% 1% 1% 1% 1% 2% 1% <1% <1% <1% Provincie
Groningen 7% 8% 7% 8% 1% 3% 2% 5% 5% 5% Friesland 5% 6% 5% 5% 6% 4% 6% 5% 3% 4% Drenthe 5% 4% 5% 4% 2% 2% 2% 7% 10% 8% Overijssel 8% 9% 8% 8% 15% 13% 14% 6% 6% 6% Gelderland 12% 13% 12% 13% 13% 11% 13% 8% 9% 8% Utrecht 4% 5% 5% 5% 6% 4% 5% 1% 1% 1% Noord-Holland 10% 11% 10% 11% 14% 16% 15% 5% 6% 5% Zuid-Holland 13% 13% 14% 13% 12% 6% 10% 13% 10% 12% Zeeland 3% 3% 3% 3% 3% 5% 4% 3% 5% 4% Noord-Brabant 19% 17% 21% 19% 13% 19% 16% 23% 21% 22% Limburg 13% 12% 8% 11% 14% 17% 15% 25% 24% 25% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%


63



Tabel B4.2 Eerste indicatiebesluiten in 2001: arbeidshandicap en geslacht, naar leeftijd

Licht Matig Ernstig Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal man Vrouw Totaal Jonger dan 23 jaar 5% 8% 6% 21% 26% 23% 32% 35% 33%
23-24 jaar 2% 3% 3% 4% 6% 5% 4% 5% 5%
25-34 jaar 13% 15% 13% 21% 20% 21% 22% 22% 22%
35-44 jaar 28% 37% 31% 26% 27% 26% 23% 20% 22%
45-54 jaar 41% 31% 37% 23% 19% 22% 16% 17% 16%
55 jaar en ouder 11% 5% 9% 4% 2% 3% 3% 1% 2% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Tabel B4.3 Eerste indicatiebesluiten in 2001: arbeidshandicap, naar handicapcode Licht Matig Ernstig
1 = Lichamelijk gehandicapt 84% 24% 17%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 3% 24% 26%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt <1% 2% 7%
3 = Psychisch gehandicapt <1% 1% 1%
3a = Matig psychisch gehandicapt 12% 45% 20%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt <1% 3% 28%
4 = Overig <2% 1% 1% Totaal 100% 100% 100% Tabel B4.4 Eerste indicatiebesluiten in 2001: leeftijd, naar handicapcode < 23 jaar 23-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-65 jaar
1 = Lichamelijk gehandicapt 21% 23% 30% 40% 50% 65%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 41% 27% 13% 12% 12% 11%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 9% 4% 3% 2% 1% 1%
3 = Psychisch gehandicapt 0% 0% 1% 1% 0% 0%
3a = Matig psychisch gehandicapt 22% 33% 40% 33% 28% 18%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 7% 12% 13% 11% 8% 4%
4 = Overig 0% - 1% 1% 1% - Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100%


64




Tabellen behorend bij paragraaf 4.1 Kenmerken deelnemers op de wachtlijst Tabel B4.5 Stand eind 2001 wachtlijst: geslacht naar persoonskenmerken en provincie Man Vrouw Totaal Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 15% 19% 17%
23-24 jaar 4% 7% 5%
25-34 jaar 22% 24% 23%
35-44 jaar 29% 27% 28%
45-54 jaar 25% 21% 23%
55 jaar en ouder 5% 3% 4% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 36,9 34,9 36,2 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 34% 32% 33%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 17% 22% 19%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 3% 2% 3%
3 = Psychisch gehandicapt <1% 1% 1%
3a = Matig psychisch gehandicapt 33% 33% 33%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 13% 10% 12%
4 = Overig 1% <1% 1% Arbeidshandicap
Licht 15% 11% 13% Matig 54% 59% 56% Ernstig 31% 30% 31% Provincie
Groningen 7% 7% 7% Friesland 5% 5% 5% Drenthe 5% 7% 6% Overijssel 8% 8% 8% Gelderland 10% 11% 10% Utrecht 5% 6% 5% Noord-Holland 11% 9% 10% Zuid-Holland 14% 15% 14% Zeeland 3% 3% 3% Noord-Brabant 16% 19% 17% Limburg 16% 12% 14% Totaal 100% 100% 100% (n=3460) (n=1940) (n=5400)


65



Tabel B4.6 Stand eind 2001 wachtlijst: arbeidshandicap en geslacht, naar leeftijd

Licht Matig Ernstig Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Jonger dan 23 jaar 3% 5% 3% 15% 18% 16% 22% 25% 23%
23-24 jaar 1% 5% 2% 5% 7% 6% 5% 6% 6%
25-34 jaar 11% 21% 14% 24% 24% 24% 24% 25% 24%
35-44 jaar 33% 27% 31% 28% 28% 28% 27% 25% 27%
45-54 jaar 39% 38% 39% 24% 21% 23% 18% 17% 18%
55 jaar en ouder 13% 5% 10% 5% 2% 4% 2% 2% 2% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Tabel B4.7 Stand eind 2001 wachtlijst: arbeidshandicap, naar handicapcode Licht Matig Ernstig
1 = Lichamelijk gehandicapt 87% 28% 21%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 3% 22% 19%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt - 1% 6%
3 = Psychisch gehandicapt <1% <1% <1%
3a = Matig psychisch gehandicapt 9% 45% 21%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt <1% 3% 32%
4 = Overig <1% 1% <1% Totaal 100% 100% 100% Tabel B4.8 Stand eind 2001 wachtlijst: leeftijd, naar handicapcode < 23 jaar 23-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-65 jaar
1 = Lichamelijk gehandicapt 16% 24% 26% 35% 46% 63%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 43% 30% 14% 12% 13% 9%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 8% 4% 2% 1% 1% -
3 = Psychisch gehandicapt <1% - 1% 1% 1% 0%
3a = Matig psychisch gehandicapt 26% 29% 40% 36% 31% 25%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 8% 13% 16% 14% 9% 3%
4 = Overig <1% - 1% 1% <1% - Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100%


66




Tabellen behorend bij paragraaf 5.1 Profiel deelnemers met een dienstbetrekking

Tabel B4.9 Stand eind 2001 dienstbetrekkingen: `oude' en `nieuwe' dienstbetrekkingen en ge- slacht naar persoonskenmerken

Dienstbetrekking Dienstbetrekking Totaal vóór 1 januari 1998 vanaf 1 januari 1998 Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Geslacht
Man X X 79% X X 65% X X 76% Vrouw X X 21% X X 35% X X 24% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 0% 0% 0% 15% 18% 16% 3% 5% 3%
23-24 jaar 1% 1% 1% 7% 9% 8% 2% 3% 2%
25-34 jaar 13% 24% 15% 23% 25% 24% 14% 24% 17%
35-44 jaar 30% 36% 31% 24% 25% 25% 29% 33% 30%
45-54 jaar 37% 29% 36% 24% 20% 22% 35% 26% 33%
55 jaar en ouder 20% 10% 18% 6% 3% 5% 18% 8% 15% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 45,8 41,8 45,0 36,6 34,3 35,8 44,3 39,8 43,3 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 47% 32% 44% 32% 30% 31% 44% 32% 41%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 27% 41% 30% 25% 30% 27% 27% 38% 29%
2b = Matig verstandelijk gehandi- 6% capt 4% 6% 4% 5% 5% 5% 4% 4%
3 = Psychisch gehandicapt 16% 14% 16% 2% 1% 2% 14% 10% 13%
3a = Matig psychisch gehandicapt - - - 27% 26% 27% 4% 7% 5%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt - - - 8% 7% 7% 1% 2% 1%
4 = Overig 7% 6% 7% 1% 1% 1% 6% 5% 6% Arbeidshandicap
Licht - - - 14% 12% 13% 2% 3% 2% Matig 100% 100% 100% 57% 59% 58% 94% 89% 93% Ernstig <1% - <1% 29% 29% 29% 4% 8% 5% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Tabel B4.10 Stand eind 2001 dienstbetrekkingen: arbeidshandicap en geslacht, naar leeftijd Licht Matig Ernstig Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Jonger dan 23 jaar 4% 5% 4% 2% 3% 2% 25% 24% 25%
23-24 jaar 4% 6% 5% 1% 3% 1% 10% 10% 10%
25-34 jaar 16% 19% 17% 14% 24% 16% 26% 27% 26%
35-44 jaar 24% 32% 27% 29% 34% 30% 20% 22% 21%
45-54 jaar 38% 33% 36% 36% 27% 34% 16% 15% 16%
55 jaar en ouder 14% 5% 11% 18% 9% 16% 3% 2% 3% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%


67



Tabel B4.11 Stand eind 2001 dienstbetrekkingen: arbeidshandicap, naar handicapcode

Licht Matig Ernstig
1 = Lichamelijk gehandicapt 76% 41% 16%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 6% 30% 30%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 1% 4% 10%
3 = Psychisch gehandicapt - 14% 0%
3a = Matig psychisch gehandicapt 16% 4% 22%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt <1% <1% 21%
4 = Overig <1% 6% <1% Totaal 100% 100% 100% Tabel B4.12 Stand eind 2001 dienstbetrekkingen: leeftijd, naar handicapcode < 23 jaar 23-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-65 jaar
1 = Lichamelijk gehandicapt 14% 18% 26% 38% 49% 57%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 52% 49% 46% 33% 21% 15%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 12% 10% 6% 4% 4% 3%
3 = Psychisch gehandicapt <1% 2% 8% 13% 16% 16%
3a = Matig psychisch gehandicapt 17% 16% 8% 5% 3% 1%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 5% 4% 2% 1% 1% 0%
4 = Overig <1% 1% 4% 5% 6% 8% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Tabellen behorend bij paragraaf 5.3 Profiel dienstbetrekkingen en begeleid werken Tabel B4.13 Stand eind 2001, geslacht en arbeidshandicap naar omvang dienstbetrekkingen en begeleid werken

Dienstbetrekkingen (DB) Begeleid werken (BW) Deeltijd Voltijd Totaal Deeltijd Voltijd Totaal Geslacht
Man 19% 81% 100% 39% 61% 100% Vrouw 48% 52% 100% 72% 28% 100% Totaal 26% 74% 100% 51% 49% 100% Arbeidshandicap
Licht 50% 50% - 41% 59% 100% Matig 24% 76% 100% 53% 47% 100% Ernstig 62% 38% 100% 58% 42% 100% Totaal 26% 74% 100% 51% 49% 100%


68




Tabellen behorend bij paragraaf 5.4.2 Uitstroom uit het werknemersbestand Tabel B4.16 Uitstroom uit het werknemersbestand, leeftijd naar duur dienstverband/ ar- beidsovereenkomst

< 23 jaar 23-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-65 jaar Totaal Tot 1 jaar 59% 42% 23% 17% 11% 1% 12%
1 tot 5 jaar 41% 51% 38% 23% 18% 4% 18%
5 tot 10 jaar - 7% 25% 22% 19% 17% 19%
10 tot 25 jaar - - 15% 36% 34% 56% 38%
25 jaar of meer - - - 2% 17% 22% 12% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%

Tabel B4.17 Omvang dienstbetrekkingen en begeleid werken van instroom in het werknemers- bestand

Dienstbetrekking Begeleid werken Tot 10 uur <1% 1%
10 tot 20 uur 17% 9%
20 tot 32 uur 21% 27%
32 tot 36 uur 26% 14%
36 uur /40 uur (=voltijd) 35% 45% Onbekend - - Gemiddelde omvang (in uren) 29 30 Totaal 100% 100% (n=5520) (n=410)


69



Tabellen behorend bij hoofdstuk 6 Vergelijking van groepen

Tabel B4.18 Eerste indicaties in 2001 behorend tot de doelgroep, stand eind 2001 wachtlijst, stand eind 2001 dienstbetrekkingen en stand eind 2001 begeleid werken, naar per- soonskenmerken

Doelgroep Wachtlijst Dienst- Begeleid betrekkingen werken Geslacht
Man 63% 64% 76% 64% Vrouw 37% 37% 24% 36% Leeftijd
Jonger dan 23 jaar 25% 17% 3% 17%
23-24 jaar 4% 5% 2% 11%
25-34 jaar 20% 23% 17% 32%
35-44 jaar 26% 28% 30% 22%
45-54 jaar 22% 23% 33% 17%
55 jaar en ouder 4% 4% 15% 2% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 35 36 43 33 Handicapcode

1 = Lichamelijk gehandicapt 28% 33% 41% 31%
2a = Licht verstandelijk gehandicapt 22% 18% 29% 29%
2b = Matig verstandelijk gehandicapt 4% 3% 4% 4%
3 = Psychisch gehandicapt 1% 1% 13% 3%
3a = Matig psychisch gehandicapt 34% 33% 5% 27%
3b = Ernstig psychisch gehandicapt 11% 12% 1% 6%
4 = Overig 1% 1% 6% <1% Arbeidshandicap
Licht 11% 13% 2% 14% Matig 56% 56% 93% 68% Ernstig 32% 31% 5% 18% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=) (n=5450) (n=5400) (n=92250) (n=810)


70




Bijlage 5 Verdeling over provincies

In de rapportage zijn uitspraken gedaan over de totale Wsw. Voor de volledigheid zijn hier uitsplit- singen naar provincie opgenomen. Dat geldt voor de eerste indicatiebesluiten, de ontwikkeling van de wachtlijst, de dienstbetrekkingen en begeleid werken.

De eerste tabel geeft de waargenomen aantallen per provincie weer. Tabel B5.1 Waargenomen aantallen Wsw-statistiek in 2001(eindstanden), naar provincie Alle indicaties 1e indicaties Wachtlijst Dienst- Begeleid Werknemers- Provincie betrekkingen werk bestand Groningen 790 478 377 5889 23 5912 Friesland 585 373 272 4246 110 4356 Drenthe 535 338 301 4434 10 4444 Overijssel 1031 549 359 8767 100 8867 Flevoland 165 81 90 904 20 924 Gelderland 1582 831 554 12139 125 12264 Utrecht 408 285 256 3893 29 3922 Noord-Holland 1086 643 512 8593 67 8660 Zuid-Holland 1617 905 759 14361 107 14468 Zeeland 285 222 167 2114 13 2127 Noord_Brabant 2202 1373 948 15560 129 15689 Limburg 1487 935 755 11005 76 11081 Onbekend 123 81 46 345 0 342 Totaal 11896 7094 5396 92250 809 93056

Tabel B5.2 Eerste indicatiebesluiten in 2001, naar provincie Doelgroep Onderzijde Bovenzijde Totaal Groningen 8% 2% 5% 8% Friesland 5% 6% 4% 5% Drenthe 4% 2% 8% 3% Overijssel 8% 14% 6% 10% Gelderland 13% 13% 8% 16% Utrecht 5% 5% 1% 3% Noord-Holland 11% 15% 5% 11% Zuid-Holland 13% 10% 12% 14% Zeeland 3% 4% 4% 1% Noord-Brabant 19% 16% 22% 17% Limburg 11% 15% 25% 11% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=5450) (n=360) (n=1290) (n=7100)


71



Tabel B5.3 Ontwikkeling wachtlijst, naar provincie

Stand 2001 Instroom Uitstroom Eind 2001 Groningen 6% 8% 7% 7% Friesland 5% 5% 5% 5% Drenthe 6% 4% 5% 6% Overijssel 8% 8% 9% 8% Gelderland 11% 13% 13% 10% Utrecht 5% 5% 5% 5% Noord-Holland 11% 10% 11% 10% Zuid-Holland 14% 14% 13% 14% Zeeland 3% 3% 3% 3% Noord-Brabant 18% 19% 19% 17% Limburg 13% 11% 10% 14% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=6410) (n=5970) (n=6990) (n=5400)

Tabel B5.4 Bestemming na uitstroom wachtlijst in 2001, naar provincie

Dienstbetrekking Begeleid werken Overig Totaal Groningen 8% 2% 6% 7% Friesland 5% 14% 3% 5% Drenthe 5% 3% 5% 5% Overijssel 10% 8% 6% 9% Gelderland 12% 12% 15% 13% Utrecht 5% 7% 7% 5% Noord-Holland 12% 11% 8% 11% Zuid-Holland 13% 11% 14% 13% Zeeland 3% 0% 2% 3% Noord-Brabant 18% 19% 23% 19% Limburg 9% 13% 12% 10% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=5040) (n=300) (n=1650) (n=6990)


72




Tabel B5.5 Ontwikkeling dienstbetrekkingen, naar provincie

Begin 2001 Instroom Uitstroom Eind 2001 Groningen 7% 8% 6% 7% Friesland 5% 5% 4% 5% Drenthe 5% 5% 4% 5% Overijssel 10% 10% 9% 10% Gelderland 13% 12% 12% 13% Utrecht 4% 5% 5% 4% Noord-Holland 10% 11% 11% 10% Zuid-Holland 16% 14% 17% 15% Zeeland 2% 4% 2% 2% Noord-Brabant 17% 17% 18% 17% Limburg 12% 9% 11% 12% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=91780) (n=5520) (n=5060) (n=92250)

Tabel B5.6 Ontwikkeling begeleid werken, naar provincie

Begin 2001 Instroom Uitstroom Eind 2001 Groningen 3% 2% 3% 3% Friesland 12% 13% 6% 14% Drenthe 2% 2% 1% 1% Overijssel 17% 9% 13% 14% Gelderland 13% 14% 12% 15% Utrecht 2% 6% 6% 4% Noord-Holland 8% 11% 8% 9% Zuid-Holland 15% 12% 12% 14% Zeeland 3% 0% 3% 2% Noord-Brabant 16% 17% 21% 16% Limburg 9% 12% 16% 9% Totaal 100% 100% 100% 100% (n=600) (n=410) (n=200) (n=810)


73




74




Bijlage 6 Te registreren kenmerken Wsw-statistiek

Kenmerk relevant bij indicatie- wachtlijst DB van DB vanaf begeleid besluit vóór 1998 1998 werken Administratieve gegevens
(1) statistiekjaar en halfjaarsperiode X X X X X (2) verantwoordelijke gemeenten of WGR-verband X X X X X (3) statistiekcode X X X X X (4) organisatie (X) (X) (X) (X) (X) Persoonsgegevens
(5) datum invoering administratie X X X X X (6) registratienummer (X) (X) (X) (X) (X) (7) sofinummer X X X X X (8) geboortedatum X X X X X (9) geslacht X X X X X (10) gemeente van inschrijving X X X X X (11, 12, 13) handicapcode X X alleen 11 X X Advies indicatie
(14) datum van aanvraag tot indicatie X X1 X X (15) aanleiding advisering X X * X X (16) datum advies X X * X X Indicatiebesluit
(17) datum indicatiebesluit X X * X X (18) besluit doelgroep X X X X (19) overeenstemming advies indicatiecommissie X X X X (20) besluit arbeidshandicap X X X X (21) overeenstemming advies indicatiecommissie X X X X (22) besluit werkvorm X X * X X (23) overeenstemming advies indicatiecommissie X X * X X (24) besluit scholing X X X X (25) overeenstemming advies indicatiecommissie X X X X (26) besluit ontslag X X * X X (27) overeenstemming advies indicatiecommissie X X * X X Wachtlijst
(28) datum instroom wachtlijst X X X X (29) datum uitstroom wachtlijst (X) X X X Instroom in werknemersbestand
(30a) (Inkomens-) situatie bij instroom W-bestand X X X (30b) Uitkering ziekte of arbeidsongeschiktheid X X Dienstbetrekking
(31) begindatum dienstbetrekking X X (32) einddatum dienstbetrekking (X) (X) (33) loonschaal X X (34) salarisregel X X (35) aantal uren per week werkzaam X X Arbeidsovereenkomst (begeleid werken)
(36) begindatum arbeidsovereenkomst X (37) einddatum arbeidsovereenkomst (X) (38) aantal uren per week werkzaam X Uitstroom werknemersbestand
(39) datum uitstroom werknemersbestand (X) (X) (X) (40) reden ontslag uit werknemersbestand (X) (X) (X) (41) bestemming uitstroom uit werknemersbestand (X) (X) (X) (X) Gegevens over uitstroom zijn alleen van toepassing als er daadwerkelijk sprake is van uitstroom/beëindiging.
* Alleen van toepassing bij advies i.v.m. ontslagaanvraag of herindicatie op eigen verzoek vanwege begeleid werken.
1 Bij mensen die op 31 december 1997 al op de wachtlijst stonden hoeft dit gegeven niet geregistreerd te worden


75




76




Research voor Beleid
Schipholweg 13 - 15
Postbus 985

2300 AZ Leiden
telefoon: (071) 5253737
telefax: (071) 5253702
e-mail: rvb@rvbh.nl
www.researchvoorbeleid.nl


77




Deel: ' Wsw-statistiek Jaarrapport 2001 '




Lees ook