PERSMEDEDELING

VAN HET MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

24 FEBRUARI 2000

Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND) 1999

De Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND) 1999 die we u vandaag voorstellen is de zevende editie van Vlaamse Regionale Indicatoren. Het is een uitgave die de administratie Planning en Statistiek van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks coördineert in opdracht van de Vlaamse regering. Verschillende diensten van het ministerie en Vlaamse Openbare Instellingen hebben hun medewerking verleend.

De bedoeling van VRIND is om Vlaanderen aan de hand van indicatoren in beeld te brengen. De indicatoren hebben zowel betrekking op maatschappelijke ontwikkelingen als op het Vlaamse overheidsbeleid zelf. Per beleidsdomein wordt een set van indicatoren aangeboden waarin relevante ontwikkelingen voor het beleid worden geschetst en waarbij tevens een poging wordt ondernomen om de effecten van het overheidsoptreden op het betrokken beleidsdomein op een kwantitatieve wijze in beeld te brengen. VRIND fungeert daardoor tevens als een begeleidende actie van het strategisch management van de Vlaamse overheid.

Jaarlijks blijft het aantal tabellen en grafieken fors toenemen. Dit wijst op een belangrijke ontwikkeling binnen de overheid, die er meer en meer op uit is de effecten van zijn beleid in meetbare indicatoren om te zetten. Na deze zevende editie stellen dat we reeds aan een sluitende set van effectindicatoren voor het Vlaamse overheidsbeleid toe zijn, is voorbarig. Wel wordt daar in alle administraties en openbare instellingen hard aan gewerkt.

Invalshoeken

Bij het opmaken van de VRIND-indicatoren wordt vertrokken van de beleidsopties van de Vlaamse overheid. In eerste instantie wordt daarvoor gekeken naar de regeringsverklaring en de beleidsnota's van de verschillende ministers. Daarnaast kan men terugvallen op doelstellingen, opties en streefcijfers die in diverse beleidsplannen zoals b.v. het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen, het Mina-plan e.d. zijn opgenomen. Het cijfermateriaal in VRIND 1999 slaat overwegend op de situatie in 1998 en 1999. Gezien de nieuwe Vlaamse regering pas in de zomer van 1999 van start ging, kunnen deze cijfers als een 'nulmeting' beschouwd worden voor de nieuwe regeringsploeg.

Opbouw

De omgeving waarbinnen de Vlaamse overheid dient te werken wordt globaal geschetst in het eerste hoofdstuk aan de hand van een aantal belangrijke sociaal-culturele, sociaal-economische en demografische ontwikkelingen, zowel in Vlaanderen als daarbuiten. Zo worden in de sociaal-culturele context de eerste resultaten opgenomen van de jaarlijkse survey van de administratie Planning en Statistiek i.v.m. verschuivingen in gedragingen, waarden en opvattingen van de bevolking'. Dit is een bevraging bij ca. 2000 Vlamingen in de periode april- oktober 1999.

Na het inleidend hoofdstuk volgen de verschillende beleidsdomeinen die behoren tot de bevoegdheden van de Vlaamse regering.

Voor elk domein werden een aantal indicatoren ontwikkeld, meestal geordend per beleidsveld. Zo vindt men onder sport zowel indicatoren over de verspreiding van het sportaanbod als over de sportparticipatie van de bevolking. In de aanhef van elk onderdeel wordt aangegeven waarom het belangrijk is dat de overheid deze materie opvolgt.

Elk hoofdstuk vangt aan met een aantal blikvangers met opmerkelijke vaststellingen, verschuivingen of trends. Zij laten toe in één oogopslag een zicht te krijgen op de belangrijkste of meest markante ontwikkelingen in het betrokken beleidsdomein. VRIND geeft statistieken met bijbehorende tabellen, grafieken of kaarten.

Daarvoor wordt overwegend geput uit het materiaal zowel van het ministerie als de openbare instellingen. Via jaarverslagen en studierapporten zijn vele van deze gegevens in de loop van het voorbije jaar reeds beschikbaar gesteld. De toegevoegde waarde van VRIND is dat het deze gegevens samenbrengt per beleidsdomein en dat ze beleidsmatig worden geduid. Dit gebeurt door deze gegevens in een tijdreeks te zetten, te vergelijken met de andere gewesten of internationaal of - waar het gemeenschapsmateries betreft - via achtergrondvariabelen aan te geven in welke mate de voorliggende cijfers betrekking hebben op bepaalde segmenten van de bevolking.

Wie geïnteresseerd is om de ontwikkelingen verder op te voet te volgen en op de hoogte wil blijven van het meest recente cijfermateriaal over deze indicatoren, kan steeds terecht op de internetsite van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap onder de rubriek 'statistieken' (www.vlaanderen.be/statistiek).

Markante vaststellingen

Het algemene omgevingsklimaat waarin de Vlaamse overheid dient te werken, is duidelijk verbeterd (survey 1999). De verbetering die reeds vorig jaar merkbaar was, zet zich verder door. Mensen maken zich duidelijk minder zorgen (ill.1.2) en zien de toekomst positiever tegemoet (ill. 1.10). Deze ingesteldheid weerspiegelt zich ook in een afname van het subjectief onveiligheidsgevoelen (ill. 1.4).

Minder zorgen en een positiever toekomstbeeld vertaalt zich in een andere maatschappelijke probleemgevoeligheid (ill.1.12). In vergelijking met de voorbije jaren komen er minder uitschieters voor. Daardoor worden veel meer probleemitems door de bevolking aangekruist. Het zijn ook niet langer de werkloosheid en het politieke gesjoemel die de probleemlijst aanvoeren maar de 'zachtere' materies zoals druggebruik bij jongeren en milieuvervuiling die het hoogst scoren.

We merken een licht toegenomen ontevredenheid bij de bevolking rond omgang met vrienden en familie, tijdsbesteding en werk (ill.1.6). Al deze elementen kunnen wijzen in de richting van toenemende stress en tijdsdruk. Het tijdsbestedingsonderzoek dat loopt in samenwerking met de VUB, zal ons hierover heel wat meer informatie kunnen verstrekken.

Het vertrouwen in de overheidsinstellingen blijft laag, vooral het wantrouwen in politici en de overheid blijft hoog (ill 1.13). Het vertrouwen in publieke instellingen ligt in Vlaanderen beduidend lager dan in de rest van Europa (ill. 1.14). Toch is een kentering merkbaar. 1997 was duidelijk het dieptepunt. Stilaan winnen de instellingen iets meer aan vertrouwen. Dit komt het duidelijkst naar voor wanneer we het vertrouwen in de werking van de democratie op lange termijn bekijken (ill. 1.19).

Het is moeilijk om dit wantrouwen bij de bevolking aan een bepaalde oorzaak toe te schrijven. In ieder geval stellen we een toegenomen betrokkenheid vast zowel bij de stad/het dorp of de regio waarin men woont, het land waar men deel van uitmaakt en zelfs bij Europa (ill. 1.18). Dit laatste geeft aan dat de burgers wel degelijk de toegenomen impact van Europa inzien.

Met een bevraging in volle dioxinecrisis zal wel niemand ervan opkijken dat de bevolking in eerste instantie de budgetten voor gezondheidszorg zou optrekken wanneer zich een budgettaire ruimte aandient (ill. 1.36).

Van alle beleidsdomeinen beschikt leefmilieu op dit ogenblik over de best uitgewerkte set van indicatoren om zowel de ontwikkelingen in de samenleving als het beleid op te volgen (beschikt over een beleidsplan, overleg- en studiegroepen) . Vaststelling is dat de vooropgestelde effecten blijkbaar zeer ambitieus zijn en moeilijk binnen de vooropgestelde termijnen te realiseren. Toch kan niet worden ontkend dat er vooruitgang wordt geboekt zowel inzake waterkwaliteit (ill. 2.2), uitstoot van verzurende stoffen vnl. in de industrie (ill. 2.19) en op het vlak van selectieve inzameling van het huishoudelijk afval (ill. 2.27).

De leefmilieuproblematiek leeft nog sterk bij de bevolking. Er bestaat zelfs een sterk draagvlak voor nog strengere leefmilieunormen indien we de vooropgestelde Europese normen niet halen (ill. 1.23).

Het beleidsdomein ruimtelijke ordening ligt controversiëler bij de bevolking. Een principe zoals het verkleinen van de gemiddelde perceelsgrootte voor bouwgronden wordt slechts door een derde van de bevolking onderschreven. Opvallend daarbij is de geringe steun bij jongeren en hoger geschoolden voor deze optie (ill. 1.29). De cijfers wijzen ondertussen trouwens uit dat de gemiddelde oppervlakte van de percelen trouwens nog blijft toenemen (ill. 2.49) en dat nog steeds meer ruimte in het buitengebied wordt ingenomen voor bebouwing (ill. 2.43). Een streng handhavingsbeleid wordt door de helft van de bevolking ondersteund. Vooral vrouwen, jongeren en laaggeschoolden hebben het hier moeilijker mee (ill. 1.29).

De doorsnee Vlaming droomt nog steeds van een eigen huis met een tuintje (ill. 2.74). De meesten weten deze droom ook te realiseren (ill. 2.63). Wel wordt het blijkbaar moeilijker een nieuwbouw te verwerven. In ieder geval wordt er minder gebouwd en dit zowel in de particuliere als de overheidssector. De stijgende prijs van de bouwgronden zal daar niet vreemd aan zijn (ill. 2.64). Het reserveren van sociale huisvesting voor mensen met een laag inkomen kan op grote instemming bij de bevolking rekenen. Een grote meerderheid van de bevolking gaat er ook van uit dat wie niet langer aan de voorwaarden voldoet een andere huisvesting dient te zoeken (ill. 1.30).

Onveiligheid en onaantrekkelijkheid van de stad voor gezinnen met kinderen zijn de twee belangrijkste redenen waarom mensen de stad ontvluchten of er niet willen gaan wonen (ill.1.25). De stedelijke conjunctuurbarometer, waarbij dertien steden worden opgevolgd, laat dan ook zien dat de stadsvlucht niet is teruggeschroefd. Steden blijven ook meer met werkloosheid geconfronteerd dan in de rest van Vlaanderen. Inzake verkeersveiligheid kennen ze wel een gunstiger ontwikkeling. De criminaliteitscijfers mogen dan nog steeds stijgen. Relatief gesproken scoren de steden iets beter dan het Vlaams gemiddelde (ill. 9.39).

De Vlaamse economie doet het de jongste jaren zeer goed. De omzet en de investeringen stijgen (ill. 4.12). De export kon zich in 1998, niettegenstaande de Aziatische crisis, handhaven. Het aandeel van Vlaanderen in de Belgische uitvoer blijft trouwens toenemen en bedroeg in '98 bijna zeventig procent. Het aantal falingen is in hetzelfde jaar voor de eerste maal ook gedaald. Wel worden minder bedrijven opgericht zodat het totaal aantal vestigingen een lichtjes dalende tendens vertoont (ill. 4.32). Vlaamse bedrijven besteden steeds meer in onderzoek en ontwikkeling. Toch blijven deze bestedingen onder het Europees gemiddelde steken.

Een groeiende economie zorgt ondertussen voor een forse daling van de werkloosheid. Enkel Nederland doet het in Europa nog lichtjes beter (ill. 4.62). Dit neemt niet weg dat sommige groepen het moeilijk blijven hebben om een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven. Een belangrijke paradox tegen de achtergrond van dalende werkloosheid en een zich herpakkende werkgelegenheidsgroei vormen de knelpuntvacatures die maar niet tijdig ingevuld geraken (ill. 4.77). Zowel de activiteitsgraad als de werkzaamheidsgraad liggen in Vlaanderen onder het Europees gemiddelde (ill. 4.60 en 4.61). Dit heeft vooral te maken met de late intrede en het vroeger uittreden op de arbeidsmarkt. Van de leeftijdsgroep tussen 25 en 49 jaar is daarentegen meer dan tachtig procent aan de slag waarmee we zo hoog scoren als koploper Nederland. Met de toenemende vergrijzing en ontgroening voor ogen (ill. 1.46) komen de lasten op een steeds kleiner aantal schouders terecht. Geen wonder dat zowel de federale als de Vlaamse overheid de werkzaamheidsgraad van de bevolking wil optrekken. De overheid wil ondertussen ook iets doen aan de werkloosheidsval, een optie die door vrijwel iedereen wordt onderschreven (ill. 1.31). Uit de bevraging in 1999 bleek dat de bevolking van mening was dat de overheid onvoldoende inspanningen zou doen indien het verminderen van de lasten op arbeid alleen op de laagste inkomens van toepassing zou zijn. Vooral jongeren en hooggeschoolden zouden het daar wat moeilijker mee hebben.

Vlaanderen scoort zeer goed wanneer we objectieve welzijnsindicatoren zoals levensverwachting, perinatale en kindersterfte bekijken. Ook inzake gezondheidsproblemen scoren de Vlamingen vrij goed. Wel zien we dat - zeker de jongeren - zich relatief gesproken iets minder goed in hun vel voelen (ill. 5.27). Vandaar misschien de - ook weer relatief - hoge zelfmoordcijfers en zelfmoordpogingen (ill.5.36 en 5.37) . Nieuwe preventiecampagnes tegen roken en druggebruik worden door de nieuwe regering in het vooruitzicht gesteld. Daar is alle reden toe gezien de toename van het dagelijks roken, zeker bij vrouwen (ill. 5.19) en jongeren (ill.5.20) en de blijvende toename van het druggebruik (ill. 5.24 e n 5.25).

Trouwen is in Vlaanderen minder populair dan ooit, dit in tegenstelling tot het aantal echtscheidingen dat blijft toenemen (ill. 1.51). Wie trouwt doet dit ook op steeds oudere leeftijd (ill. 1.52). Dat de Vlaamse bevolking nog licht aangroeit heeft alles te zien met een positief migratiesaldo en minder met een natuurlijke groei. Vrouwen krijgen steeds minder kinderen en vooral ook op latere leeftijd (ill. 1.55).

Internationaal vergeleken scoort het Vlaamse onderwijs zeer goed. Alhoewel de onderwijsuitgaven sterk verschillen per onderwijsniveau (ill. 6.20) geeft Vlaanderen ongeveer evenveel uit als het OESO- en EU-gemiddelde. Als de onderwijskosten zouden kunnen gedrukt worden dan gaat de voorkeur van de bevolking in eerste instantie uit naar het verlagen van de kosten voor schoolactiviteiten. Hoger geschoolden en jongeren zouden eerder investeren in een betere schooluitrusting (ill. 1.27).

De culturele participatie is er de jongste jaren in Vlaanderen op vooruit gegaan. Meer Vlamingen dan ooit gaan wel eens naar het theater, een concert of de bioscoop, bezoeken een tentoonstelling of een beschermd monument. Ook het verenigingsleven en de sport zitten nog steeds in de lift. Toch moeten we vaststellen dat niet iedereen op eenzelfde intense wijze kan participeren. Of een rechtstreekse steun via o.a. cultuurcheques de cultuurparticipatie nog kan opdrijven, wordt door drie vijfde van de bevolking onderschreven. Hoger geschoolden reageren hier iets sceptischer op (ill.1.28).

De congestieproblematiek op de Vlaamse wegen breidt zich nog verder uit (ill. 7.6 en 7.7) en dit niettegenstaande een toename van het gebruik van vervoersalternatieven (ill. 7.8 en 7.9). Mensen overtuigen om de wagen thuis te laten, blijft een moeilijke karwei. Toch is een meerderheid van de bevolking gewonnen voor het prioritair investeren in openbaar vervoer (ill. 1.21) en bestaat er blijkbaar ook een grote bereidheid om van alternatieve vervoersmiddelen gebruik te maken op voorwaarde dat daarvoor de nodige faciliteiten worden uitgebouwd (ill. 1.22).

Practica

VRIND is een uitgave van de administratie Planning en Statistiek. Het is een co-productie van de zeven departementen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Openbare Instellingen, in opdacht van de Vlaamse regering. De projectleiding berustte bij Luk Bral

Aantal medewerkers: 212
Aantal tabellen, grafieken en kaarten: 561 Aantal pagina's: 334

VRIND is verkrijgbaar door overschrijving van 5OO fr. op rekeningnummer 091-2202012-44 van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement AZF te 1000 Brussel met vermelding VRIND 1999.

Deel: ' Zevende editie Vlaamse Regionale Indicatoren '




Lees ook