2229. Raad - JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN
Go Back INDEX
Press Release: Brussels (02-12-1999) - Press: 386 - Nr: 13461/99
_________________________________________________________________

13461/99 (Presse 386)

(OR. en)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2229 zitting van de Raad


- JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN -

Brussel, 2 december 1999

Voorzitter :

de heer Johannes KOSKINEN

Minister van Justitie

de heer Kari HÄKÄMIES

Minister van Binnenlandse Zaken

van de Republiek Finland

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

FOLLOW-UP VAN TAMPERE - VOORBEREIDING VAN HET SCOREBORD
*

OVEREENKOMST BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN
*

BESCHERMING VAN DE EURO TEGEN VALSEMUNTERIJ - KADERBESLUIT
*

INSOLVENTIEVERORDENING

*

VERORDENING INZAKE DE BETEKENING EN DE KENNISGEVING VAN GERECHTELIJKE EN BUITENGERECHTELIJKE STUKKEN

*

GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT

*

EURODAC-VERORDENING BETREFFENDE DE VERGELIJKING VAN VINGERAFDRUKKEN VAN ASIELZOEKERS EN BEPAALDE ANDERE VREEMDELINGEN
*

NEVENOVEREENKOMST BIJ DE OVEREENKOMST VAN DUBLIN MET NOORWEGEN EN IJSLAND

*

TOELATING - COMMISSIEVOORSTEL BETREFFENDE GEZINSHERENIGING
*

VERZOEK VAN HET VERENIGD KONINKRIJK TOT DEELNEMING AAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN HET SCHENGENACQUIS

*

EUROPOL - TOEKOMSTIGE ACTIVITEITEN NA TAMPERE

*

RICHTLIJN BETREFFENDE ELEKTRONISCHE HANDEL - STRAFRECHTELIJKE ASPECTEN
*

AANNEMING VAN DE DOOR HET GEMENGD COMITÉ BESPROKEN BESLUITEN
*

(SCHENGEN) GEMENGD COMITÉ IJSLAND EN NOORWEGEN

*


-
VOLLEDIGE TOEPASSING VAN HET SCHENGENACQUIS IN GRIEKENLAND *
-

*
SCHENGEN INFORMATIESYSTEEM "SIS 1+" - SITUATIEVERSLAG
*

-
SIS - DE VOORLOPIGE BEGROTING VOOR SIRENE FASE II EN HELPDESK VOOR HET JAAR 2000 *

-
JAARVERSLAG 1998 INZAKE DE TOEPASSING VAN DE SCHENGENUITVOERINGSOVEREENKOMST *

-
JAARVERSLAG 1998 INZAKE DE TOEPASSING VAN DE SCHENGEN-UITVOERINGSOVEREENKOMST AAN DE BUITENGRENZEN *
-

*
EVALUATIE VAN DE TOEPASSING VAN SCHENGEN IN DUITSLAND
*

-
VASTSTELLING VAN DE ONDERLINGE VERPLICHTINGEN VAN DE LIDSTATEN TEN AANZIEN VAN DE OVERNAME VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN *
-

*
INFORMATIE OVER BESLUITEN OF MAATREGELEN DIE VAN BELANG KUNNEN ZIJN VOOR SCHENGEN

*


* ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN *

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

*

* Europol *

* Gemeenschappelijk optreden inzake wederzijdse evaluaties *
* Evaluatie van de werking van het Europees Justitieel Netwerk (EJN)
*

* Clausules inzake overname in overeenkomsten van de Gemeenschappen of gemengde overeenkomsten *

* Voltooiing en evaluatie van het actieplan van 1997 ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit *

* Ontwerp-verdrag van Den Haag inzake de bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen - werkmethode *
* Ratificatie van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied *

* Maatregelen ter bestrijding van kindersekstoerisme *
* Juridische informatica *

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België :

de heer Marc VERWILGHEN

de heer Antoine DUQUESNE

Minister van Justitie

Minister van Binnenlandse Zaken

Denemarken
:

de heer Frank JENSEN

de heer Thorkild SIMONSEN

Minister van Justitie

Minister van Binnenlandse Zaken

Duitsland:
:

de heer Otto SCHILY

de heer Hansjörg GEIGER

Minister van Binnenlandse Zaken

Staatssecretaris, Ministerie van Justitie

Griekenland
:

de heer Stelios PERRAKIS

de heer Dimitri EFSTATHIADIS

Staatssecretaris van Europese Zaken

Secretaris-generaal, Ministerie van Openbare Orde

Spanje
:

de heer Jaime MAYOR OREJA

mevrouw Margarita MARISCAL de GANTE y MIRÓN

Minister van Binnenlandse Zaken

Minister van Justitie

Frankrijk
:

de heer Jean-Pierre CHEVENEMENT

Minister van Binnenlandse Zaken

Ierland
:

de heer Denis O'LEARY

Ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

Italië
:

mevrouw Rosa JERVOLINO

de heer Giuseppe Maria AYALA

Minister van Binnenlandse Zaken

Staatssecretaris van Justitie

Luxemburg

de heer Nicolas SCHMIT

Ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

Nederland
:

de heer Job COHEN

Staatssecretaris van Justitie

Oostenrijk
:

de heer Karl SCHL
ÖGL

de heer Nikolaus MICHALEK

Minister van Binnenlandse Zaken

Minister van Justitie

Portugal
:

de heer Fernado GOMES

de heer António COSTA

Minister van Binnenlandse Zaken

Minister van Justitie

Finland
:

de heer Johannes KOSKINEN

de heer Kari HÄKÄMIES

mevrouw Kirsti RISSANEN

Minister van Justitie

Minister van Binnenlandse Zaken

Staatssecretaris van Justitie

Zweden
:

mevrouw Laila FREIVALDS

mevrouw Maj-Inger KLINGVALL

Minister van Justitie

Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Migratie en Asielbeleid

Verenigd Koninkrijk
:

de heer Jack STRAW

mevrouw Barbara ROCHE

Minister van Binnenlandse Zaken

Onderminister van Binnenlandse Zaken


* * *

Commissie
:

de heer Antonio VITORINO

lid

Bij het begin van de zitting nam de Raad nota van een verklaring van de Spaanse minister van Binnenlandse Zaken, de heer MAYOR OREJA, dat Spanje bij zes verschillende ontwerpen voor rechtsinstrumenten die op de agenda van de Raadszitting staan, een politiek voorbehoud maakt met betrekking tot het territoriale toepassingsgebied (overeenkomst aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, verordening betreffende insolventieprocedures, verordening inzake de betekening en de kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, Eurodac-verordening, onderhandelingsmandaat voor een parallelle Dublin-overeenkomst met Noorwegen en IJsland, besluit betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk om te mogen deelnemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis).

Minister MAYOR OREJA beklemtoonde dat met het Verenigd Koninkrijk bilaterale contacten lopen, in de hoop aldus tot een oplossing te komen, zodat de weg kan worden vrijgemaakt voor aanneming van deze rechtsinstrumenten door de Raad.

De voorzitter riep beide lidstaten op spoedig met een oplossing te komen, zodat de huidige impasse ten aanzien van een aantal ontwerpen voor rechtsinstrumenten, die in principe gereed zijn voor aanneming door de Raad, kan worden doorbroken.

o

o o

FOLLOW-UP VAN TAMPERE - VOORBEREIDING VAN HET SCOREBORD

Commissielid VITORINO informeerde de Raad over de stand van de voorbereiding van het Commissievoorstel voor een scorebord, waarom de Europese Raad van Tampere heeft verzocht, teneinde voortdurend toe te kunnen zien op de op het gebied van justitie en binnenlandse zaken gemaakte vorderingen.

Hij deelde mee dat de Commissie het komende voorjaar een formeel voorstel zal indienen, na raadpleging van de lidstaten, het Europees Parlement, alsook andere belanghebbende instanties, zoals het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen.

Het Commissielid benadrukte dat het scorebord geen nieuw wetgevingsvoorstel zal zijn, maar gebaseerd wordt op het tijdschema als vastgesteld bij het Verdrag van Amsterdam, het Actieplan van Wenen van 1998 betreffende de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en de conclusies van de Europese Raad van Tampere. Het is de bedoeling met dit scorebord druk uit te oefenen op de achterblijvende gebieden, met het oog op een herhaling van de positieve ervaringen die zijn opgedaan met het Witboek voor de interne markt. Het Commissielid wees er echter op dat, terwijl voor interne-marktaangelegenheden het initiatiefrecht voor wetgeving is voorbehouden aan de Commissie, op het gebied van justitie en binnenlandse zaken de Commissie en de lidstaten dat initiatiefrecht delen.

De lidstaten verklaarden zich ingenomen met de algemene aanpak van de Commissie en wezen op het belang van breed overleg vooraleer de Commissie een formeel voorstel voor het scorebord indient.

Het komende Portugese voorzitterschap zegde toe te zullen zorgen voor een spoedige voortzetting van de desbetreffende besprekingen.

OVEREENKOMST BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN

De Raad maakte belangrijke vorderingen met de ontwerp-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; het is de bedoeling dat de Raad hierover een definitief akkoord bereikt tijdens zijn zitting in maart, na bespreking van het advies dat het Europees Parlement dan zal hebben uitgebracht.

Gememoreerd zij dat deze ontwerp-overeenkomst strekt ter vervanging van het basisinstrument op dit gebied, namelijk het Verdrag van de Raad van Europa van 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, alsmede van de relevante bepalingen van het Benelux-Verdrag van 1962. De toepassing ervan zou in aanzienlijke mate bijdragen tot een verbetering van de wederzijdse rechtshulp in de EU door snellere procedures en nieuwe geharmoniseerde onderzoeksmethoden, zoals verhoor per videoconferentie, interceptie, gecontroleerde aflevering, gemeenschappelijke onderzoeksteams, enz.

Er is opmerkelijke voortgang geboekt met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie, een onderwerp dat ruim twee jaar lang vorderingen met deze overeenkomst in de weg stond. Meer bepaald werd algemene overeenstemming bereikt over de reikwijdte van de algemene verplichting van de intercepterende lidstaat om de lidstaat waar de interceptie wordt uitgevoerd, hierover te informeren.

Aangezien het de bedoeling is dat de ontwerp-overeenkomst alleen van toepassing is op interceptie in het kader van een strafrechtelijke procedure, zal in de desbetreffende bepalingen de verplichting worden opgenomen om de lidstaat waar de interceptie wordt uitgevoerd, hierover te informeren in alle situaties die onder het algemene begrip "strafrechtelijk onderzoek" vallen. Uit deze bepalingen kan dus niet worden afgeleid dat interceptie ook mogelijk wordt in situaties die niet door de overeenkomst bestreken worden, met name interceptie in het belang van de nationale veiligheid. Dergelijke situaties worden beheerst door de algemene beginselen van het internationaal recht, die door deze overeenkomst onverlet blijven.

De Raad kon echter niet tot een regeling komen van twee andere problemen in verband met de interceptie van telecommunicatie. Het eerste probleem hangt samen met de vraag of het stilzwijgen van de lidstaat die over een interceptie op zijn grondgebied geïnformeerd wordt, uitgelegd moet worden als toestemming, dan wel als verbod om de interceptie uit te voeren en het geïntercepteerde materiaal te gebruiken. Algemeen stelden de delegaties zich op het standpunt dat het stilzwijgen als toestemming moet worden aangemerkt, maar twee delegaties waren van oordeel dat het stilzwijgen beschouwd moet worden als een verbod om de interceptie uit te voeren of om het geïntercepteerde materiaal te gebruiken.

Het tweede probleem waarvoor geen oplossing werd gevonden, betreft de interceptie van satellietcommunicatie. Uit hoofde van de ontwerp-overeenkomst zal de lidstaten verzocht worden ervoor te zorgen dat operatoren van satellietcommunicatie kunnen intercepteren door gebruikmaking van (in andere lidstaten gevestigde) dienstenverstrekkers, zonder hen hiertoe evenwel te verplichten. Eén delegatie is nog steeds van mening dat het operatoren van satellietcommunicatie niet alleen moet zijn toegestaan om door gebruikmaking van dienstenverstrekkers te intercepteren, maar dat zij hiertoe moeten worden verplicht.

Voorts werd de Raad het eens over de te volgen aanpak met betrekking tot gegevensbescherming. De overeenkomst zal bijgevolg bepalingen over deze belangrijke materie bevatten; daarbij moet wel voor ogen worden gehouden dat de overeenkomst uiterlijk in maart 2000 tot stand moet komen.

De Raad bevestigde ook de consensus die bereikt is over de ontwerp-bepalingen betreffende de mogelijkheid voor de autoriteiten van twee of meer lidstaten om gemeenschappelijke onderzoeksteams op te richten voor grensoverschrijdend strafrechtelijk onderzoek. Gememoreerd zij dat deze ontwerp-bepalingen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam aan de tekst werden toegevoegd.

De Raad nam er nota van dat, afgezien van bovengenoemde openstaande punten, ook nog een oplossing moet worden gevonden voor een politiek vraagstuk, namelijk het territoriale toepassingsgebied van de ontwerp-overeenkomst.

Er zij op gewezen dat de ontwerp-overeenkomst bepaalde voor Schengen relevante aangelegenheden bestrijkt en dat een aantal van de erin opgenomen bepalingen bijgevolg ook van toepassing zal zijn op IJsland en Noorwegen.

BESCHERMING VAN DE EURO TEGEN VALSEMUNTERIJ - KADERBESLUIT

De Raad bereikte een brede consensus over het ontwerp-kaderbesluit tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bescherming tegen valsemunterij met het oog op het in omloop brengen van de euro, met uitzondering van het vraagstuk van de aansprakelijkheid van rechtspersonen, waartegen één delegatie zich blijft verzetten. Vooraleer er sprake kan zijn van algehele overeenstemming, moet de Raad zich ook nog buigen over het advies van het Europees Parlement dat in februari 2000 verwacht wordt.

Het voorstel voor dit kaderbesluit - een nieuw, bij het Verdrag van Amsterdam ingevoerd rechtsinstrument - werd in juli jl. door Duitsland ingediend in reactie op de Resolutie van de Raad van 28 mei 1999 ter bescherming van de euro tegen valsemunterij. In deze resolutie wordt opgeroepen tot de opstelling van een rechtsinstrument ter aanvulling van de reeds door het Verdrag van 1929 ter bestrijding van de valsemunterij geboden bescherming.

Ter aanvulling van het Verdrag van 1929 alsook ter vergemakkelijking van de toepassing ervan, worden in het ontwerp-kaderbesluit de bijkomende misdrijven genoemd die door de lidstaten strafbaar moeten worden gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties. In het bijzonder de delicten bedrieglijk vervaardigen of veranderen van munt moeten gestraft worden met een gevangenisstraf met een maximum van niet minder dan 8 jaar. Een volledige harmonisatie van de sancties wordt echter niet beoogd, gezien de grote verschillen tussen de nationale rechtsstelsels.

Uit hoofde van het ontwerp-kaderbesluit wordt de lidstaten verzocht ervoor te zorgen dat valsemunterij ook strafbaar is wanneer het betrekking heeft op de toekomstige bankbiljetten en muntstukken van de euro en de desbetreffende handelingen vóór 1 januari 2002 zijn gesteld, en, meer in het algemeen, wanneer het gaat om bankbiljetten en muntstukken die nog niet zijn uitgegeven, maar die bestemd zijn om in omloop te worden gebracht en wettige munt zijn.

Voorts bevat het ontwerp-kaderbesluit voorschriften betreffende de rechtsmacht om te verzekeren dat valsemunterij algemeen wordt vervolgd, los van de nationaliteit van de dader en van de plaats van het misdrijf.

Zoals reeds opgemerkt, stelt het ontwerp-kaderbesluit ook rechtspersonen aansprakelijk en geeft het mogelijke sancties aan, zoals de uitsluiting van het voordeel van een gunstige regeling van de overheid of overheidssteun, of een rechterlijk bevel tot ontbinding.

Uit hoofde van het ontwerp-kaderbesluit zal de lidstaten worden verzocht hun nationale wetgeving uiterlijk 31 maart 2001 in overeenstemming te brengen met alle bepalingen ervan. Dit kaderbesluit
- dat verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar dat de nationale autoriteiten de vrijheid laat vormen en middelen te kiezen - dient dan ook met spoed te worden aangenomen.

In een aan de tekst gehechte verklaring stelt de Raad dat nagegaan moet worden of verdere maatregelen nodig zijn, met name voor wat betreft de samenwerking tussen de lidstaten, de ECB en de nationale centrale banken op het gebied van de bestrijding van het vervalsen van de euro.

In dit verband nam de Raad voorts nota van een mededeling van Commissielid VITORINO dat de Commissie verdere initiatieven zal ontplooien ter versterking van de justitiële samenwerking met betrekking tot de invoering van de euro.

INSOLVENTIEVERORDENING

De Raad bereikte algemene overeenstemming over de ontwerp-verordening betreffende insolventieprocedures, met uitzondering van het vraagstuk van het territoriale toepassingsgebied, dankzij het initiatief van Finland en Duitsland van 26 mei 1999. De adviezen van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité zullen worden besproken, zodra ze beschikbaar zijn.

De verordening strekt ter vervanging van het Insolventieverdrag dat in 1995 werd opgesteld, maar dat nooit in werking is getreden wegens de niet-toetreding van het UK. De wezenlijke bepalingen van dat eerdere verdrag zijn volledig overgenomen in deze ontwerp-verordening. Wijzigingen houden louter verband met het nieuwe, bij het Verdrag van Amsterdam ingestelde institutionele kader.

Doel van deze ontwerp-verordening is, gemeenschappelijke regels vast te stellen voor grensoverschrijdende insolventieprocedures - een gebied dat niet wordt bestreken door het Verdrag van Brussel I van 1968 (betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken) - teneinde de doeltreffendheid en de efficiëntie van deze procedures in het belang van een deugdelijke werking van de interne markt te vergroten. De toepassing van de verordening zal ook leiden tot een vermindering van de overdracht van goederen of geschillen van de ene lidstaat naar de andere, louter met het oog op een betere rechtspositie.

De ontwerp-verordening zal niet van toepassing zijn op verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen die diensten verrichten welke het houden van geld of effecten van derden behelzen, en instellingen voor collectieve belegging, omdat zij aan specifieke regelingen onderworpen zijn en de nationale toezichthoudende autoriteiten over omvangrijke handelingsbevoegdheden beschikken.

De ontwerp-verordening schrijft voor dat de hoofdinsolventieprocedure wordt geopend in de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen. Die procedure heeft een universele strekking en beoogt alle goederen van de schuldenaar te omvatten (universaliteitsbeginsel). Ter bescherming van de diversiteit van de belangen kunnen echter, parallel met de
hoofdinsolventieprocedure, secundaire procedures worden geopend in de lidstaat waar de schuldenaar een vestiging bezit; de gevolgen daarvan blijven wel beperkt tot de goederen die zich in de lidstaat in kwestie bevinden. Derhalve voorziet de ontwerp-verordening in bepaalde uitzonderingen op het algemene beginsel van de universele strekking van insolventieprocedures.

Ten aanzien van de bijlagen bij de ontwerp-verordening, die het toepassingsgebied gedetailleerd omschrijven (lijst van nationale insolventieprocedures, personen en instanties die als curator optreden en liquidatieprocedures), werd overeengekomen dat de Raad deze bijlagen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen kan wijzigen.

De ontwerp-verordening zal ook van toepassing zijn op het UK en Ierland, aangezien zij op basis van hun respectieve protocollen bij het Verdrag van Amsterdam wensen deel te nemen aan de aanneming ervan. Denemarken zal, overeenkomstig zijn protocol, niet deelnemen. Denemarken gaf wel te kennen dat het dezelfde voorschriften wenst toe te passen als die welke in de ontwerp-verordening zijn vervat.

VERORDENING INZAKE DE BETEKENING EN DE KENNISGEVING VAN GERECHTELIJKE EN BUITENGERECHTELIJKE STUKKEN

De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over alle bepalingen - behalve die betreffende de territoriale toepassing - van de ontwerp-verordening inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken. In de tekst is rekening gehouden met de adviezen van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.

De inhoud van het op 26 mei 1997 totstandgekomen Verdrag betreffende dezelfde vraagstukken is in de ontwerp-verordening volledig overgenomen. De enige wijzigingen zijn aanpassingen ingevolge het nieuwe institutionele kader van het Verdrag van Amsterdam. Om het Verdrag tot een communautair instrument om te vormen had de Commissie oorspronkelijk een voorstel voor een richtlijn ingediend.

De belangrijkste doelstelling van de ontwerp-verordening is, de betekening en de kennisgeving van documenten te bespoedigen en te vergemakkelijken teneinde de gerechtelijke procedures in burgerlijke zaken te verbeteren. Hiertoe wordt in de verordening bepaald dat de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken tussen de door de lidstaten aangewezen plaatselijke instanties rechtstreeks en op snelle wijze geschiedt, waardoor de lange procedure van onrechtstreekse verzending door centrale autoriteiten wordt vermeden. De tekst voorziet ook in het gebruik van moderne verzendingsmethoden en een volledig, gebruiksvriendelijk formulier dat het te verzenden stuk vergezelt. Gebruik van fax en in de toekomst ook elektronische post is mogelijk, op voorwaarde dat de verzendende en de ontvangende lidstaat instemmen met deze verzendingsvorm. Bovendien introduceert de verordening speciale voorschriften voor de vertaling van documenten, waardoor de rechten van de partijen beter worden beschermd.

Met het oog op de rechtszekerheid en een snellere verzending van documenten geeft de ontwerp-verordening ook bepaalde tijdslimieten voor de betekening en de kennisgeving alsmede een gemeenschappelijke regel voor de vaststelling van de datum van betekening of kennisgeving. De Raad ging er evenwel mee akkoord dat afwijkingen van de algemene regel betreffende de datum van betekening of kennisgeving mogen worden toegestaan, overeenkomstig de in de ontwerp-verordening vastgestelde regels.

Krachtens de ontwerp-verordening wordt de Commissie bij de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen bijgestaan door een raadgevend comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten.

De ontwerp-verordening is van toepassing op Ierland en het Verenigd Koninkrijk, die beide verzocht hebben om deelneming aan de vaststelling daarvan op grond van hun respectieve protocollen bij het Verdrag van Amsterdam. Denemarken neemt er overeenkomstig zijn protocol niet aan deel. Het heeft evenwel te kennen gegeven dat het dezelfde regels wil toepassen.

GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT

De Raad heeft nota genomen van een mondeling verslag van de voorzitter over "De voorkoming en beheersing van de georganiseerde criminaliteit: een strategie van de Europese Unie voor het begin van het nieuwe millennium". De nieuwe strategie is bedoeld als follow-up van het actieplan van Amsterdam ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, dat in 1997 is opgesteld voor een periode van tweeënhalf jaar. Zij zal ook gebaseerd zijn op het actieplan van Wenen inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en de conclusies van de Europese Raad van Tampere. Evenals het actieplan van 1997 zal de nieuwe strategie politieke richtsnoeren en praktische aanbevelingen voor maatregelen bevatten. De voorzitter verklaarde dat het de bedoeling is, de strategie onder het Portugese voorzitterschap af te ronden.

De voorzitter bracht ook mondeling verslag uit over het situatieverslag voor 1998 over georganiseerde criminaliteit in de EU, dat begin 2000 moet worden aangenomen. Sinds 1992 stelt het voorzitterschap in samenwerking met Europol jaarlijks een dergelijk verslag op. De voorzitter merkte op dat de werkmethode voor de opstelling van het verslag efficiënter moet worden en dat bovendien rekening moet worden gehouden met informatie van de kandidaat-lidstaten.

EURODAC-VERORDENING BETREFFENDE DE VERGELIJKING VAN VINGERAFDRUKKEN VAN ASIELZOEKERS EN BEPAALDE ANDERE VREEMDELINGEN

De Raad heeft een politieke beleidslijn vastgesteld ten aanzien van de ontwerp-Eurodac-verordening, met uitzondering van de bepalingen betreffende de territoriale werkingssfeer van de tekst. Er zij aan herinnerd dat de Commissie in juli van dit jaar, na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, een voorstel heeft ingediend om de teksten van de "bevroren" ontwerp-Eurodac-overeenkomst en het ontwerp-Eurodac-protocol (waarover de Raad in respectievelijk december 1998 en maart 1999 overeenstemming had bereikt) in communautaire instrumenten om te zetten.

Eurodac zal een door de Commissie opgezette centrale gegevensbank zijn, waaraan de lidstaten vingerafdrukken van asielzoekers en bepaalde andere vreemdelingen zullen toezenden teneinde na te gaan of een persoon reeds in een andere lidstaat om asiel heeft verzocht. Het systeem moet bijdragen tot een betere werking van de Overeenkomst van Dublin van 1990 tot vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, die op 1 september 1997 in werking is getreden.

De Raad heeft meer in het bijzonder een akkoord bereikt over de procedure voor de goedkeuring van de maatregelen ter uitvoering van de verordening (comitéprocedure). Met de overeengekomen procedure berusten bepaalde uitvoeringsbevoegdheden bij de Raad, met name de bevoegdheden die de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de lidstaten raken en welke ook financiële gevolgen hebben voor de lidstaten. Over de eerste categorie beslist de Raad bij gekwalificeerde meerderheid, over de tweede met eenparigheid van stemmen. Alle andere uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld in het kader van een regelgevend comité, bestaande uit de vertegenwoordigers van de lidstaten.

Commissielid VITORINO deelde mee dat de Commissie - die had voorgesteld alle uitvoeringsmaatregelen door het regelgevend comité te laten behandelen - niet akkoord gaat met deze regeling.

Omdat de Raad de vorige tekst, waarover het Parlement reeds op 18 november 1999 een advies had uitgebracht, grondig had gewijzigd, besloot hij het Europees Parlement opnieuw te raadplegen.

Krachtens de ontwerp-verordening worden alleen vingerafdrukken genomen van personen van 14 jaar of ouder. De ontwerp-verordening maakt een onderscheid tussen asielzoekers en "bepaalde andere vreemdelingen", namelijk vreemdelingen die zijn aangehouden in verband met illegale overschrijding van een buitengrens en vreemdelingen die zich illegaal in een lidstaat ophouden. Wat asielzoekers betreft, worden vingerafdrukken genomen die ter vergelijking naar de centrale eenheid worden gezonden, waar ze normaliter tien jaar worden bewaard; van vreemdelingen die aangehouden zijn omdat zij illegaal de buitengrens van een lidstaat hebben overschreden worden ook vingerafdrukken genomen, en aan de centrale eenheid toegezonden, waar ze echter uitsluitend vergeleken worden met vingerafdrukken van asielzoekers die later aan de centrale eenheid worden doorgezonden. Bovendien mogen die vingerafdrukken slechts ten hoogste twee jaar worden bewaard. De vingerafdrukken van vreemdelingen die zich illegaal in een lidstaat ophouden ten slotte, worden alleen aan de centrale eenheid toegezonden ter vergelijking met de vingerafdrukken van asielzoekers die reeds in de centrale gegevensbank zijn opgeslagen. Ze worden niet in de centrale gegevensbank opgeslagen.

De ontwerp-verordening bepaalt voorts dat de vingerafdrukgegevens onder bepaalde omstandigheden worden gewist, bijvoorbeeld wanneer de persoon het burgerschap van een lidstaat heeft verkregen, en dat ze worden geblokkeerd wanneer een persoon als vluchteling is erkend en toegelaten.

De ontwerp-verordening bevat ook bepalingen betreffende gebruik en bescherming van gegevens, beveiliging en aansprakelijkheid en stelt de rechten van de betrokkenen vast, alsmede de rol van de nationale en de gemeenschappelijke toezichthoudende autoriteit.

De verordening zal van toepassing zijn op Ierland en het Verenigd Koninkrijk, aangezien zij beide te kennen hebben gegeven op grond van hun respectieve protocollen bij het Verdrag van Amsterdam deel te willen nemen aan de vaststelling en toepassing van de verordening. Denemarken is vooralsnog van deelneming uitgesloten, omdat het uit hoofde van zijn protocol niet aan één besluit op asiel- of migratiegebied kan deelnemen als dat geen verband houdt met de Schengen-materie, tenzij het een intergouvernementele overeenkomst sluit met de Gemeenschap. Denemarken heeft echter reeds te kennen gegeven dat het aan het Eurodac-systeem wil deelnemen en dat hiertoe een overeenkomst zou moeten worden opgesteld.

NEVENOVEREENKOMST BIJ DE OVEREENKOMST VAN DUBLIN MET NOORWEGEN EN IJSLAND

De Raad heeft geconstateerd dat er - afgezien van de kwestie van de territoriale werkingssfeer van de te sluiten overeenkomst - een algemene consensus bestaat over het onderhandelingsmandaat dat aan de Commissie moet worden verleend voor de onderhandelingen over een nevenovereenkomst bij de overeenkomst van Dublin met Noorwegen en IJsland. Met de nieuwe overeenkomst zouden de regels die door de EU-lidstaten krachtens de overeenkomst van Dublin van 1990 worden toegepast tot die twee landen worden uitgebreid. De overeenkomst van 1990 voorziet in criteria en mechanismen waarmee wordt vastgesteld welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten wordt ingediend.

Er moet dringend met IJsland en Noorwegen over de nevenovereenkomst onderhandeld worden, aangezien zij operationeel moet zijn wanneer de grenscontroles met de Noordse landen worden afgeschaft, naar verwachting in de tweede helft van 2000.

De Raad bevestigde dat de te sluiten overeenkomst geen gemengde maar een communautaire overeenkomst zal zijn.

Er zij op gewezen dat de Commissie in het
ontwerp-onderhandelingsmandaat ook verzocht wordt na te gaan of Denemarken - dat, gelet op zijn geografische positie, veel belang heeft bij die overeenkomst - zou kunnen deelnemen aan de toepassing ervan.

TOELATING - COMMISSIEVOORSTEL BETREFFENDE GEZINSHERENIGING

Commissielid VITORINO presenteerde een voorstel voor een richtlijn betreffende het recht op gezinshereniging, het eerste initiatief van de Commissie op migratiegebied sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam.

Dit voorstel, dat de Commissie op 1 december 1999 heeft aangenomen, heeft ten doel een volledige en evenwichtige regeling vast te stellen ter bescherming van het gezinsleven van derdelanders. Het recht op gezinshereniging van derdelanders wordt erkend - zij het niet absoluut
- als zij legaal in een lidstaat verblijven en een verblijfsvergunning voor ten minste een jaar bezitten, met name voor arbeid in loondienst of als zelfstandige, activiteiten of studies.

De lidstaten verklaarden zich in hun eerste reacties ingenomen met de algemene teneur van het voorstel, al hadden sommige delegaties opmerkingen bij enkele specifieke bepalingen, bijv. die betreffende het recht op gezinshereniging voor ongehuwde partners, ook partners van hetzelfde geslacht.

De Raad droeg zijn bevoegde organen op om het Commissievoorstel te bestuderen.

VERZOEK VAN HET VERENIGD KONINKRIJK TOT DEELNEMING AAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN HET SCHENGENACQUIS

De Raad constateerde dat 14 delegaties akkoord gaan met het ontwerp-besluit van de Raad betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland om deelneming aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis. Een delegatie kon het beginsel van gedeeltelijke deelneming aan het
Schengeninformatiesysteem (SIS) vooralsnog niet aanvaarden. Die delegatie herhaalde voorts dat zij het niet eens is met de territoriale werkingssfeer van het ontwerp-besluit.

Er zij aan herinnerd dat het UK in overeenstemming met het Schengenprotocol bij het Verdrag van Amsterdam verzocht heeft aan bepaalde gebieden van het Schengenacquis te mogen deelnemen, voornamelijk politiesamenwerking, wederzijdse rechtshulp, met inbegrip van het Schengeninformatiesysteem (SIS), voorzover de deelneming compatibel is met de handhaving van de eigen controle aan de nationale grenzen. Het UK zal derhalve niet deelnemen aan het systeem voor immigratiecontrole (signaleringen met het oog op weigering van toegang; artikel 96 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst) van het SIS en aanverwante zaken.

Doel van het ontwerp-besluit is, te voorkomen dat de gedeeltelijke deelneming van het UK de interne samenhang van het SIS en de relatie met andere relevante bepalingen van het Schengenacquis ondermijnt. Er zal ook rekening worden gehouden met de financiële implicaties.

EUROPOL - TOEKOMSTIGE ACTIVITEITEN NA TAMPERE

Het voorzitterschap heeft meegedeeld hoe het de conclusies van de Europese Raad van Tampere betreffende de toekomstige activiteiten van Europol wil uitvoeren.

Wat betreft de mogelijkheid gezamenlijke onderzoekteams op te richten, zal worden nagegaan hoe Europol kan deelnemen aan de gezamenlijke teams zonder dat de Europol-overeenkomst behoeft te worden gewijzigd, omdat de uitvoering van de conclusies van Tampere op dit punt anders aanzienlijk vertraagd zou worden.

Voor de oprichting van een operationele task force van Europese politiechefs (waaraan Europol zou deelnemen) moeten bepaalde institutionele vraagstukken worden bestudeerd.

Voorts moet werk worden gemaakt van de andere twee punten met betrekking tot Europol die in de conclusies van Tampere zijn opgenomen: de ontvangst van operationele gegevens en het instellen van een onderzoek door Europol, de eenheid "EUROJUST", die in het bijzonder tot taak krijgt een goede coördinatie van de nationale met strafvervolging belaste autoriteiten te vergemakkelijken en strafrechtelijke onderzoeken in gevallen van georganiseerde criminaliteit, met name op basis van de analyses van Europol, te ondersteunen.

RICHTLIJN BETREFFENDE ELEKTRONISCHE HANDEL - STRAFRECHTELIJKE ASPECTEN

De Raad heeft nota genomen van een uiteenzetting van de Zweedse delegatie over de strafrechtelijke aspecten van de ontwerp-richtlijn betreffende "bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel in de interne markt".

De Raad Interne Markt zal in zijn volgende zitting (7 december) trachten een politiek akkoord te bereiken over zijn gemeenschappelijk standpunt ten aanzien van de ontwerp-richtlijn.

De ontwerp-richtlijn heeft ten doel belemmeringen voor de ontwikkeling van de elektronische handel in Europa weg te nemen alsmede een juridisch kader te scheppen dat de sector in staat zal stellen profijt te trekken uit de voordelen van de interne markt. Zij beoogt in het bijzonder een verdere harmonisatie van bepaalde juridische aspecten van de commerciële communicatie (reclame, direct marketing, enz.), het sluiten van contracten on-line, aansprakelijkheid van tussenpersonen en handhaving en uitvoering van het juridische kader.

De Zweedse minister van Justitie, mevrouw FREIVALDS, vestigde de aandacht van de Raad op de bepalingen in de ontwerp-richtlijn betreffende de aansprakelijkheid van dienstenaanbieders, die volgens haar de mogelijkheden voor een efficiënte bestrijding van criminele activiteiten als kinderpornografie zullen beperken. Ze onderstreepte dat strafrechtelijke aspecten behandeld moeten worden in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken. Verschillende delegaties steunden de opmerkingen van de Zweedse minister.

De voorzitter herinnerde eraan dat dit voorstel voor een richtlijn behandeld is door de Raad in zijn samenstelling van de ministers, bevoegd voor interne-marktaangelegenheden, en concludeerde dat er bij het vaststellen van het regeringsstandpunt gestreefd moet worden naar een betere horizontale samenwerking op nationaal niveau tussen de verschillende ministeries van de lidstaten.

AANNEMING VAN DE DOOR HET GEMENGD COMITÉ BESPROKEN BESLUITEN

In aansluiting op de vergadering van het gemengd comité heeft de Raad het begrotingsbesluit betreffende de begroting voor fase II van SIRENE en de helpdesk formeel aangenomen.

De formele aanneming van het besluit van de Raad betreffende de volledige uitvoering van het Schengenacquis in Griekenland, waarover een politiek akkoord werd bereikt, geschiedt over enkele dagen, wanneer het voorbehoud voor parlementaire behandeling van een delegatie is ingetrokken.


*


* *

(SCHENGEN) GEMENGD COMITÉ IJSLAND EN NOORWEGEN

In de marge van de Raadszitting had de tweede bijeenkomst op ministerieel niveau van het Gemengd Comité plaats. Dit Comité werd opgericht op basis van de op 17 mei 1999 ondertekende overeenkomst met IJsland en Noorwegen waardoor deze landen betrokken worden bij de tenuitvoerlegging, toepassing en uitbreiding van het Schengenacquis. De eerste bijeenkomst heeft te Luxemburg plaatsgehad op 29 oktober 1999.

De vergadering werd voorgezeten door mevrouw Sólveig PÉTURSDÓTTIR, Minister van Justitie van IJsland, conform de regels van de overeenkomst die voorschrijven dat in de tweede helft van elk jaar het voorzitterschap van het Gemengd Comité afwisselend bij IJsland of Noorwegen berust. De heer Bjørn SOLBAKKEN, Staatssecretaris van Justitie van Noorwegen, vertegenwoordigde zijn land.

Er zij aan herinnerd dat de overeenkomst met IJsland en Noorwegen een uitloper is van de overeenkomst van Luxemburg van 1996 tussen de Schengenlanden en de Noordse landen (Denemarken, Finland, Zweden, Noorwegen en IJsland) over de afschaffing van de grenscontroles.


-
VOLLEDIGE TOEPASSING VAN HET SCHENGENACQUIS IN GRIEKENLAND

Het Gemengd Comité kwam overeen dat er vanaf 1 januari 2000 niet meer gecontroleerd wordt aan de interne grenzen van Griekenland en die lidstaten welke het Schengenacquis volledig toepassen. Meer in het bijzonder worden de controles aan de zeegrenzen per 1 januari 2000 volledig afgeschaft, terwijl de controles in de luchthavens geleidelijk zullen worden opgeheven waar het technisch haalbaar is en uiterlijk op 26 maart 2000, de datum voor de halfjaarlijkse wisseling van de dienstregeling in de luchthavens.

Zodra een bepaalde delegatie haar voorbehoud voor parlementaire behandeling heeft ingetrokken, wordt het formele besluit binnen enkele dagen door de Raad van de EU aangenomen.

Door dit besluit komt het aantal EU-landen waartussen de interne grenscontroles zijn afgeschaft op tien te liggen. Oktober 2000 is de streefdatum voor de afschaffing van de interne grenscontroles met de Noordse landen (Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden).


-
SCHENGEN INFORMATIESYSTEEM "SIS 1+" - SITUATIEVERSLAG

De voorzitter bracht het Gemengd Comité op de hoogte van het positieve resultaat van het eerste deel van het "SIS1+" genoemde project, dat ervoor moet zorgen dat een mogelijk millenniumprobleem geen gevolgen heeft voor de werking van het Schengeninformatiesysteem. Nadat de laatste exercitie op 17 november 1999 goed was verlopen, draait het systeem nu dus goed en zal het een vlotte overgang naar het jaar 2000 garanderen.

Er zij gememoreerd dat het tweede deel van het "SIS1+"-project binnenkort zal beginnen aan het actualiseren van het SIS om het systeem uit te breiden tot de Noordse landen (Denemarken, Finland, Zweden, Noorwegen en IJsland) met het oog op de afschaffing van de controles aan de grenzen met deze landen, waarover een akkoord verwacht wordt in de tweede helft van 2000.

Naast het bovengenoemde project om het SIS te actualiseren zijn er plannen om het systeem binnen enkele jaren fundamenteel om te vormen tot SIS II. Met dit doel is reeds een voorafgaande studie gemaakt.


-
SIS - DE VOORLOPIGE BEGROTING VOOR SIRENE FASE II EN HELPDESK VOOR HET JAAR 2000

Het Gemengd Comité werd het eens over de begroting voor fase II van SIRENE (Verzoek om aanvullende informatie bij binnenkomst op het nationaal grondgebied) en de Helpdesk. De totale uitgaven voor deze begroting belopen EUR 2.313.035.

Zoals bekend is SIRENE een informatiesysteem dat het centrale gedeelte van SIS (databank) in Straatsburg verbindt met de nationale gedeelten in de lidstaten.


-
JAARVERSLAG 1998 INZAKE DE TOEPASSING VAN DE SCHENGENUITVOERINGSOVEREENKOMST

Het Gemengd Comité nam akte van het jaarverslag 1998 inzake de toepassing van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, dat is opgesteld door het vroegere Duitse Schengenvoorzitterschap.

In de inleiding van dit verslag staat dat ook in 1998 de deugdelijkheid is gebleken van deze overeenkomst, die in werking is getreden in België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje en, zij het tot dusver slechts ten dele, in Griekenland. De boodschap van Schengen luidt dat het vrij verkeer van personen in Europa in de vorm van het wegvallen van de controle aan de binnengrenzen verantwoord is wanneer dit met doeltreffende compenserende veiligheidsmaatregelen gepaard gaat.

Zoals in het verslag is onderstreept valt het Schengen-succesverhaal concreet af te lezen aan "de voltooiing van de beveiliging van de buitengrenzen, de optimale benutting van het Schengeninformatiesysteem met ongeveer 40.000 terminals, de uitvoering in onderling overleg van de gemeenschappelijke visumregeling, de hoge mate van de politiële samenwerking, de vastberaden bestrijding van de mensensmokkel en de verbeteringen in de wederzijdse rechtshulp."

De diverse hoofdstukken van het verslag bevatten een beschrijving van de activiteiten betreffende de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen en de doeltreffendheid van de personencontroles aan de buitengrenzen, de werking van het Schengeninformatiesysteem, het personenverkeer, de bestrijding van de illegale handel in verdovende middelen, politiële samenwerking en justitiële samenwerking.


-
JAARVERSLAG 1998 INZAKE DE TOEPASSING VAN DE SCHENGEN-UITVOERINGSOVEREENKOMST AAN DE BUITENGRENZEN

Het Gemengd Comité nam kennis van dit verslag, dat, voor de eerste maal, een compleet beeld biedt van de situatie zoals die op het gebied van het vrije verkeer zonder controles aan de binnengrenzen in negen Schengenlanden is ontstaan nadat eind 1997 de controles aan de grenzen met Italië en Oostenrijk werden opgeheven.

Luidens het verslag werd 1998 gekenmerkt door een aanzienlijke toename van de migratiedruk, voornamelijk aan de land- en zeegrenzen. Om dit probleem aan te pakken hebben de lidstaten zich veel moeite gegeven. In het verslag staat tevens dat "al functioneert de overeenkomst op dit gebied bevredigend, er zich toch problemen blijven voordoen waaruit blijkt dat er juridische en praktische leemten bestaan die zo spoedig mogelijk moeten worden opgevuld".

In dit verslag ligt de nadruk op de volgende kwesties:


- de routes waarlangs de illegale immigratie in het bijzonder plaatsvond,


- de plaatsen waar aanzienlijke migratiestromen bij de buitengrenzen van Schengen aankomen en waar zich de knooppunten bevinden,
- de maatregelen die genomen zijn om het verschijnsel aan te pakken, alsmede de doeltreffendheid van die maatregelen.

Tevens bevat het verslag een aantal aanbevelingen voor de lidstaten op zowel het nationale als het communautaire niveau, zoals betere uitwisseling van informatie en betere samenwerking, uitbreiding van de opleiding, betere harmonisatie van het visumbeleid, snelle uitvoering van het gemeenschappelijk optreden inzake een uniform model voor verblijfstitels en gezamenlijke onderhandelingen over overnameovereenkomsten.


-
EVALUATIE VAN DE TOEPASSING VAN SCHENGEN IN DUITSLAND

Het Gemengd Comité nam akte van een verslag over de evaluatie van de toepassing van Schengen in Duitsland, dat de Permanente Commissie Schengen heeft opgesteld na in december 1998 een mandaat te hebben ontvangen van het Uitvoerend Comité Schengen.

Dit is de eerste maal dat de evaluatie wordt uitgevoerd in een Schengenland dat het Schengenacquis volledig toepast. Het is meer de bedoeling de geest van samenwerking en vertrouwen tussen de Schengenpartners te bewijzen dan een controleoperatie uit te voeren.

De Permanente Commissie, die het verslag onder het voorzitterschap van België heeft opgesteld, poogde de stappen en denkbeelden aan te geven die ook aan andere lidstaten ten goede kunnen komen en bestaande problemen of risicosituaties onder de aandacht te brengen en eventuele voorstellen te bieden voor een optimale toepassing van de overeenkomst.

Het verslag doet enkele aanbevelingen voor de toekomstige werking van de Permanente Commissie en beschrijft het concept en de strategie die Duitsland in verband met de veiligheid heeft ontwikkeld, en geeft een opsomming van de geconstateerde problemen.

De conclusie van de Permanente Commissie wat betreft de toepassing van Schengen door Duitsland was grosso modo positief. De Permanente Commissie noemde tevens de volgende gebieden die meer aandacht moeten krijgen: de betrekkingen met Zwitserland, het kleine grensverkeer, de harmonisering van de terminologie en de statistieken, het gebruik van het gemeenschappelijk handboek, luchthaventransitvisa en controles op cruiseschepen.


-
VASTSTELLING VAN DE ONDERLINGE VERPLICHTINGEN VAN DE LIDSTATEN TEN AANZIEN VAN DE OVERNAME VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN

Het Finse voorzitterschap van de EU legde aan het Gemengd Comité zijn initiatief voor dat is gericht op de aanneming van een verordening tot vaststelling van de verplichtingen tussen de lidstaten onderling inzake de overname van onderdanen van derde staten.

Deze ontwerp-verordening moet van toepassing worden op situaties waarin een onderdaan van een derde land zich op illegale wijze blijkt op te houden op het grondgebied van een lidstaat. In dergelijke gevallen moet bepaald worden welke lidstaat verantwoordelijk is voor de aanpak van de situatie; de lidstaten zijn namelijk prioritair gehouden onderdanen van een derde staat die zich illegaal op hun grondgebied blijken te bevinden, terug te zenden naar hun land van herkomst of een andere staat waar zij op legale wijze kunnen binnenkomen.


-
INFORMATIE OVER BESLUITEN OF MAATREGELEN DIE VAN BELANG KUNNEN ZIJN VOOR SCHENGEN

IJsland en Noorwegen werden in kennis gesteld van de stand van de voorbereiding van de volgende besluiten of maatregelen die van belang kunnen zijn voor de toepassing van de overeenkomst die op 17 mei 1999 met deze landen werd gesloten in verband met Schengen:


- verzoek van het Verenigd Koninkrijk om te mogen deelnemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis;

- mandaat voor de onderhandelingen met Noorwegen en IJsland over de nevenovereenkomst bij de Overeenkomst van Dublin;
- Eurodac-verordening;

- Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken.

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Europol


- Bezoldiging van de personeelsleden van Europol

De Raad heeft een besluit aangenomen tot wijziging van het Besluit van de Raad van 3 november 1998 "houdende vaststelling van het statuut voor de personeelsleden van Europol, wat betreft de vaststelling van bezoldiging, pensioenen en andere financiële rechten in euro"; voortaan worden alle bedragen uitgedrukt in euro.

Bovendien heeft de Raad een besluit aangenomen waarbij de bezoldiging en toelagen van de personeelsleden van Europol worden aangepast. Bovengenoemd besluit van de Raad wordt vooral gewijzigd omdat de bezoldigingen sinds 1 juli 1999 met 8,5% zijn verhoogd.


- Begroting voor 2000

De Raad nam de begroting van Europol voor 2000 aan, die 27.446.000 EUR bedraagt, waarvan 7.000.000 EUR voor het Europol-computersysteem (TECS). Het aantal personeelsleden wordt in 2000 met 46 verhoogd tot 185.

Er zij aan herinnerd dat in de begroting 1999 de totale uitgaven op 18.896.000 EUR werden vastgesteld. De redenen voor de verhoging voor 2000 zijn dat Europol sinds 1 juli 1999 al zijn activiteiten uitvoert en dat er nieuwe taken bij zijn gekomen zoals terrorismebestrijding en het witwassen van geld.

Er zij op gewezen dat er opdracht is gegeven voor een evaluatie van de personeelssterkteniveaus en de plannen van Europol en dat de resultaten daarvan zullen worden gebruikt bij de voorbereiding van de ontwerp-begroting 2001 en de daaropvolgende ontwerp-begrotingen.

Gemeenschappelijk optreden inzake wederzijdse evaluaties

De Raad nam nota van een verslag over de toepassing van het gemeenschappelijk optreden van 5 december 1997 tot instelling van een mechanisme voor evaluatie van de uitvoering en toepassing op nationaal niveau van de internationale verbintenissen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Tijdens de eerste gezamenlijke evaluatie werd gekeken naar de vertragingen die zich voordoen bij de toepassing van het systeem van wederzijdse rechtshulp en in geval van dringende verzoeken om beslaglegging op goederen. Tot dusverre werden Luxemburg, Nederland, Ierland, Italië, Griekenland en Denemarken bij deze evaluatie betrokken.

Dit verslag bevat samenvattingen van de afzonderlijke landenverslagen, waaronder een aantal specifieke aanbevelingen die tot elke geëvalueerde lidstaat worden gericht om de justitiële samenwerking te verbeteren en de beste praktijken te bepalen.

Het streefdoel is tegen eind 2000 klaar te zijn met een volledige evaluatieronde van alle lidstaten.

Evaluatie van de werking van het Europees Justitieel Netwerk (EJN)

De Raad nam akte van een eerste evaluatie van de werking van het Europees Justitieel Netwerk, dat bij het gemeenschappelijk optreden van 29 juni 1998 werd aangenomen teneinde de justitiële samenwerking en de uitwisseling van informatie op dit gebied te verbeteren.

Uit het verslag blijkt dat alle lidstaten nationale contactpunten hebben aangewezen, die sindsdien vier keer vergaderd hebben. Met het oog op de nodige verspreiding van de gegevens binnen het EJN is er ondermeer een speciale website opgezet met de teksten van de relevante rechtsinstrumenten. Bovendien komt er een proefproject dat de instelling van een telecommunicatienetwerk voor de contactpunten behelst.

Eind 2002 moet er een nieuwe evaluatie van het EJN plaatsvinden.

Clausules inzake overname in overeenkomsten van de Gemeenschappen of gemengde overeenkomsten

De Raad kwam overeen aanpassingen aan te brengen in de standaardclausules inzake overname die in overeenkomsten van de Gemeenschap en in gemengde overeenkomsten worden gebruikt voor de repatriëring van personen die zich illegaal op het grondgebied van een lidstaat bevinden. De aanpassing van de in 1995 bepaalde clausules is nodig door het van kracht worden van het Verdrag van Amsterdam, dat overnamekwesties onder de bevoegdheid van de Gemeenschap laat ressorteren en de Gemeenschap machtigt om overnameovereenkomsten te sluiten.

De hiernavolgende standaardclausules moeten worden opgenomen in alle toekomstige communautaire overeenkomsten alsook in overeenkomsten tussen de EG, haar lidstaten en derde landen (gemengde overeenkomsten):

"De Raad van de Europese Unie heeft besloten dat de onderstaande standaardclausules moeten worden opgenomen in alle toekomstige communautaire overeenkomsten alsook in overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap, haar lidstaten en derde landen. Artikel A
De Europese Gemeenschap en staat X komen overeen samen te werken om illegale immigratie te voorkomen en te beheersen. Te dien einde:


- zal staat X eigen onderdanen die zich illegaal op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie bevinden, op verzoek van die lidstaat en zonder verdere formaliteiten overnemen;
- zal elke lidstaat van de Europese Unie eigen onderdanen, zoals voor Gemeenschapsdoeleinden gedefinieerd, die zich illegaal op het grondgebied van staat X bevinden, op verzoek van die staat en zonder verdere formaliteiten overnemen.

De lidstaten van de Europese Unie en staat X verstrekken voorts hun onderdanen de daartoe nodige identiteitspapieren.

Artikel B

De partijen zullen op verzoek een overeenkomst tussen staat X en de Europese Gemeenschap sluiten over de specifieke overnameverplichtingen van staat X en de lidstaten van de Europese Gemeenschap, waaronder een verplichting tot overname van onderdanen van andere landen en staatlozen.

Artikel C

In afwachting van de sluiting van de in artikel B bedoelde overeenkomst met de Gemeenschap, zal staat X op verzoek van een lidstaat bilaterale overeenkomsten met afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap sluiten over de specifieke overnameverplichtingen van staat X en de betrokken lidstaat, waaronder een verplichting tot overname van onderdanen van andere landen en staatlozen.

Artikel D

De Samenwerkingsraad gaat na welke andere gezamenlijke maatregelen kunnen worden getroffen om illegale immigratie te voorkomen en te beheersen."

Voltooiing en evaluatie van het actieplan van 1997 ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit

De Raad nam akte van het ontwerp-verslag aan de Europese Raad van Helsinki over de voltooiing en evaluatie van het actieplan van 28 april 1997 ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Het actieplan, dat de steun kreeg van de Europese Raad van Amsterdam, bevat 15 politieke richtsnoeren en 30 gedetailleerde aanbevelingen die tegen eind 1999 uitgevoerd zouden moeten worden. Om vaart te zetten achter de uitvoering werd een multidisciplinaire groep ingesteld, bestaande uit mensen die in de praktijk belast zijn met operationele wetshandhaving, officieren van justitie en hoge beleidsambtenaren.

In het ontwerp-verslag over de evaluatiepunten van het actieplan wordt gewezen op de aanzienlijke vooruitgang die ten aanzien van een aantal richtsnoeren of aanbevelingen werd geboekt, zoals de instelling van een Europees justitieel netwerk, de aanneming van een onderling evaluatiemechanisme om problemen bij de uitvoering van maatregelen te identificeren, de aanneming van een gemeenschappelijk optreden inzake Falcone, een meerjarenprogramma ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, en de aanneming van een gemeenschappelijk optreden over deelname aan een criminele organisatie.

Het vermeldt ook aan welke aanbevelingen er werd gewerkt, maar die niet vóór eind 1999 volledig kunnen worden uitgevoerd, zoals ontwikkeling van een gemeenschappelijk beleid inzake financiële centra en off-shorefaciliteiten, witwassen van geld en inbeslagneming van de opbrengsten van misdrijven, bekrachtiging van verscheidene EU-verdragen, enz.

In het ontwerp-verslag wordt ook beklemtoond dat het actieplan van Wenen van 1998 over een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en de conclusies van de Europese Raad van Tampere van oktober jongstleden de verbintenis van de EU bevestigden om de strijd tegen ernstige georganiseerde en transnationale criminaliteit op te voeren. Er worden regelingen getroffen voor de ontwikkeling van een Europese strategie inzake de preventie van en controle op georganiseerde criminaliteit voor het begin van het nieuwe millennium, waarbij vooral werk wordt gemaakt van de follow-up waartoe werd opgeroepen door de Europese Raad van Wenen en de Europese Raad van Tampere.

Er zij opgemerkt dat het ontwerp-verslag nog vóór de Europese Raad kan worden aangepast om rekening te houden met de jongste ontwikkelingen en resultaten.

Ontwerp-verdrag van Den Haag inzake de bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen - werkmethode

De Raad hechtte zijn goedkeuring aan een werkmethode voor de opstelling, in het najaar van 2000 in Den Haag, van een verdrag inzake de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Volgens deze werkmethode dienen bepalingen over de volgende punten te worden besproken:

consumentenovereenkomsten, individuele arbeidsovereenkomsten, filialen, meer dan één verweerder, verboden bevoegdheidsgronden, rechtsmacht van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, litispendentie en uitzonderlijke omstandigheden waaronder de bevoegdheid kan worden afgewezen, rechtsbijstand, schadevergoedingen, authentieke instrumenten, ontkoppelingsclausule, federale clausules en elektronische handel.

Ratificatie van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied

De Raad nam akte van de stand van de ratificatie van de Overeenkomst van 1995 inzake het gebruik van informatica op douanegebied (DIS-overeenkomst), het bijbehorende protocol van 1997 over de bevoegdheid van het Hof van Justitie om prejudiciële beslissingen te geven betreffende de uitlegging van de overeenkomst en het Akkoord van 1995 betreffende de voorlopige toepassing van de overeenkomst.

Wat het bovengenoemde akkoord betreft, kan de voorlopige toepassing van de DIS-overeenkomst van start gaan nadat acht lidstaten de overeenkomst en het akkoord hebben bekrachtigd.

Tot dusver hebben 9 lidstaten de overeenkomst geratificeerd (Oostenrijk, Denemarken, Spanje, Finland, Griekenland, Italië, Portugal, Zweden en het Verenigd Koninkrijk), hebben 6 lidstaten het akkoord betreffende de voorlopige toepassing geratificeerd (Oostenrijk, Denemarken, Finland, Griekenland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) en hebben 8 lidstaten het protocol betreffende het Hof van Justitie geratificeerd (Oostenrijk, Spanje, Finland, Griekenland, Italië, Portugal, Zweden en het Verenigd Koninkrijk). Er moeten dus nog twee lidstaten het akkoord ratificeren om de voorlopige toepassing van de overeenkomst mogelijk te maken.

Maatregelen ter bestrijding van kindersekstoerisme

De Raad nam akte van de ontwerp-conclusies over de uitvoering van maatregelen ter bestrijding van kindersekstoerisme, die tijdens de Raad Jeugdzaken van 23 november werden besproken en door de komende Raad Algemene Zaken op 6 december zullen worden aangenomen.

De ontwerp-conclusies volgen op de mededeling van de Commissie van 26 mei 1999 over hetzelfde onderwerp en op een verslag over de vooruitgang die is geboekt in de strijd tegen sekstoerisme. De Commissie en de lidstaten worden verzocht de nodige initiatieven te blijven ontwikkelen ter bestrijding van kindersekstoerisme, op basis van een pijleroverschrijdende benadering.

Juridische informatica

De Raad nam akte van een verslag over de juridische informatica in de tweede helft van 1999.

Het verslag bevat een overzicht van de verrichte werkzaamheden betreffende het nieuwe project om een geïntegreerd systeem van toegang tot het Gemeenschapsrecht (EUR-Lex, g.s.) in te stellen, ontwikkelingen met betrekking tot de gegevensbank van het Gemeenschapsrecht CELEX, de elektronische verspreiding van het Gemeenschapsrecht, alsmede het groenboek van de Commissie over overheidsinformatie in de informatiemaatschappij.


____________________

Footnotes:

_________________________________________________________________

nl/jha/13461.NL9.html Top of page

Deel: ' Zitting Raad Justitie en Binnenlandse Zaken EU '




Lees ook